Logo  
  | home | authors | calendar colophon | links | newsgroups | newsfeed | new | printer version |  
volume 2
augustus 1999

Terug naar het publiek

 





  Rapport van de Commissie Publieke Omroep, Den Haag, 26 juni 1996
  Bijlage: Hoofdlijnen ontwikkeling rond media in Nederland
Previous
   
  Inhoud:
 
  1. Periode voor 1940, het ontstaan van het zuilenstelsel
  2. Periode van 1940 tot 1951, oorlogstijd en discussie over één nationale omroep
  3. Periode 1951-1965, de opkomst van de televisie
  4. Periode 1965-1982, open bestel
  5. Periode 1982-1989, uitgangspunten nieuw mediabeleid
  6. Periode 1989-heden, commerciële omroepen
  7. Algemene conclusies
  8. Chronologisch overzicht
1 Periode voor 1940, het ontstaan van het zuilenstelsel
  Na de uitvinding van de radio verschenen langzamerhand meerdere uitzendingen, verzorgt door vele aanbieders. Door schaarste van frequenties, versterkt door internationale afspraken (EU), besluit de overheid wettelijke maatregelen te nemen. De Telegraaf- en Telefoonwet voldoet hier niet aan. De overheid wil in lijn met de traditie van de nachtwakersstaat en heersende verzuiling geen nationale omroep, maar een pluriform omroepbestel met vier zuilen. De overheid denkt dat met deze zuilen, die elk een achterban vertegenwoordigen, voorzien wordt in de geestelijke, culturele en godsdienstige behoeften. De zenders zijn tevens een spreekbuis voor de zuilen. Daarnaast wordt er een algemeen programma ingesteld.
  De basis voor dit stelsel wordt in 1928 gelegd (de Radiowet). De overheid stelt eisen aan omroepen, omroepen dienen te voorzien in een culturele en/of godsdienstige behoefte. Commercie wordt niet toegestaan. Door de dreiging van op Nederland gerichte commerciële uitingen door buitenlandse zenders wordt in 1937 een officieel verbod ingesteld.
  Met een toename van het aantal aanvragen voor kabelaanleg bij gemeenten en de toenemende vraag naar kabelaansluitingen, gaat de overheid meer en meer voorschrijvend te werk (Radioreglement 1930 en Radio-Omroep Zender Wet 1935). De reden voor verdergaande regulering is enerzijds de omroeporganisaties een vergoeding te kunnen laten krijgen voor de doorgifte van hun programma's en anderzijds de sterke groei in kabel te kunnen beheersen.
  Samenvattend:
 
  • door schaarste, versterkt door internationale afspraken, ontstaat overheidsbemoeienis;
  • de overheid wil een omroepstelsel waarbij de verschillende maatschappelijke stromingen zij vertegenwoordigd. Zo kunnen de belangrijkste zuilen van de maatschappij hun achterban voorzien in godsdienstige en culturele behoeften en van algemeen nut zijn;
  • bij dreiging van commercie besluit de overheid tot strengere maatregelen;
  • een toename van de kabelbehoefte leidt ertoe dat de overheid meer wil reguleren, wat tevens zorgt voor financiële middelen voor de omroepen.
2 Periode van 1940 tot 1951, oorlogstijd en discussie over één nationale omroep
  In 1941 wordt het luistergeld geïntroduceerd door de Duitse bezetter. Er ontstaat één omroep in de oorlogsjaren. Door de sterke verankering van de zuilen in de maatschappij en de lobby van de omroeporganisaties ontstaat na de oorlog weer het vooroorlogse zuilenstelsel.
  De belangrijkste verandering is dat de gemeenschap de autonomie van de zuilen bekostigd met het luistergeld. De overheid verplicht wel tot een samenwerking tussen de omroepen (NRU).
  Samenvattend:
 
  • ondanks pogingen tot oprichting van één nationale omroep blijft het zuilenstelsel bestaan door de sterke verankering in de maatschappij.
3 Periode 1951-1965, de opkomst van de televisie
  Na de opkomst van de televisie na 1951 probeert de overheid met diverse tijdelijke wetten en reglementen de zendtijd op televisie te reguleren. Het beleid van de overheid is steeds reactief.
  Hoewel kritiek ontstond op het zuilenstelsel en de neergang van dit stelsel werd ingezet (ontzuiling), was de invloed van de zuilen zo sterk dat de overheid voor televisie hetzelfde beleid als voor radio hanteerde.
  Er is een hevige discussie over het toelaten van commercie op de televisie (in navolging van Engeland), er ontstaan steeds meer initiatieven voor commerciële televisie (OTEM, REM-eiland) en bij Nederlandse bedrijven ontstaat de vraag naar mogelijkheden voor reclame.
  De overheid staat deze initiatieven echter niet toe. Een commerciële benadering van de omroep stuit op te grote weerstand binnen het sterk in de maatschappij en politiek verankerde zuilenstelsel. De nota over reclametelevisie is ingegeven door economische motieven.
  Het voorstel werd echter afgewezen, zelfs na een beroep op de vrijheid van meningsuiting (Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, 1950). De discussie over het toelaten van commercie op televisie en een open stelsel ligt zo gevoelig dat het kabinet Marijnen er door valt. Commercie wordt niet toegestaan.
  Door de PTT het monopolie te geven op draadomroepinrichtingen gaat de overheid verder met reguleren.
  Samenvattend:
 
  • ondanks het begin van de ontzuiling en een behoefte aan commercie is het zuilenstelsel zo sterk verankerd in de maatschappij en politiek, dat de overheid zich verzet tegen commercie op televisie en ontzuiling van het stelsel;
  • de televisie doorbreekt het zuilenpatroon; dit leidt tot het doorbreken van de "hokjesgeest" en deconfessionalisering;
  • de discussie over het zuilenbestel wordt steeds heviger, openheid staat voortdurend centraal;
  • toegankelijkheid staat in het beleid van de overheid centraal, de kijker komt op de tweede plaats;
  • het beleid van de overheid is overwegend reactief.
4 Periode 1965-1982, open bestel
  De Omroepwet wordt ingesteld en het collectieve monopolie van de zuilen wordt doorbroken. De verdeling van zendtijd wordt vanwege de schaarste volledig gereguleerd.
  De positie van de huidige omroepen blijft gehandhaafd en er kunnen nieuwe organisaties toetreden die zich ten doel stellen in zodanige mate gericht te zijn op de bevrediging van in het volk levende culturele of godsdienstige danwel geestelijke behoeften, dat hun uitzending geacht kan worden van algemeen nut te zijn (het stromingsartikel). De NOS wordt ingesteld om een ontmoetingspunt te zijn voor verschillende stromingen uit de samenleving en plaats te bieden aan stromingen die nog niet aan bod komen. Doel is een evenwichtig totaalbeeld te realiseren. Het open bestel leidt tot concurrentie tussen de omroepen. In de jaren '70 brokkelt het zuilenstelsel verder af ("vertrossing"). Om die reden wil de overheid meer greep krijgen op de omroepen en scherpt de bepalingen uit de Omroepwet verder aan door hogere drempels voor nieuwe gegadigden en controle op volledig programmavoorschrift.
  Centraal staan democratie, uitingsvrijheid, pluriformiteit, participatie en doelmatigheid.
  Etherreclame wordt toegestaan, echter initiatieven van commerciële zenders, ook uit het buitenland worden niet toegestaan (voorbeeld RTL), omdat deze bedreigend zijn voor het Nederlandse omroepbestel en de nationale culturele identiteit. Reclame mag geen invloed hebben op de programmaverzorging (daarom wordt de STER ingevoerd en is de overheid tegen commerciële zenders).
  Door de komst van kabel (het centraal antennesysteem wordt langzamerhand opgeheven) en satellieten neemt de schaarste af en komen er uitzendingen uit het buitenland.
  Samenvattend:
 
  • het bestel wordt open (het collectieve monopolie van de zuilen wordt doorbroken), de vertrossing neemt toe en door de nieuw ontstane situatie en schaarste wordt de regulering van de overheid sterker. Er worden steeds nieuwe regelingen en wetten afgekondigd;
  • door technologische ontwikkelingen (kabel en satelliet) wordt ontvangst van buitenlandse commerciële zenders in Nederland mogelijk. De overheid staat nog steeds geen op Nederland gerichte commercie toe. Wel wordt etherreclame toegestaan, maar de overheid houdt dit zelf in de hand. Het beleid is dat reclame los moet staan van programmaverzorging;
  • het beleid van de overheid is gericht op het aan bod laten komen van de verschillende stromingen in de samenleving.
5 Periode 1982-1989, uitgangspunten nieuw mediabeleid
  Door nieuwe technologie neemt de schaarste af. De invloed van de Europese Commissie en de ontzuiling en commercialisering in de maatschappij nemen sterk toe. In de jaren '80 verschuift de legitimatie van overheidsbemoeienis van politiek naar cultuur omdat — als gevolg van de afnemende schaarste en de grotere mogelijkheden om in de media ideeën uit te dragen — cultuurbeleid beter verdedigbaar is dan informatievoorziening en democratische meningsvorming. Mediabeleid wordt verbonden met cultuurbeleid.
  Nieuwe wetgeving (Mediawet) wordt gebaseerd op bescherming van de grote vrijheid en bewaking van de verscheidenheid van meningsuiting door omroep en pers; bescherming van Nederlandse culturele verworvenheden en vergroting van de verschijningsmogelijkheden daarvoor; verruiming van het op individuele voorkeuren gericht programma-aanbod.
  Uitgangspunten van het omroepbestel, pluriformiteit, openheid en non-commercialiteit blijven gehandhaafd. Omroepen moeten voldoen aan representativiteits-, pluriformiteits- en getalseisen. De regelgeving in Europa is in sterke mate gericht op liberalisering, vrije meningsuiting en economisch vrijhandel. Doordat de invloed van de Europese regelgeving belangrijker wordt, moet de overheid haar regels en wetten aanpassen.
  Samenvattend:
 
  • de overheid blijft de omroep sterk reguleren;
  • de uitgangspunten van overheidsbeleid verschuiven naar cultuur: culturele pluriformiteit staat centraal;
  • de invloed van de Europese (liberaliserende) regelgeving op het nationale beleid wordt steeds groter;
  • als gevolg van de snelle technologische ontwikkelingen en de toenemende invloed van de EG slaagt de overheid er niet in regelgeving te ontwerpen die gericht is op de (middel)lange termijn.
6 Periode 1989-heden, commerciële omroepen
  Een aantal commerciële zenders begint met uitzendingen gericht op de Nederlandse markt. Met name de Europese regelgeving maakt het de overheid onmogelijk alle initiatieven te weren. Commerciële televisie is een feit. Naast interne concurrentie, gepaard gaand met vervlakking van het aanbod ("vertrossing"), ontstaat nu ook externe concurrentie.
  Tussen de publieke en commerciële omroep ontstaat een strijd om de kijker en de adverteerder. De overheid reageert met aanpassingen van de bestaande regelgeving om de (concurrentie)positie van de publieke omroep te versterken. Dit leidt ondermeer tot een verruiming van het reclameregime (overeenkomstig de Europese regelgeving) en tot een nadruk op (duurzame) samenwerking tussen omroepverenigingen. Het beleid van de overheid wordt gestuurd door de overtuiging dat regulering, het toezien op ordelijke concurrentie-verhoudingen, noodzakelijk is. De overheid brengt deze doelstelling in lijn met de vrijheid van meningsuiting, zoals neergelegd in de Grondwet en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Zij moet volgens dat beleid noodzakelijke voorwaarden scheppen voor het waarborgen van de pluriformiteit en de onafhankelijkheid van de informatievoorziening. De overheid staat een duidelijke scheiding van publieke en commerciële omroep voor.
  Eén publieke omroep (Veronica) maakt gebruik van de mogelijkheden die de overheid omroepverenigingen biedt om commercieel te worden.
  De kabel is in de jaren '90 uitgegroeid tot een zelfstandig verspreidingsmedium.
  Naast de traditionele omroepprogramma's gaan kabelexploitanten zich meer en meer bezighouden met andere (interactieve) diensten. De overheid reageert op deze situatie door de toegang tot de kabel te reguleren, zowel om aanbieders gelijke kansen te geven als om de consument te beschermen tegen monopolievorming en prijsopdrijving.
  Samenvattend:
 
  • De overheid reageert op de externe pressie van de commerciële omroep met regelgeving gericht op versterking van de positie van de publieke omroep;
  • Duurzame samenwerking tussen publieke omroepverenigingen wordt van overheidswege gestimuleerd;
  • De Europese regelgeving heeft een liberaliserende invloed op het nationale beleid en biedt de overheid mogelijkheden de (als gevolg van de opkomst van de commerciële omroep) ontstane zwakke financiële basis van de publieke omroep te versterken;
  • De kabel wordt losgekoppeld van traditionele omroep; de noodzaak tot regulering van de toegang leidt tot nieuwe regelgeving.
7 Algemene conclusies:
 
  • Technologische ontwikkelingen verminderen de schaarste. De eis van pluriformiteit, een van de belangrijkste peilers van het overheidsbeleid verandert hierdoor.
  • De overheid hecht groot belang aan loskoppeling van commercie en programmaverzorging. De overheid heeft (veelal reactief) geprobeerd weerstand te bieden aan commerciële initiatieven.
  • De overheid heeft veel regelgeving moeten aanpassen, of uitgangspunten moeten herdefiniëren, door de grotere invloed van Europese regelgeving (liberalisering).
  • Door de grote invloed van de verzuilde maatschappij is het initiatief voor één nationale omroep steeds niet haalbaar gebleken.
  • Door steeds groter wordende veranderingen (op maatschappelijk en technologisch gebied) voldoet de wetgeving niet en is de overheid genoodzaakt telkens nieuwe maatregelen te treffen om de "oude, verzuilde" uitgangspunten te kunnen handhaven.
  • De digitalisering en convergentie leiden tot een nog groter wordende complexiteit.
8 Chronologisch overzicht
   
  1895: Uitvinding van de radio.
  1904: Telegraaf- en Telefoonwet. Deze wet heeft betrekking op alle vormen van ethergebruik.
  1906: Uitvinding van de televisie.
  1919: Eerste radio-uitzending, verzorgd door Ir. H. A Steringa Idzerda (6 november); met duidelijk commerciële bedoelingen (verkoop van benodigde apparatuur).
  1920: Begin proefuitzendingen met televisie.
  1925: European Broadcasting Union: draagt zorg voor de coördinatie van radio-frequenties ten behoeve van de radio omroep in Europa.
  1925: Nederlandse Seintoestellen Fabriek (NSF) is de enige overgebleven zender. Om de uitzendingen (met commercieel oogmerk) te kunnen financieren richt W. Vogt van de NSF de Hilversumse Draadloze Omroep (HDO) op, die vanaf 1927 de Algemene Vereniging Radio Omroep (AVRO) heet.
  Jaren '20: Proces van verzuiling op het hoogtepunt. Een pluriform omroepbestel ontstaat: orthodox-protestanten (NCRV), katholieken (KRO), socialisten (VARA) en vrijzinnig-protestanten (VPRO) kopen zendtijd van de NSF. (De VPRO is principieel tegen een verzuild bestel en streeft naar een nationale omroep, houdt de eigen vereniging slechts in stand van godsdienstige uitzendingen te kunnen verzorgen).Nederland beschikt echter op grond van internationale afspraken slechts over twee golflengtes.
  Vóór 1928: Gemeenten moeten toestemming verlenen voor aanleg van kabelnetten. Sterke groei aantal verleende machtigingen (van 140 eind 1928 naar 751 eind 1931).
  1928: Radiowet. De doelstelling van de Wet is inhoudelijk controle te kunnen uitoefenen op radio-uitzendingen. De overheid kan bij AMvB uitzendingen staken.
  De beschikbare zendtijd wordt verdeeld over omroeporganisaties die voldoen aan bepaalde inhoudelijke eisen (de in de praktijk gevormde "particuliere" zendgemachtigden en de zendtijdverdeling wordt grotendeels gehandhaafd). Introductie van een pluriform omroepstelsel door aan iedere omroepinstelling een eigen zendmachtiging te verlenen.
  1928: Telegraaf- en Telefoonwet, artikel 3. Er is een machtiging van de Minister (een bestuursrechtelijke vergunning) nodig "indien geledingen in, op of boven openbare gronden worden aangelegd of tegen betaling in gebruik gegeven."
  1929: Uitvinding van de coax-kabel, die vooral van belang zal zijn voor de transmissie van televisiesignalen.
  1930: Radioreglement. Machtigingen aan omroeporganisaties worden slechts verleend, wanneer deze kunnen aantonen dat zij in zodanige mate gericht zijn op bevrediging van culturele of godsdienstige behoeften die bij het volk leven, dat de uitzendingen geacht kunnen worden van algemeen nut te zijn. (Vastlegging stromingen- / zuilenstelsel). Het Radioreglement regelt verder de aanleg en het gebruik van kabelnetten.
  1930: Zendtijdbesluit. De zendtijd wordt verdeeld over de vier grote omroepen (AVRO, VARA, NCRV en KRO), waarbij de AVRO en VARA de ene zender gebruiken en de KRO en NCRV de andere zender. Daarnaast wordt er zendtijd gereserveerd voor een algemeen programma (beurtelings verzorgd door vier grote omroepen). De overige zendtijd is voor kleinere organisaties (waaronder de VPRO). Het uitzenden van reclame is niet toegestaan.
  1930: Radiocontrolereglement. De doelstelling is het regelen van het toezicht op radio-uitzendingen, ter controle van de naleving van het Radioreglement. Er is sprake van zowel preventief als repressief toezicht. De Radio omroep Controle Commissie (ROCC) is belast met de controle.
  1935: Radio-Omroep Zender Wet. Oprichting van de Nederlandse Omroep Zender Maatschappij (NOZEMA), die wordt belast met de aanleg en het beheer van de zenders.
  1936: Aanpassing radioreglement 1930. De radiocentrales betalen een bepaald bedrag per abonnee; de opbrengst is bestemd voor zenderkosten en de exploitatie in onrendabele gebieden. De radiocentrales zijn verplicht beide Nederlandse zenders door te geven.
  1937: Verbod op doorgifte van commerciële zenders (o.a. radio Luxemburg) via Nederlandse kabelnetten. Het maken van reclame via de omroep is niet toegestaan. Het verbod is beperkt tot commerciële uitzendingen in het Nederlands en verwante talen.
  Vóór 1940: Financiering van de omroep geen overheidsaangelegenheid.
  Begin 1940: Wetsvoorstel tot invoering van een verplichte luisterbijdrage (van Minister van Boeyen).
  1941: De Duitse bezetter introduceert het luistergeld.
  1944: Tijdelijk Telegraaf-, Telefoon- en Radiobesluit. Door de Nederlandse regering worden (vanuit London) de verordeningen van de bezetter buiten werking gesteld. De zendtijd wordt door de Minister van Algemene Zaken ter beschikking gesteld aan Radio Herrijzend Nederland van het Militair Gezag.
  1946: Stichting Radio Nederland in Overgangstijd (RNO) neemt de verzorging van de omroep op zich.
  Na de oorlog: Het systeem van de verplichte bijdrage blijft gehandhaafd. De financiering van particuliere omroeporganisaties krijgt een publiek-rechtelijke grondslag. Vanuit de omroep ijverde vooral de Federatie van Omroepverenigingen — in 1944 opgericht door de 4 grote omroepen — voor herstel van rechten.
  1946: Idee van één nationale omroep, afkomstig van minister van Leeuw en minister-president Schermerhorn, wordt door omroeporganisaties in de kiem gesmoord. Verzorging van de binnenlandse omroep gebeurt weer door vooroorlogse verzuilde omroepverenigingen die een deel van de luisterbijdrage ontvangen.
  1947: Oprichting van de Stichting Nederlandse Radio Unie (NRU), een door de overheid aan de omroepen opgelegde samenwerking met als doel een gezamenlijk programma te realiseren.
  1947: Verzorging van de wereldomroep wordt opgedragen aan de Stichting Radio Nederland Wereldomroep.
  1948: Uitvinding van de transistor. Verkleining van de TV wordt mogelijk.
  1951: Televisiebeschikking. Doel is de voortzetting van het televisie-experiment te regelen. Voor televisie-uitzendingen is een machtiging (voorlopig voor maximaal twee jaar) nodig. Uitzendingen mogen de veiligheid van de Staat, de openbare orde en de goede zeden niet schaden. Films moeten worden goedgekeurd door de Centrale Commissie voor de Filmkeuring. De Minister kan uitzendingen staken in het algemeen belang.Er vindt controle plaats op de inhoud van programma's.
  1951: De Nederlandse Televisie Stichting (NTS) krijgt een zendmachtiging.
  1951: Eerste Televisienota. Omroepen zijn slechts binnen het samenwerkingsverband van de NTS gerechtigd uitzendingen te verrichten.
  1951: Eerste officiéle televisie-uitzending (2 oktober), verzorgd door NTS.
  1954: Britse regering doorbreekt het BBC-monopolie ten gunste van een commercieel net.
  1953: Wet op de Draadomroep. De distributie-inrichtingen worden onteigend en de PTT krijgt het monopolie voor de aanleg, instandhouding, exploitatie en opruiming van draadomroepinrichtingen.
  1953: Wetsontwerp Cals. Centraal staat de introductie van een open omroepbestel:
  • Er wordt een onderscheid gemaakt in A-, B- en C- omroeporganisaties, al naar gelang het aantal luisteraars / kijkers. Hierop wordt de toewijzing van zendtijd afgestemd.
  • Er vindt een ontkoppeling plaats van het lidmaatschap van een omroep en het abonnement op een programmablad.
  1953: Tweede Televisienota. Deze nota bepleit de definitieve invoering van televisie. Uitgangspunten zijn:
  • Geen directe overheidsinvloed op de programma-samenstelling.
  • Overheid houdt wel de mogelijkheid NTS-besluiten te vernietigen.
  • Programma's moeten aanvaardbaar zijn voor zo veel mogelijk kijkers.
  • De omroeporganisaties verzorgen gezamenlijk een algemeen programma.
  1953: Alle particuliere radiocentrales gaan over in handen van de PTT.
  Jaren '50: Discussies over het uitzenden van reclameboodschappen via de ether. Met name van de kant van het bedrijfsleven komen veel pleidooien.
  1954: De Onafhankelijke Televisie Exploitatie Maatschappij (OTEM) vraagt een omroepconcessie aan. OTEM is een samenwerkingsverband van enkele banken, landelijke dagbladen en grote bedrijven.
  1955: Introductie kijkgeld, naast de al bestaande luisterbijdrage.
  1956: Transatlantische telefoonkabel.
  1956: Televisiezendtijdbeschikking (Tijdelijk Televisiebesluit). Het televisiebestel wordt volledig herzien:
  • AVRO, KRO, NCRV, VARA en VPRO krijgen een afzonderlijke machtiging.
  • Ook kerkgenootschappen komen in aanmerking voor een machtiging.
  • De NTS krijgt 25 tot 50% van de zendtijd; de rest wordt verdeeld over de omroepen.
  • Regelgeving over de inhoud van uitzendingen.
  • De Minister kan toestemming verlenen voor uitzending van reclame.
  • Beschrijving van de programmataak van de NTS: een gezamenlijk programma, verzorgd door de omroepen.
  1958: Wijziging van het Televisiebesluit. De regeringscommissaris voor het radiowezen moet toezicht houden op de televisie. De Kroon benoemt de voorzitter van de NTS. De Raad van Beheer van de NTS wordt belast met het dagelijks bestuur van de NTS.
  1961: Nota Reclametelevisie. De invoering van reclametelevisie wordt bepleit. Een duaal bestel wordt geschetst (publieke omroep versus OTEM en NOTU). Voorstel voor een tweede commercieel net, naar Brits voorbeeld Scholten en Veldkamp: "Bij de vraag of in Nederland reclame dient te worden toegelaten op de televisie moet de positie van het Nederlandse bedrijfsleven terdege in aanmerking worden genomen. Indien individuele ondernemingen in tegenstelling tot hun concurrenten niet met de tijd meegaan, zullen hun afzetmogelijkheden ten opzichte van concurrenten verminderen."
  1963: De Tweede kamer wijst voorstellen rond reclametelevisie (Nota Reclametelevisie van Scholten en Veldkamp) af.
  1962: Lancering van de eerste satelliet, Intelsat I.
  1963: Rapport Commissie Radio- en Televisiewetgeving (commissie Scholten). De commissie pleit voor een open bestel, met een reéle kans op toetreding tot het bestel voor andere dan de thans bestaande groeperingen. Het aantal aanhangers of leden is daarbij niet doorslaggevend.
  1963: Motie Kleijwegt aangenomen:
  • Introductie van een tweede televisienet (later gegeven aan de NTS en de omroeporganisaties).
  • Instelling van een overkoepelend orgaan bepleit dat met inschakeling van culturele en maatschappelijke organisaties in eigen zendtijd zelf programma's zou kunnen realiseren.
  • Nieuwe gegadigden kunnen zendtijd krijgen als ze aan bepaalde criteria voldoen.
  1964: Anti-REM-wetje. Hiermee komt een einde aan de uitzendingen van TV-Noordzee, van de Reclame Exploitatie Maatschappij (REM), die eerder dat jaar met uitzending was begonnen.
  1964: Rapport Pacificatiecommissie. Conclusie: etherreclame moet worden toegestaan.
  1965: Aanleg centrale antenne systeem. Het beleid heeft niet langer als uitgangspunt dat de PTT hier zorg voor moet dragen.
  1965: Kabinetscrisis: val van het kabinet Marijnen. De coalitie (confessioneel/liberaal) kan niet eens worden over het toelaten van nieuwe zendgemachtigden, het introduceren van etherreclame en samenwerking tussen zendgemachtigden. Een nieuw kabinet van KVP, ARP en PvdA bereikt wel overeenstemming.
  Jaren '60: Maatschappelijke openheid, ontzuiling.
  1965: Nota "Open bestel" van Vrolijk. Deze Nota regelt een "overgangsbestel", die geldt tot 29 mei 1969, de datum van inwerkingtreding van de Omroepwet.
  Hoofdpunten:
  • Zendtijdverdeling geschiedt aan de hand van een verdeelsleutel (toekenning A-, B-, of C- status al naargelang het aantal leden).
  • Het getalscriterium speelt een belangrijke rol bij de toelating van nieuwe zendgemachtigden en bij de verdeling van zendtijd.
  • Invoering van STER-reclame (de opbrengst komt geheel ten goede aan de programma's).
  • Instelling van de NOS, een verplicht samenwerkingsorgaan van de omroepen dat eigen zendtijd heeft.
  • Eisen voor mogelijk nieuwe omroeporganisaties (later neergelegd in Omroepwet).
  1965: Radio- en Televisiebesluit. Regeling voor de exploitatie van centrale-antennesystemen.
  1966: Eerste uitzending Televisie Radio Omroep Stichting (TROS), oorspronkelijk piraat, voortgekomen uit de REM.
  1967: Eerste reclamespot op de Nederlandse televisie.
  1967: Eerste reclamespot op de radio.
  1967: Omroepwet. Hoofdpunten:
  • Openheid, zowel bestuurlijk als wat betreft de mogelijkheid om nieuwe zendgemachtigden toe te laten.
  • Eisen aan nieuwe omroepen:
  • Tenminste 100.000 leden (aspirant 15.000).
  • Het zich ten doel stellen een zodanig volledig programma te brengen en het "in zodanige mate gericht zijn op de bevrediging van in het volk levende culturele of godsdienstige dan wel geestelijke behoeften dat hun uitzending uit dien hoofde geacht kunnen worden van algemeen nut te zijn" (art. 13, tweede lid, 4e) ("stromingsartikel").
  • Onderscheid tussen omroeporganisaties A (> 400.000 leden) B (> 250.000 leden) en C (> 100.000 leden).
  • Samenwerking en coördinatie tussen omroepen verstevigd:
  • Oprichting van de NOS, die gezamenlijke programma's moet brengen voor zogenaamde "ontmoeting" en "bij uitstek"-onderdelen: "programma's die een ontmoetingspunt vormen voor de verschillende geestelijke en maatschappelijke stromingen in de samenleving, evenals voor stromingen die niet door één van de omroeporganisaties in de ether worden vertegenwoordigd en die zich bij uitstek lenen voor gezamenlijke voorbereiding, samenstelling en uitvoering, teneinde een evenwichtig totaalbeeld te realiseren."
  • De NOS (voorheen NTS en NRU) krijgt de beschikking over bijna 50% van de zendtijd.
  • In het bestuur van NOS hebben de omroepen niet langer een meerderheid.
  • Programma-autonomie voor zendgemachtigden.
  • Etherreclame toegestaan, invoering van de STER. Commerciële omroep blijft onmogelijk: reclame staat los van programmaverzorging.
  De Omroepwet geeft het omroepbestel voor het eerst een zelfstandige wettelijke basis (voorheen vooral in lagere wetgeving van de rijksoverheid). Omroepwet bundelt de omroepwetgeving en geeft regels over de toewijzing van zendtijd aan programmaverzorgende instellingen, de aard en de financiering van de programma's en het collectief gebruik van de studio's. De zendertechnische kant blijft geregeld in de Radio-Omroep Zenderwet van 1935.
  1969: Wet op de omroepbijdragen. Invoering van een gecombineerde heffing van luister- en kijkgeld.
  Jaren '70: Personal computer doet zijn intrede.
  1970: Komst Evangelische Omroep.
  1971: Kerstbeschikking kabel. Uitzendingen via draadomroep moeten voortaan eerst toestemming hebben van de Minister van CRM. Dit besluit wordt genomen naar aanleiding van Burgemeester Melick-Herkenbosch die gebruik maakt van de mogelijkheid om via de in een van zijn gemeenten aanwezige draadomroep-inrichting (34 aansluitingen) gemeenteraadsuitzendingen te verzorgen.
  Jaren '70: Vertrossing: Dit kenmerkt zich door de keuze van marktoriéntatie waarbij getracht wordt een zo breed mogelijk publiek te veroveren. In het programma-aanbod neemt verstrooiing toe ten koste van informatie.
  Jaren '70: Aanleg van kabelnetten voor televisieprogramma's.
  1975/78: RARC ( Regional Administrative Radio Conference), ITU regelgeving over de verdeling van DBS/TV frequenties over de landen.
  Vanaf 1975: Direct Broadcasting Satellite (DBS) en ontwikkeling VSAT's (Very Small Aperture Terminal) in de VS.
  1975: Geleidelijke liquidatie van het draadomroepnet voltooid.
  1975: Komst Veronica.
  1975: Nota over het Massa-mediabeleid (Van Doorn).
  • Samenhangend mediabeleid, gebaseerd op democratie, uitingsvrijheid, pluriformiteit, participatie en doelmatigheid.
  • Aanscherping van bepalingen uit de Omroepwet (controle op het volledig programmavoorschrift, schrappen van "ontmoetingspunten" uit gezamenlijke programma's, geen "oneigenlijke" programma's in gezamenlijke programma's, een hoge drempel voor het toelaten van nieuwe gegadigden).
  • Van Doorn in nota over het massa-mediabeleid: "De massamedia vormen op grond van hun informatieve, commentariërende en kritiserende functies en als middelen voor cultuurvorming niet alleen een construerend deel van de democratie, zij zijn het hart van de openbaarheid zonder welke onze maatschappij niet volgens de geldende regels kan functioneren."
  1977: Wetsontwerp Minister van Doorn.
  • Ontkoppeling van het lidmaatschap en het abonnement op een omroepblad.
  • Schrappen van regels dat uitzendingen geen gevaar voor mogen opleveren voor de veiligheid van de Staat, de goede zeden en de openbare orde overheid kan ook niet langer zendtijd intrekken "in het algemeen belang."
  1978: Vernietiging overheidsbesluit Veronica door Raad van State. De Raad van State stelt het stromingscriterium gelijk aan het getalscriterium. Het inhoudelijk stromingscriterium is daarmee niet meer van toepassing.
  1979: Kabelexploitant Deltakabel kondigt aan om vanuit Vlaanderen het commerciéle televisieprogramma RTL via televisie door te geven (via grensstadje Sluis).
  Jaren '80: Digitalisering voor multi-mediale toepassingen.
  Jaren '80: European Space Agency (ESA) met eerste test satelliet OTS I. Met deze satelliet had men voor het eerst een "footprint" over heel Europa.
  Eind jaren '80: Fiber optic techniek (Fiber to the Curb en Fiber to the Office, FTTC en FTTO). Opkomst van nieuwe technieken als SDH en ATM.
  1980: Wijziging Omroepwet.
  • Aspirantenomroepen moeten in programmering zodanig afwijken van bestaande omroepen dat de verscheidenheid in de omroep wordt vergroot.
  • Gezamenlijke programma's zijn er voor "bij uitstek"-onderdelen en als uitingsmogelijkheid voor stromingen die niet vertegenwoordigd zijn door andere omroepen.
  1981:: Rapport VPRO-commissie (Commissie van Doorn) "Aanbevelingen voor een toekomstige omroepstructuur: nieuwe ontwikkelingen vragen om een ander bestel." Centraal uitgangspunt is de mondigheid van mensen: zij moeten niet belemmerd worden in het maken van een keuze uit het informatie aanbod. Citaat: "In de komende decennia, bij afnemende schaarste aan zendmogelijkheden, zal de overheid nog slechts kunnen volstaan met een rechtstreekse bemoeienis met de toedeling van een bepaald zendtijdgedeelte en dan uitsluitend uit hoofde van cultuurpolitieke overwegingen." Dit impliceert dat in een toekomstige structuur ook de commercie — met inachtneming van bepaalde (minimale) eisen van de zijde van de overheid — ook zendtijd zou moeten krijgen. Voorstel: een aangepast bestel met drie televisienetten op basis van verschillende, voor de kijker herkenbare, "signaturen".
  Jaren '80: Implementatie van belangrijke technische vernieuwingen. Kabelnetten en satellietverbindingen komen voor omroepdoeleinden beschikbaar. Er komt een einde aan de schaarste. Verruiming van aanbod van zenders, technische kwaliteitsverbetering en grensoverschrijdende omroep (satellietomroep).
  1982: Definitie van de dienst GSM.
  Regering van Agt vraagt de WRR advies over de consequenties die de nieuwe ontwikkelingen hebben voor de inrichting en het functioneren van het omroepbestel.
  1982: WRR-rapport samenhangend mediabeleid.
  • De Raad pleit voor vrijmakend beleid waarin slechts plaats is voor overheidsingrijpen wanneer onvervangbare functies verloren dreigen te gaan: de informatieve en expressieve functies van de omroep (en in mindere mate de verstrooiende).
  Hoofdlijnen van het WRR-rapport:
  • Bescherming van de terecht grote vrijheid en bewaking van de verscheidenheid van meningsuiting door omroep en pers.
  • Bescherming van Nederlandse culturele verworvenheden en vergroting van de verschijningsmogelijkheden daarvoor.
  • Verruiming van het op individuele voorkeuren gericht programma-aanbod
  Kernpunten:
  • mediabeleid (gebaseerd op democratie, uitingsvrijheid en pluriformiteit) en cultuurbeleid (instandhouden en bevorderen culturele waarden) bepalen tezamen het overheidsbeleid.
  • Het publieke bestel moet informatieve en expressieve functies benadrukken.
  • Verbeteren van de representativiteit van omroepen (omroepen moeten verenigingen zijn, regelmatige toetsing van pluriformiteit, bijvoorbeeld elke vijf jaar).
  • Volledig programmavoorschrift hoeft niet te worden gehandhaafd.
  • Invoering van een derde programma voor functies die omroepen te weinig verzorgen.
  • Doorgifte van commerciële zenders en satellieten via de kabel moet onbelemmerd worden toegestaan, zodat het programma-aanbod toeneemt. De keuze ligt bij de kabelbeheerder.
  • Beleid moet zich richten op behoud van waardevolle elementen uit het bestaande omroepstelsel. Onderscheid tussen diensten die: op algemene schaal en non-selectief vanaf de Nederlandse bodem worden aangeboden: deze zijn onderdeel van het omroepregime. Selectief worden aangeboden aan ontvangers die er apart voor willen betalen (deze worden overgelaten aan het particulier initiatief).
  • Citaat WRR: "overheid kan meer regelen of steunen wanneer zij culturele doelstellingen aanvoert dan wanneer belangen van openbare informatie-voorziening en democratische meningsvorm in het geding gebracht worden."
  1983: Medianota.
  • Geformuleerde uitgangspunten van het mediabeleid:
  • Bestaande media blijven een levendig bestaan leiden.
  • Nieuwe media zoals kabeltekst en abonnee-televisie krijgen ruime levenskansen.
  • Niet op winst gerichte stromingen behouden zendtijd, hun onderlinge samenwerking wordt verstevigd.
  • Niet-omroeporganisaties mogen daarnaast kranten, tijdschriften en nieuwe media gaan/blijven exploiteren.
  • Omroepbestel blijft niet-commercieel.
  • Verplichte verenigingsstructuur voor omroepen.
  • Meer ruimte voor "merchandising" en het voorkeursrecht van omroepen bij de aankoop van programma's "van allure".
  • Volledig programmavoorschrift wordt procentueel vastgelegd.
  • Omroepen krijgen meer zeggenschap over gezamenlijke programma's van de NOS.
  Citaat minister Brinkman: "Om Hilversum valt geen hek te plaatsen. Hoezeer ook het bestaande bestel bescherming verdient, toch is er wel degelijk behoefte aan en daarmee recht op een meer individueel aanbod. De techniek biedt daarvoor steeds meer kansen. (..) Commercie is daarbij naar het oordeel van het kabinet niet iets dat afkeuring verdient. Cultuur is immers niet altijd een alternatief voor geld om de maatschappij draaiende te houden. En tegelijkertijd is cultuur in brede zin de ontplooiing van menselijke activiteit, niet de bevriezing daarvan."
  1983: Uitbreiding Grondwet. Omroep opgenomen in de Grondwet: artikel 7 wordt uitgebreid met: "De wet stelt regels omtrent radio en televisie. Er is geen voorafgaand toezicht op de inhoud van een radio- en televisie-uitzending."
  1984: Artikel 61 Omroepwet treedt in werking. De Minister krijgt meer bevoegdheid om sanctionerend op te treden en boetes te leggen.
  1984: Kabelregeling. Het regime voor ontvangst van buitenlandse omroepprogramma's wordt verruimd. Kabelexploitanten mogen programma's van telecommunicatie-satellieten overbrengen, mits deze geen op Nederland gerichte reclame-boodschappen bevatten en geen Nederlandse ondertiteling hebben. Er komt een einde aan oude beleid om aan gemeentebesturen incidenteel toestemming te verlenen zelf uitzendingen via de kabel te verrichten.
  1985: Wetsvoorstel tot invoering van de Mediawet.
  • De NOS splitst zich in de omroepinstelling NOS en het zelfstandig productiebedrijf NOB.
  • De NOS moet tegemoetkomen aan stromingen waarin niet wordt voorzien.
  • Landelijke omroepen krijgen een meerderheid in het bestuur van de NOS en controleren de besluitvorming (artikel 18; maximaal 4 kroonleden en iedere omroep één lid).
  • Meer gedetailleerde regels omtrent reclame en aanscherping programmavoorschriften tegen dreigende vercommercialisering omroepbestel.
  • Instelling van de Mediaraad, neemt taken van de Minister over (toelating nieuwe omroepen, zendtijdtoewijzing, inhoudelijk en financieel toezicht); de "overheid op afstand".
  1985: Invoering van extra "zwevende" STER-blokken
  1986: Regeerakkoord.
  • Mogelijkheid voor commerciële televisie indien tenminste drie A-omroepen hiertoe besluiten (of, indien twee A-omroepen dit besluiten, gedeeltelijk commerciële televisie).
  • Wettelijk veilig stellen van het publieke bestel (financieel en door middel van langjarige concessies).
  • Oprichting van Stichting Stimuleringsfonds Nederlandse Culturele Omroepproducties.
  1987: Mediawet. Doelstellingen Mediawet:
  • Waarborgen van vrijheid van meningsuiting en ontvangst en bewaken van verscheidenheid van meningsuitingen door omroep en pers in belang van democratie.
  • Beschermen van Nederlandse culturele verworvenheden en vergroting van verschijningsmogelijkheden hiervan.
  • Bieden van ruimte om aan individuele voorkeuren tegemoet te komen.
  • Handhaving van de bestaande omroepbestel.
  Hoofdpunten:
  • Eisen aan omroeporganisaties:
  • Representativiteitseis (vertegenwoordigen van maatschappelijke, culturele of godsdienstige stroming).
  • Pluriformiteitseis (volledig programma).
  • Getalseis (tenminste 150.000 leden).
  • Scheiding tussen NOS (Nederlandse Omroepprogramma Stichting) en NOB (Nederlands Omroepproductie Bedrijf), dat wordt geprivatiseerd.
  • Pseudo-commerciële actviteiten van omroepverenigingen worden gereguleerd.
  • Volledig programmavoorschrift wordt aangescherpt: 20% cultuur, 25% informatie, 25% verstrooiing, 5% educatie (percentages in Mediabesluit).
  • Tenminste helft van zendtijd moet worden gevuld met eigen of in opdracht gemaakte programma's.
  • Uitgevers mogen nieuwe media exploiteren, omroeporganisaties niet.
  • Omroepenprogramma's zijn programma's voor een algemeen publiek, uitgezonden via ether en kabel.
  • Abonneeprogramma's zijn programma's gericht op specifieke interessen van het publiek, alleen uitgezonden via de kabel op basis van privaatrechtelijke contracten tussen de kabelbeheerder, het uitzendende bedrijf en de consument
  • De Mediaraad wordt een adviesorgaan.
  • Het Commissariaat voor de Media wordt een uitvoerend orgaan belast met de controle ("overheid op afstand").
  • Sponsoring mag in geval van culturele producties die niet uitsluitend bestemd zijn om als een programma te worden uitgezonden.
  • Oprichting van het Stimuleringsfonds voor de Nederlandse producties.
  • Buitenlandse radio- en televisieprogramma's worden op het kabelnet toegestaan, ook al bevatten deze op Nederland gerichte reclame. De buitenlandse zender is verplicht zich aan de Nederlandse reclameregels houden.
  • De Mediawet vervangt de Omroepwet (1967), de Wet op de Omroepbijdragen (1968), de Wet Voorziening Perswezen (1951) en de Kabelregeling (1984). Deze laatste regeling was in strijd met het vrije verkeer van diensten binnen de EU.
  De Mediawet is alleen van toepassing op nieuwe diensten voorzover deze gebruik maken van kabeltelevisienetten of omroepzenders. Voor het overige geldt de Wet op de Telecommunicatievoorzieningen.
  1988: Lancering van Europese satelliet Astra, die ruimte biedt aan 16 kanalen.
  1988: Richtlijn Hoge Definitie TV (HDTV).
  1988: Begin derde televisienet.
  1988: AVRO, TROS en VOO presenteren samen met Elsevier, Perscombinatie, Telegraaf en VNU een plan voor commerciéle omroep (een televisiezender, drie radiozenders). Deze ATV/EPTV-combinatie verlangt een monopolie op alle omroepreclame in Nederland. De publieke omroep krijgt een compensatie. Men wil het eigen vermogen meenemen. Deze eisen bleken politiek onhaalbaar. Het plan werd niet uitgevoerd.
  1989: De rechtbank bepaalt dat inkomsten uit etherreclame niet door de staat onttrokken mogen worden aan omroepen. STER-gelden hebben op basis van parlementaire geschiedenis een omroepbestemming.
  1989: EU-Omroeprichtlijn . Europese richtlijn die beoogd, d.m.v. harmonisatie van de mediawetgeving van de Lid-Staten een vrije stroom van omroepdiensten in Gemeenschappen te realiseren.
  Hoofdlijnen:
  • Creating a common market in television broadcasts and programme supply.
  • Promoting independent production and distribution enterprises, and in particular by small and medium sized enterprises.
  • Stimulating the audiovisual sector in countries with a low production capacity and/or in a restricted langauge area.
  • Establishing minimum standards for television advertising and sponsorship.
  • Establishing an European content quota and protection for the cinema exhibition sector.
  • Establishing a right to reply.
  • Protecting minors from undesirable programming.
  1989: Start RTL Veronique. De programma's worden uitgezonden via de Luxemburgse Astra-satelliet en de Nederlandse kabelnetten ("U-bocht constructie"). Vanaf 1990 heet de zender RTL4. TV 10, ook in 1989 gestart, blijkt wettelijk niet haalbaar.
  1989: Wet telecommunicatievoorzieningen (WTV) . Deze wet vervangt de Telegraaf- en Telefoonwet van 1904. Deze wet maakt onderdeel uit van een uitgebreider wetgevingspakket met betrekking tot verzelfstandiging van de PTT. In de Mediawet is alleen wetgeving opgenomen m.b.t. nieuwe diensten voor zover deze gebruik maken van kabeltelevisienetten (draadomroeprichtingen) of omroepzenders. Voor al het overige is de WTV van toepassing.
  1990: Wijziging Mediawet (STER-wetje). Er vindt een verruiming van het reclameregime plaats. De zendtijd van de STER wordt uitgebreid.
  Jaren '90: Digital Audio Broadcasting DAB.
  1990: Goedkeuring resolutie inzake de ontwikkeling van de gemeenschappelijke markt voor satellietcommunicatiediensten en -apparatuur tot 1992 (de resolutie stamt uit 1988).
  1990: Aanvaarding van de EG-richtlijn Open Network Provision (ONP).
  1990: EG Groenboek satellietcommunicatie. De EC lanceert een aantal liberaliserende voorstellen om de regelgeving en toegang tot satellietnetwerken te versoepelen.
  1991: Wijziging Mediawet.
  • Commerciële televisie via de kabel (niet via de ether) is toegestaan indien tenminste 60% van kabelaansluitingen per provincie gegarandeerd is, indien de aanvragers minder dan een kwart van de dagbladmarkt bezitten, onder verplichting van een nader te noemen percentage Nederlands/Friestalige programma's. De concessie wordt voor 10 jaar verleend. Overheidsinstellingen, binnenlandse omroepverenigingen en het NOB krijgen geen toestemming commerciële televisie te verzorgen.
  • Commerciële omroepen zijn verplicht een bijdrage aan het Bedrijfsfonds voor de Pers te betalen (de opbrengst is een schadeloosstelling voor gederfde advertentie-inkomsten).
  • Voor de publieke omroep wordt het maximumpercentage reclame 20 (op uurbasis) resp. 10 (van totale aanbod). Vaststelling van het percentage gebeurt via AMvB (voorlopig 6,5%). Zondagsreclame wordt geoorloofd.
  • Het programma-aanbod van een omroeporganisatie moet voldoen aan de eisen geformuleerd in de Europese regelgeving.
  • Produkties van onafhankelijke producenten moeten minimaal 10% van de zendtijd innemen.
  • Sponsoring van televisieprogramma's (met uitzondering van nieuws, politiek, actualiteiten, consumenteninformatie en kinderprogramma's) is toegestaan.
  1990: McKinsey-rapport. Het rapport benadrukt het belang van samenwerking per televisienet en versterking van de programmering in "prime time". Citaat: "Blijkens ervaring in de rest van de wereld is een zendernet de minimale eenheid van effectief televisiemanagement. Het vormen van intensieve structurele samenwerkingsverbanden per zender is een vereiste voor versterking van het programmaschema en verbetering van de programmakwaliteit."
  Hoofdlijnen:
  • Voorkeur voor zenderindeling op basis van samenwerking tussen vaste netpartners (drie "gelijkwaardige" netten).
  • Effectieve programmacoördinatie binnen en tussen zenders.
  • Programmakwaliteit noodzakelijk.
  1991: Meerjarenplan NOS (19 april). Belangrijke punten:
  • Zenderdifferentiatie: Nederland 2 wordt een "verdiennet" met maximaal 15% reclame, geen volledig programma, wel extra geld voor programmering.
  • Tijdens "prime time" moeten tenminste twee zenders een "aantrekkelijke" programmering hebben.
  • De zenderindeling wordt: NL1: AVRO, KRO, NCRV; NL2: TROS, VARA, VOO; NL3: EO, NOS, VPRO.
  1991: "Pinkster"-notitie D'Ancona (6 juni 1991). De Nota benadrukt de noodzaak van een duidelijke scheiding tussen publieke en commerciéle omroep. Voor commerciële televisie geldt:
  • Indien tenminste twee omroepen (definitief) uit bestel treden om commercieel te worden kan een zender ter beschikking worden gesteld
  • Geen voorkeursbehandeling.
  Voor publieke omroep geldt:
  • Meer samenwerking per net.
  • Concessiesysteem te koppelen aan samenwerking.
  • Financiële verhouding van 62% omroepbijdrage, 28% reclame en 10% eigen bijdrage omroepen.
  • NOS-structuur verandert: de NOS krijgt een zelfstandige programmataak en een kleiner bestuur.
  • Volledig programmavoorschrift blijft gehandhaafd, maar krijgt een andere inhoud, namelijk 25% cultuur en educatie, 25% informatie.
  • 50% van de programma's moet van "Europese signatuur" zijn.
  1991: Ondertekening AKN-verband (AVRO, KRO, NCRV — 31 juli).
  1991: Uitspraak Europese Hof over monopolie op omroepgegevens. Start Krant op Zondag (met TV-gids).
  l991: EO en VPRO verkrijgen de A-status.
  1992: De TROS overweegt uit het bestel te stappen (per 1 oktober).
  ca. 1992: DTVideo, quick time.
  1992: "Paas"-brief D'Ancona. Uitgangspunt voor zenderindeling is duurzame samenwerking: apart, wettelijk te regelen samenwerkingsverband tussen omroepen op een zendernet, waarin organisatorische en programmatische afspraken worden geregeld:
  • Gezamenlijke concessie voor tien jaar.
  • Programmavoorschriften per zendernet toe te passen: NOS structuur ondergaat veranderingen.
  • "Aanvullende programma's" apart in eigen stichting met zendtijd in omvang van een A-omroep en tezamen met twee A-omroepen op NL3.
  • Zogenaamde "bij uitstek programma's" verdelen over drie netten.
  • Bestuur als samenwerkings- en coördinatie-orgaan volgens model van Raad van Commissarissen.
  Citaat D'Ancona: "In ons land verzorgen van oudsher sociale, culturele en levensbeschouwelijke organisaties wortelend in maatschappelijke groeperingen — de "stromingen" — de publieke omroepfunctie. Dat is uniek in Europa en een typisch Nederlandse verworvenheid waarmee niet licht mag worden omgesprongen."
  Uit debatten blijkt dat een meerderheid van de Kamer er geen bezwaar tegen heeft bestaande omroepen die uit het bestel zouden stappen een ethernet mee te geven.
  1991: Instelling commissie Donner (aug. '91) om na te gaan:
  • Onder welke voorwaarden etherfrequenties aan commerciële gegadigden konden worden toegekend en
  • Of uittredende omroepen daarbij een voorkeursbehandeling mochten krijgen.
  1992: Rapport Commissie Donner "Verdeelde frequenties, veranderde omroep." Conclusie is dat de Mediawet de commerciéle omroep weliswaar de mogelijkheid biedt tot gebruik maken van etherfrequenties, maar een doeltreffende en beleidsmatige verdeling van de beschikbare frequenties vergt wetswijziging.
  1992/'93: Toewijzing frequentie GSM, ERMES, DECT door Europese Commissie.
  ca. 1994: DAB/DVB en Datacommunicatie.
  1994: Wet versterking publieke omroep . Doel is de landelijke omroepen meer concurrentievermogen te geven tegen inmiddels actief geworden commerciële instellingen uit het buitenland.
  Hoofdpunten:
  • Verdergaande samenwerking van publieke omroepen onder andere op het gebied van programmacoördinatie
  • Zorgdragen voor een eigen karakter van de drie netten
  • Volledig programmavoorschrift blijft in licht gewijzigde vorm behouden
  • NOS splitst zich in NOS en NPS met het doel de aanvullende programmataak niet meer te laten vallen onder bestuurders van omroepverenigingen.
  • Invoering van vijfjarig concessiestelsel: voorwaarde verbonden aan het ontvangen van een concessie is samenwerking, met als doel flexibeler in te kunnen spelen op nieuwe ontwikkelingen en de openheid van het publieke bestel te waarborgen.
  1994: Regeerakkoord. "Het omroepbeleid moet voorwaarden scheppen voor een sterke, herkenbare publieke omroep, maar ook ruimte bieden aan vormen van commerciéle omroep. De tijdsduur van de voorziene concessie voor publieke omroeporganisaties wordt beperkt tot vijf jaar. In de komende kabinetsperiode wordt bezien of taak en functie van de publieke omroep in een veranderend medialandschap veranderingen in zijn organisatie, financieringsstructuur en omvang na die vijfjarige periode nodig maken."
  1994: Advies Mediaraad: De huidige regelgeving rond media en telecommunicatie (Mediawet, Wet op de Telecommunicatievoorzieningen en Radio-Omroep Zenderwet) is sterk verouderd. Er moet een geheel nieuwe wetgeving komen, gebaseerd op de scheiding tussen informatietransport en informatiediensten. De overheid moet flexibel in kunnen spelen op veranderende omstandigheden.
  Hoofdlijnen:
  • Informatiediensten toegankelijk en betaalbaar voor burger.
  • Ruim en gevarieerd informatie-aanbod beschikbaar.
  • Optimale mogelijkheden voor exploitatie van informatiediensten.
  • Transportdiensten optimaal toegankelijk voor aanbieders en ontvangers.
  1995: Uittreden Veronica.
  1995: Officieel besluit verkoop van NOB.
  1995: Wijziging van de Mediawet.
  • Programmasponsoring bij publieke omroep wordt in beperkte mate toegestaan.
  • Doel is implementatie van de Europese richtlijn betreffende sponsoring.
  1995: Veronica gaat commercieel (1 september 1995).
  Jaren '90: Kabelnetten zijn zelfstandige doorgeefstations van verschillende (ook buitenlandse en commerciéle) omroepprogramma's geworden. Op korte termijn worden ook interactieve netwerkdiensten mogelijk via de kabel. De kabelinfrastructuur is losgekoppeld van traditionele omroepzenders.
  1995 (juni): Nota Liberalisering Mediawet (Nuis): In de nota wordt gepleit voor overheidsregulering van de toegang tot de kabel om:
  • Aanbieders gelijke kansen te geven.
  • Consumenten te beschermen tegen monopolievorming en prijsopdrijving.
  1995: Liberalisering mediawet (notitie Nuis). Het gebruik van de kabel wordt vrijgegeven. Alleen vanuit het oogpunt van economische mededinging zal de kabel worden gereguleerd.
  1996 (juni): Rapport Commissie Publieke Omroep (Ververs).
   
Previous
  Copyright © 1996 Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen