Logo  
  | home | authors | calendar colophon | links | newsgroups | newsfeed | new | printer version |  
volume 2
augustus 1999

Terug naar het publiek

 





  Rapport van de Commissie Publieke Omroep, Den Haag, 26 juni 1996
  6. Een vernieuwde structuur en organisatie
Previous
   
6.1 Het doel en de middelen
  "Publieke omroep moet"; dat is in de kern de conclusie van het voorgaande hoofdstuk. De beslissing om een publieke omroep te handhaven is echter niet onverplichtend. Het verplicht de wetgever tot een zodanige inrichting van het publieke bestel dat publieke omroep in staat wordt gesteld doeltreffend en doelmatig aan zijn publieke functie te beantwoorden. Zolang de wetgever exclusief beschikte en besliste over het omroepaanbod, kon de inrichting van het bestel tot op zekere hoogte als zelfstandig vraagstuk worden beschouwd. Nu echter de publieke omroep met een divers omroepaanbod van andere (commerciële omroep, abonneetelevisie) moet concurreren om de aandacht van de kijker/luisteraar zullen, de organisatie en structuur van de publieke omroep geheel afgestemd moeten zijn op het effectief functioneren daarvan en de vervulling van de publieke functie.
  In de motieven die voor handhaving van publieke omroep pleiten, de publieke functie en de maatschappelijke veranderingen, liggen de contouren besloten van de structuur en organisatie van de publieke omroep. Drie elementen die in de organisatie tot hun recht moeten komen werden reeds genoemd (5.4); eenheid in functioneren, participatie in programmering en professionaliteit in uitvoering. Elementen die echter uiteenlopende, soms conflicterende implicaties behelzen voor de organisatie van de publieke omroep. Het is geen oplossing om de spanning die dit oplevert bij de inrichting van het bestel weg te nemen door aan één aspect een overheersende betekenis toe te kennen. Die spanning is inherent aan het karakter en doel van de publieke omroep; zij moet niet weggenomen worden, maar zodanig in de structuur en organisatie van het publieke bestel worden verwerkt, dat zij dienstbaar is en op creatieve wijze bijdraagt aan het functioneren. Alleen zo kan de publieke omroep èn doelmatig als omroep functioneren èn doeltreffend de publieke functie realiseren.
  Hieronder wordt eerst ingegaan op de dilemma's binnen het bestel en de mogelijkheid om de spanning die dit oplevert dienstbaar te maken aan het functioneren van de publieke omroep. Vervolgens wordt ingegaan op de structuur, organisatie en institutionele opzet van de publieke omroep die hieruit resulteren; de organen, bevoegdheden, regels en structuren die het functioneren van het bestel moeten bepalen. Tenslotte wordt ingegaan op een aantal vraagstukken die het functioneren van de publieke omroep in een duaal bestel bepalen(omvang, onderscheid programma en productie).
  Ter inleiding op dit hoofdstuk passen tenslotte nog twee kanttekeningen. Dit hoofdstuk biedt geen uitgewerkte blauwdruk of model. De in de toekomst voor het functioneren wezenlijke elementen en organen zijn aangegeven. Voor het overige is de richting van oplossingen aangegeven. Voor de uitwerking daarvan zijn overleg en nadere beslissingen nodig. Implicatie van de voorstellen in dit hoofdstuk is echter dat dit veelal beslissingen zullen zijn, die niet door wetgever of bestuur genomen moeten worden, maar door de voor het functioneren van het bestel verantwoordelijken. Tegelijk — en dat is de tweede kanttekening — berusten de voorstellen op de conclusie dat de gewenste structuur en organisatie niet eigener beweging uit de bestaande structuur zullen ontstaan; er is een forse organisatorische ingreep nodig. Daarbij geldt dat niets — zeker niet in Nederland — geheel nieuw, los van zijn verleden ontstaat. De publieke omroep kan ook niet tijdelijk "wegens verbouwing" worden gesloten. Maar bij alle respect voor het belang van continuïteit dient te worden voorkomen dat debat en besluitvorming over de inrichting van het publieke bestel worden beheerst door zorg om de "overgeleverde" structuren. De ingrijpende maatschappelijke en technische veranderingen waar de publieke omroep nu en in de toekomst mee wordt geconfronteerd, vergen dat structuur en organisatie op het functioneren in de toekomst worden afgestemd en niet worden beheerst door het functioneren in het verleden.
  Anders verwordt het omroepbeleid tot culturele monumentenzorg, in plaats van een verantwoord mediabeleid, gericht op behoud van de publieke functie in een dynamische cultuur en maatschappij.
6.2 Organisatie van de publieke functie: het overbruggen van spanningen
6.2.1 Algemeen. De inrichting van het publieke bestel is niet eenvoudig een kwestie van een doel en een bedrijfsmatige organisatie om dat te realiseren. Net zo min als het een kwestie is van het scheppen van ruimte voor een professionele organisatie van programmamakers die naar uiteenlopend inzicht een zo goed mogelijk product realiseren. Het is echter ook niet (meer) een kwestie van het geven van publieke middelen en zendtijd aan een aantal organisaties van uiteenlopende levensbeschouwelijke en maatschappelijke signatuur, in de verwachting dat dit een voor kijkers en luisteraars interessant product oplevert. Publieke omroep is een combinatie van al deze aspecten afgestemd op de aard en traditie van een Nederlandse samenleving; het wordt bepaald door zowel het product als de organisatie van de productie.
  De invulling van de publieke functie kan niet uitsluitend bepaald worden door de vraag maar ook niet door het aanbod. Kijkcijfers, noch organisatie van het aanbod rechtvaardigen de besteding van publieke middelen; alleen de verwezenlijking van een doelstelling zoals geschetst in het vorige hoofdstuk geeft een rechtvaardiging. De publieke omroep zal een balans moeten realiseren tussen eenheid en diversiteit, tussen effectiviteit als omroep en kwaliteit van de publieke functie, tussen product èn productie. Zo kan de publieke omroep een helder publiek omroepprofiel realiseren èn gewaardeerd en gevonden worden tussen een sterk toenemend aantal zenders.
6.2.2 Eenheid en diversiteit. Implicatie van de publieke functie is dat programmering en productie van de publieke omroep zoveel mogelijk "voortkomen uit en wortelen in" de samenleving zelf. Gelet op zijn aard, inhoud en functie leent publieke omroep zich niet voor productie onder de inhoudelijke verantwoordelijkheid van de staat, maar het is ook geen zaak die binnen bepaalde wettelijke eisen en randvoorwaarden geheel aan een professionele "productie­organisatie" kan worden overgelaten (zie 5.4.2). Aan de andere kant is de implicatie van het functioneren als onderdeel van een duaal bestel met een verwarrend groot en groeiend aanbod, dat de publieke omroep duidelijk herkenbaar en als eenheid moet opereren. Ook al zijn er meer televisie­ en radiozenders dan nog zullen zij op elkaar aansluitende of ondersteunende profielen moeten hebben. Een efficiënt gebruik van de beschikbare middelen in relatie tot de prioriteiten en het vermogen om slagvaardig mee te komen in een voortdurend en vaak snel veranderende omgeving, vergen eveneens eenheid. Anders dreigt de publieke omroep te marginaliseren waardoor zij niet meer aan de publieke functie kan beantwoorden (zie 5.4.3).
  In het huidige publieke bestel wordt aan deze eisen vorm gegeven door de opbouw vanuit omroepverenigingen, die ieder de opdracht hebben om vanuit eigen invalshoek in een brede programmering te voorzien. De samenhang daarbinnen wordt nagestreefd door functionele omroeporganisaties voor bepaalde typen programma's, het gezamenlijke programma (NOS), de kleuring van radiozenders en de opgestarte samenwerking op de televisienetten. In dat bestel ligt het zwaartepunt bij de verscheidenheid. Verscheidenheid van maatschappelijke stromingen en van functionele organisaties, de zogenaamde externe pluriformiteit waarbij de samenstellende delen het geheel, althans de gezamenlijke taken "confederaal" besturen. Die organisatie beantwoordt niet aan de fundamentele eis van het functioneren in een duaal bestel: herkenbare eenheid en het vermogen tot slagvaardig opereren. Ook met de beste wil van de wereld en de bereidheid van alle betrokkenen, kan dit bestel binnen de gegeven structuur niet doorgroeien naar een fundamentele eenheid.
  Zolang de wet de samenstellende delen tot zelfstandige omroep bestempelt, zullen partijen aan het eigen functioneren voorrang moeten geven en de samenwerking daaraan ondergeschikt maken. Een aanvullende en ondersteunende profilering van omroepen, netten of zenders is onmogelijk zolang ieder gehouden is een volledig programma te bieden. Kleuring van zenders is in die structuur alleen mogelijk indien de wet netprofielen vaststelt en de omroepen aanwijst die daarbij moeten samenwerken. Zelfs als dat mogelijk en wenselijk zou blijken (quod non), dan nog zal dat in de praktijk van het duale bestel een onwerkbare rigide oplossing blijken.
  Bestaande knelpunten dreigen vaak van de weeromstuit de doorslaggevende elementen van een oplossing te worden. Vandaar de gedachte om het huidige bestel te vervangen door één, homogene, professionele omroeporganisatie. Dat is echter te eenvoudig gedacht. In die constructie duiken onmiddellijk de aloude vragen en behoeften op waar de figuur van de omroepvereniging een antwoord op bood; vragen van verantwoordelijkheid voor en verantwoording van de inhoud, de wens de programmering aan te laten sluiten bij maatschappelijke behoeften, de behoefte aan organisatorische variatie en diversiteit. De omroepvereniging is het specifiek Nederlandse antwoord op deze vragen; vragen die in alle stelsels van publieke omroep voorkomen en daar vaak minder adequaat zijn opgelost of op een manier die niet zou kunnen functioneren in het Nederlandse stelsel van publiekrecht. Onverminderd de tekortkomingen van het bestel en de (mogelijk terechte) kritiek moet ook erkend worden dat de Nederlands publieke omroep er minder slecht aan toe is dan de publieke omroep in veel andere landen. Daar heeft de organisatie op basis van omroepverenigingen mogelijk aan bijgedragen. Zij sluit immers in sommige opzichten aan bij moderne organisatie­theorieën die de nadruk leggen op gespreide verantwoordelijkheid en een "platte" structuur.
  Diversiteit en pluriformiteit zijn wezenlijk voor de publieke functie. Ook in de toekomst dient de publieke omroep daarop te berusten. Maar het is alleen een vruchtbare basis als zij dienstbaar is aan de publieke omroep als geheel. Meer paarden geven een voertuig meer vermogen, maar alleen als zij zo zijn ingespannen dat ze in dezelfde richting trekken. Voor de organisatie van de publieke omroep heeft dit een aantal gevolgen. Inhoud en programmering zullen moeten berusten op de pluriformiteit van visie en invalshoek. Daaraan zal vorm gegeven moeten worden door omroepverenigingen die waarborgen bieden dat zij aansluiten bij herkenbare groepen onder de bevolking. Die pluriformiteit zal echter "ingebed en gekanaliseerd" moeten worden binnen de eenheid van de publieke omroep.
  Niet de omroepverenigingen afzonderlijk zullen belast moeten zijn met de invulling van de publieke functie en een brede programmering, maar de omroepen gezamenlijk binnen het kader van de publieke omroep. De verantwoordelijkheid voor de opbouw van de programmering, voor het waarborgen dat de onderdelen van het omroepprofiel tot hun recht komen, voor de aanvullende en ondersteunende verdeling van programmatypen over zenders en kanalen, voor de herkenbaarheid en opbouw van het programma als geheel, en voor de coherente en adequate invulling van de publieke taak, moet voorwerp zijn van gemeenschappelijke besluitvorming en eenheid van uitvoering. Op die wijze moeten eenheid en diversiteit, de publieke omroep als geheel en de verscheidenheid van de omroepverenigingen, tot hun recht komen.
6.2.3 Bereik, legitimatie en professionaliteit . Radio en televisie zijn massamedia; hun publieke functie hangt daarmee samen. Dat verklaart ook de tweeslachtigheid bij de beoordeling van het functioneren van de publieke omroep. Dat de commerciële omroep in de afgelopen jaren zijn publieksaandeel heeft kunnen uitbreiden, wordt geweten aan het gebrek aan professionaliteit bij de publieke omroep. Tegelijk klinkt de kritiek dat de programma's van de publieke omroep nauwelijks nog verschillen van die van de commerciële omroep. In het publiek debat wordt het bestaan van de publieke omroep vaak gerechtvaardigd door markante of sterk identiteitsgebonden programma's, terwijl kijk­ en luisteronderzoek uitwijst dat de aandacht daarvoor vaak beperkt is. Programma's die het meest herkenbaar zijn voor de publieke omroep, oogsten vaak ook de meest intensieve kritiek.
  Herkenbaarheid staat tegelijk in de weg van gerichte programmering op bepaalde segmenten van de bevolking (bijvoorbeeld de jeugd), of van een samenhangend programmabeleid met betrekking tot onderdelen van de publieke functie (nieuws, commentaar en informatie). Dat is vermoedelijk tevens de oorzaak van het in de loop van de tijd ontstaan van steeds meer specifieke, functionele omroeporganisaties, die zijn belast met een professionele invulling van specifieke onderdelen van de publieke functie (Educom, NPS, Ikon, HOS, enzovoort).
  Tussen het noodzakelijk bereik van de publieke omroep, de herkenbaarheid en legitimiteit van de programma's, en de professionaliteit van de invulling van de publieke functie bestaat kortom eveneens spanning. Ook deze kan niet worden opgelost door dan maar voor één of enkele overheersende aspecten te kiezen; nieuws en informatie, kunst en cultuur, educatie en vorming, omroep door en voor afzonderlijke groepen. Ieder van die aspecten en elementen vormt een wezenlijk onderdeel van de publieke omroep. Tot nu toe is ook deze spanning primair opgelost door toenemende versnippering en spreiding van taken binnen het publieke bestel; de externe pluriformiteit. Dat is onnodig. De verschillende "krachten" dienen op constructievere wijze dienstbaar gemaakt te worden aan het functioneren van de publieke omroep als geheel.
6.2.3.1 Bereik. Bereik, dat wil zeggen publieksaandeel, is voor de publieke omroep bij de vervulling van zijn functie minstens zo belangrijk als voor de commerciële omroep. Het begrip bereik is in beide gevallen echter verschillend. Op het gevaar af nuances op te blazen en theoretische verschillen te idealiseren, moet worden vastgesteld dat bereik voor de commerciële omroep vooral een kwantitatief gegeven is, maar voor de publieke functie een kwantitatief en kwalitatief gegeven: aantal én waardering. Waardering behoeft dit verband is niet per definitie positief te zijn. Acute irritatie, meningsverschil en verontrusting zijn, zolang zij niet afstoten, minstens zo belangrijk voor de publieke functie als programma's die mensen op een bepaalde mening of onderwerp verenigen. Debat ontstaat niet in een omgeving waarin iedereen het met elkaar eens is, maar juist wanneer men verschilt van mening en elkaar nog voldoende respecteert om te willen overtuigen. (In het licht hiervan is de relevantie van kijk­ en luisteronderzoek dat publieke en commerciële omroep enkel op basis van publieksaandeel vergelijkt, twijfelachtig.)
  Radio en televisie zijn massamedia; de rechtvaardiging voor handhaving van de publieke omroep is gelegen in het mediabeleid. Functie van de publieke omroep als element van mediabeleid is om de maatschappelijke discussie te onderhouden. Dat vergt niet, dat alle mensen elk moment geboeid worden (dan is er sprake van een publieke "commerciële" omroep), noch dat bepaalde mensen de hele tijd geboeid worden (dan is het een sektarische omroep van, door en voor bepaalde groepen); het vergt echter wel dat de meeste mensen regelmatig zodanig geboeid worden dat zij in de regel op een publiekskanaal afstemmen en daar blijven afgestemd vermits zij iets van hun gading vinden. De publieke omroep zal dus steeds alle burgers voor een deel van de zendtijd moeten blijven aanspreken; in een duaal bestel is daar eerder meer dan minder gelegenheid voor.
6.2.3.2 Een omvattend en samenhangend programma. Dat betekent echter niet dat het programma van de publieke omroep een verzameling kan zijn van afzonderlijke programma's die voor een steeds weer ander publiek zijn bestemd. Dan is de omroep als geheel geen onderdeel meer van een mediabeleid, maar zijn de afzonderlijke programma's hooguit onderdeel van andere beleidsterreinen: kunst­, cultuur­ of minderhedenbeleid. Dit soort afzonderlijke, gerichte programma's zullen mogelijk ook toenemende concurrentie krijgen van gespecialiseerde kanalen (kunst­, sport­, aparte programma's voor bepaalde bevolkingsgroepen) die zullen ontstaan naarmate de kosten van verspreiding afnemen. Bij een toenemend aanbod verzinkt ieder afzonderlijk onderdeel van het programma bovendien in de "ruis" van concurrerende programma's.
  Het karakter van radio en televisie als massamedia brengt met zich mee dat het programma als geheel voor de kijker/luisteraar een samenhangend herkenbaar geheel moet zijn. Binnen een uitbreidend aanbod van kanalen en zenders is voorspelbare regelmaat van programma­onderdelen van toenemend belang. Het kan voorts doorkijkgedrag (het verschijnsel dat de aandacht wordt vastgehouden bij volgende programma's) versterken.
  Die herkenbare regelmaat of een herkenbaar profiel wordt niet meer geboden door de afzonderlijke omroepverenigingen. Onderzoek wijst uit dat het kijkgedrag niet langer primair wordt bepaald door de sympathie voor de uitgangspunten van een omroepvereniging (KLO­onderzoek). Dat betekent dat de planning van programma­onderdelen, van de opbouw van programma's per zender en tussen de zenders steeds sterker een overkoepelende taak is geworden. De consequentie uit die conclusie is reeds getrokken met de benoeming van netmanagers, daarmee kan echter niet worden volstaan. De programma­opbouw en het verzekeren van herkenbare netten, die elkaar aanvullen en ondersteunen zal verder moeten worden geprofessionaliseerd. De verantwoordelijkheid voor de vaststelling van kader en opbouw van het programma (de verdeling van programmatypen over de netten en in de tijd) zal echter bij de omroepverenigingen gezamenlijk moeten liggen.
6.2.3.3 Profiel van de publieke omroep. Bereik, aandacht en publieksaandeel zijn, maar niet alleen in aantallen, ook voor de publieke omroep wezenlijk. Dat betekent niet dat de publieke zenders een professioneel "normaal"­programma moeten bieden. De grond voor de publieke financiering is gelegen in het publieke "profiel", de kenmerkende bestanddelen van het programma, van de publieke omroep. De wetgever zal dat "profiel" vast moeten stellen. In de toekomst zal dit zelfs nog nadrukkelijker moeten dan thans. Nu berust de regeling van het publieke profiel sterk op de organisatie en inrichting: de zogenaamde externe pluriformiteit. De wet bevat globale voorschriften met betrekking tot de programma's van de omroepverenigingen, maar regelt voorts de toewijzing van zendtijd aan de functionele omroeporganisaties en aan de NPS (Nederlandse Programma Stichting). Indirect wordt zo het publieke profiel vastgesteld.
  In het belang van een doeltreffende publieke omroep en doelmatige programmering behoeft deze organisatorische opzet integratie en rationalisatie. Van de omroepverenigingen zal moeten worden geëist dat zij in staat en bereid zijn om alle programmatypen in te vullen. Uiteindelijk gaat het om het totale programma van de publieke omroep; in het kader van een evenwichtige, totale programma­opbouw kan dan ook, bij onderlinge afspraak, een zekere specialisatie van de omroepverenigingen ontstaan.
  Een ander gevolg is dat in de organisatie niet langer een scherpe scheiding aangebracht hoeft te worden tussen het programma van de diverse omroepverenigingen en de programma's van de onderscheiden functionele omroeporganisaties. Binnen een totaal programmering dient het mogelijk te zijn dat de omroepverenigingen, mede vanuit hun specifieke invalshoek tevens meer functionele programma­onderdelen voor hun rekening nemen. Naast de omroepverenigingen zal er een centrale omroeporganisatie moeten zijn, onder eigen directie, die belast is met het verzorgen van wettelijke taken zoals bijvoorbeeld het journaal. De meeste van de huidige functionele omroeporganisaties zouden in deze nieuwe omroeporganisatie op moeten gaan. De wet zou nog steeds vaste percentages moeten noemen, die vervolgens door dit apparaat of door programma's van de omroepverenigingen nieuwe stijl ingevuld worden.
  Het publieke omroepprofiel mag echter niet beperkt blijven tot functionele programma­onderdelen, zoals nieuws, informatie en commentaar, educatie, kunst en cultuur. In het debat over het functioneren van de publieke omroep wordt op steeds weer andere onderdelen van deze reeks de nadruk gelegd. Dat miskent het karakter van de omroep als onderdeel van mediabeleid. Het gaat er primair om de kanalen van maatschappelijke communicatie open te houden naar en tussen de segmenten van de bevolking.
  Programma­onderdelen zoals genoemd spelen daar bij een rol, maar de functie van de publieke omroep is niet de som van de functie van omroep op het terrein van informatie, educatie, kunst en cultuur, enzovoort Amusement, entertainment en sportverslaggeving zullen evenzo in het verlengde van de publieke functie liggen. Niet als tegenwicht de commerciële omroep, want dan veroordeelt de publieke omroep zich tot een aanvullende rol. In een duaal bestel heeft de publieke omroep een eigen rol en functie die op dit terrein mede omvat een zekere norm te zetten. De praktijk leert dat het niveau van de publieke omroep de commerciële omroep beïnvloedt. Juist op het terrein van innovatieve programmering kan de publieke omroep een kwaliteitsimpuls geven. Deze kwaliteitsimpuls is een onderdeel van de publieke functie in een duaal bestel (denk bijvoorbeeld aan de zorg om geweld op de televisie).
6.2.3.4 Legitimatie van de publieke omroep. Het mediabeleid en de publieke functie vergen dat de programma's van de publieke omroep aansluiten bij stromingen, gevoelens en opvattingen onder de bevolking. Die betrokkenheid heeft meerdere dimensies. De aard van omroep als massamedium vereist dat het programma beantwoordt aan de wensen van kijkers en luisteraars, zonder dat dit vervalt in een productie­consumptie relatie. De aard en inhoud van de publieke functie brengt tegelijkertijd met zich mee dat het functioneren van de publieke omroep en de productie van programma's eveneens aansluit bij de "belevingen" onder de bevolking. De publieke omroep in Nederland is ontstaan uit die gedachte en functioneert sindsdien op basis daarvan via de omroepverenigingen. Dat is niet de enige mogelijkheid, zoals omliggende landen bewijzen, maar het is de typisch Nederlandse wijze. En indien zij adequaat en bevredigend functioneert, is het ook de meest vitale vorm om omroep en samenleving op elkaar te betrekken.
  De huidige wijze waarop die betrokkenheid via de koppeling van abonnement en lidmaatschap tot uitdrukking komt, voldoet echter niet meer. Het biedt een dubbelzinnige indicatie. Onduidelijk is of het om sympathie voor de uitgangspunten van de omroep gaat, om belangstelling voor de programma's daarvan of enkel om een aantrekkelijk programmablad. Daardoor heeft deze betrokkenheid een afnemend gezag als basis voor de verdeling van zendtijd en publieke middelen; het biedt de omroepverenigingen bovendien geen echte oriëntatie omtrent de voorkeur van "hun" publiek. Tenslotte berust deze koppeling op de wankele basis van de bescherming van de publikatie van programma-gegevens van de omroep. Betrokkenheid van publiek via omroepverenigingen blijft nog steeds de meest vitale basis voor publieke omroep, mits de legitimatie van het functioneren van de omroepverenigingen overtuigender is.
  Bij die legitimatie gaat het om twee aspecten. Enerzijds de betrokkenheid bij de uitgangspunten en oogmerken van het organiseren van een bepaald omroepaanbod, anderzijds de voorkeur voor de programma's van bepaalde omroepverenigingen. Het eerste, het statische element van de legitimatie, dient tot uitdrukking te komen via lidmaatschap, althans daadwerkelijke financiële betrokkenheid bij het aanbieden van programma's. Die dient in de toekomst niet te berusten op een abonnement op een omroepblad. Implicatie daarvan is wel dat het wettelijk vereiste aantal leden lager zal zijn dan thans (gedacht kan worden aan 100.000 á 150.000 leden die tenminste fl. 25,00 bijdragen).
  De omvang van een "achterban" zou echter niet langer de enige en voldoende voorwaarde moeten zijn om in aanmerking te komen voor zendtijd en publieke middelen. De omvang van de "achterban" biedt niet langer een voldoende en adequate garantie dat de programma's die tot stand komen ook daadwerkelijk aansluiten bij de wensen en behoeften van het publiek. Om die reden dient deze voorwaarde te worden aangevuld met een tweede, dynamisch mechanisme van legitimatie, dat direct betrekking heeft op de programma's. Dat kunnen niet de kijkcijfers zijn. Kijkcijfers tonen slechts de consumptie, niet de bevrediging en het oordeel over de wenselijkheid van programma's. Een registratie van kijkgedrag is onvoldoende als graadmeter van de aanvaarding en actieve waardering voor bepaalde programma's. Dat vergt een bewuste keuze en uitspraak; noem het "omroepverkiezingen".
  De verdeling van zendtijd, middelen en invloed op de programmering over de verschillende omroepverenigingen met de vereiste "achterban", zou daarom op basis van de uitkomst van de omroep-verkiezing plaats moeten vinden. Daarbij zou een drempel van 10 á 15 % van de uitgebrachte stemmen moeten gelden om versnippering van de publieke omroep te voorkomen.
  De wijze waarop die verkiezingen gehouden zouden moeten worden, is een kwestie van nadere politieke besluitvorming. Er zijn diverse varianten denkbaar. Het zou gekoppeld kunnen worden aan landelijke verkiezingen. Iedere stemgerechtigde Nederlander zou zo in staat zijn om zijn voorkeur uit te spreken. Dat is minder vreemd, wanneer men bedenkt dat referenda in de toekomst mogelijk ook gekoppeld zullen zijn aan die landelijke verkiezingen. Het is ook denkbaar dat bij de betaling van de omroepbijdrage een voorkeur kan worden uitgesproken. Dat heeft mogelijk tot gevolg dat alleen degene in een huishouden die de bijdrage betaalt een voorkeur kan uitspreken. Om die reden is het ook denkbaar dat periodiek bij de omroepbijdrage meerdere biljetten worden gevoegd waarop men zijn voorkeur kan uitspreken. Indien gekozen wordt voor stemming gekoppeld aan de omroepbijdrage, dient het echter niet zo te zijn dat de resultaten daarvan ieder jaar onmiddellijk vertaald worden in een wijziging van het aandeel van de betrokken omroepverenigingen. De organisatie van het aanbod vergt zekerheid en duurzaamheid; bij frequente "verkiezingen" komt ook het karakter van de publieke functie in het geding, omdat de omroepverenigingen vooral bedacht zullen zijn zichzelf te "profileren" met het oog op de volgende "verkiezing". De mogelijkheid om via de omroepbijdrage te "stemmen" zou daarom periodiek moeten zijn. Wel is het denkbaar dat bij iedere betaling van de omroepbijdrage een voorkeur wordt geregistreerd, maar dat dit alleen na een periode van bijvoorbeeld vier jaren cumulatief tot verandering in de verhouding leidt.
  Het is duidelijk dat de regeling van "omroepverkiezingen" niet eenvoudig is. Dat mag er echter niet toe leiden dat "dan maar" gekozen wordt voor een opiniepeiling of de meting van het kijk­ en luistergedrag. In de eerste plaats is het niet zinvol om de verdeling van miljoenen guldens en zendtijd af te laten hangen van de techniek van een opiniepeiling. Wezenlijk is de mogelijkheid voor de kijker/luisteraar om zich bewust uit te spreken. Kijkgedrag is iets anders is dan de bewuste beslissing of programma's van een bepaalde signatuur onderdeel dienen te zijn van de publieke omroep. Mede vanwege moeilijkheden is eerder de gedachte van "omroepverkiezingen" afgewezen. Onderkend moet echter worden dat dit steeds sterker de enige mogelijkheid vormt voor een adequaat antwoord op drie elementen; de dynamische "vraag", de publieke functie en de wenselijkheid van publieke betrokkenheid bij het aanbod. De gedachte van een directe betrokkenheid en keuze van burgers over de kwaliteit en inhoud van een voorziening is bovendien ook steeds meer gemeengoed.
6.2.3.5 Legitimiteit en professionaliteit. Uitgangspunt dient te zijn dat gegeven de aard en functie van publieke omroep het inhoudelijk functioneren daarvan zijn legitimiteit ontleent aan de productie door omroepverenigingen. Omroepverenigingen die daadwerkelijk aansluiten bij stromingen en segmenten onder de bevolking, terwijl de onderlinge verhouding daartussen bij het aanbod wordt bepaald door de keuze van het publiek in het kader van verkiezingen. Dit is een fundamentele beslissing over het functioneren van het publieke bestel. Wanneer van omroepverenigingen verwacht wordt dat zij zich naar leden en een publiek verantwoorden, dan dienen zij ook de ruimte te hebben om herkenbare programma's te bieden. In het voorgaande ligt besloten dat die herkenbaarheid ook primair in de afzonderlijke programma­onderdelen moet worden gezocht en niet primair in de programma­opbouw van een dagdeel; dat is een gezamenlijke verantwoordelijkheid. Dit sluit aan bij de ontwikkeling van het kijkgedrag, dat meer wordt beheerst door afzonderlijke programma­onderdelen en eventueel het net of de zender, maar niet meer in de eerste plaats door de omroepverenigingen.
  Die keuze ten aanzien van de legitimatie stelt impliciet ook beperkingen aan de mate waarin programma's en programma­onderdelen uitsluitend op basis van professionele overwegingen worden geproduceerd. Tegelijk biedt de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor de opbouw van de programmering en de gemeenschappelijke uitvoering daarvan juist meer ruimte voor samenwerking bij de bepaalde programmatypen (bijvoorbeeld nieuwsrubrieken, enzovoort) en delen van het totale programma die specifiek op bepaalde bevolkingsgroepen gericht zijn (jeugd, ouderen, minderheden, enzovoort).
6.3 Een nieuwe publieke omroep
6.3.1 Opzet. De overwegingen in het voorgaande resulteren in de volgende nieuwe opzet voor de publieke omroep. Deze is niet meer een samenstel en optelsom van een groot aantal afzonderlijke omroepverenigingen en ­organisaties, maar een bij wet geschapen "eenheid", die gevormd wordt door Omroepverenigingen "nieuwe stijl" (ONS), door een Stichting Omroep Nederland (SON) en door een Programmaraad, samengesteld uit vertegenwoordigers van de omroepverenigingen op basis van "omroepverkiezingen". Deze gemeenschappelijke organisatie heeft zendtijd en is belast met het invullen en waarborgen van het publieke omroepprofiel. De Programmaraad stelt het schema voor het publieke omroepprogramma vast; dat wordt vervolgens door de SON uitgevoerd en omgezet in een concreet programma per zender en per net, dat dan weer door de omroepverenigingen wordt ingevuld met programma's van hun signatuur of door functionele programma's van de gezamenlijke organisatie.
  Met deze structuur wordt beoogd de conflicterende krachten van eenheid en pluriformiteit om te zetten in synergie tot versterking van de publieke omroep. Daartoe dienen de "krachten" van pluriformiteit — in de vorm van omroepverenigingen — te worden gekanaliseerd en ingebed in een gezamenlijke structuur om de publieke functie in te vullen en bij wet opgedragen taken uit te voeren. Wanneer de eenheid van het publieke bestel tot uitdrukking kan komen in het functioneren als geheel, en de publieke omroep in staat is om meer bedrijfsmatig te functioneren, dan ontstaat meer ruimte en draagvlak voor de diversiteit van verschillende stromingen, zienswijzen en levensbeschouwelijke opvattingen. Samenhang binnen de publieke omroep moet derhalve gezocht worden in een goed functionerende moderne netwerkorganisatie en niet door toepassing van een hiërarchische structuur.
  In het volgende schema is een schetsmatige opzet van een nieuwe publieke omroep weergegeven.
 
6.3.2 Overheid op afstand. De noodzakelijke veranderingen in de structuur en opzet van de publieke omroep vergen wetgeving. Het soms gehoorde bezwaar daartegen dat de omroep een zaak is van particuliere omroepverenigingen, is niet steekhoudend. De wetgever kan weliswaar niet ingrijpen in de organisatie en het functioneren van de particuliere omroepverenigingen, maar na ommekomst van de huidige concessieperiode kan de wetgever opnieuw de voorwaarden vaststellen waaronder de zendtijd en middelen van de publieke omroep moeten worden ingezet en welke omroepverenigingen daarvoor in aanmerking komen.
  Wetgeving is nodig, maar tegelijk dient de wet beperkt te zijn tot de wezenlijke elementen: de taak, organen, bevoegdheden, grondregels voor het "verkeer" daartussen en de regeling van conflicten. Hoe meer de wet in het functioneren van de publieke omroep treedt, des te beperkter zal het vermogen daarvan zijn om te kunnen inspelen op ontwikkelingen. Duidelijk moet vast staan wat doel en "omroepprofiel" is, welke instellingen aan de invulling daarvan bijdragen en welke rol zij daarin hebben: voor het overige dient het bestel zoveel mogelijk zelfregulerend te zijn. Dat wordt ook mogelijk wanneer dit niet langer uit een "confederaal" systeem van omroepverenigingen en omroeporganisaties bestaat, maar uit een organisatorisch kader waarbinnen de pluriformiteit gekanaliseerd wordt. Dit alles ten dienste van het gemeenschappelijk belang van een doelmatige publieke omroep. Deze zou vorm gegeven moeten worden door de directie van de SON met een eigen verantwoordelijkheid en taak voor de coördinatie, afwerking en afronding van het gehele programma.
  Met de mediawet is reeds aanvaard dat de minister niet verantwoordelijk dient te zijn voor de inhoud en het functioneren van de publieke omroep van dag tot dag. Dat uitgangspunt dient gehandhaafd te blijven. Een duidelijke omschrijving van doel, profiel en taken, naast een doeltreffende toezicht op de naleving daarvan en een versterking van het mechanisme van legitimatie van de programma's, vormen de voorwaarden daarvoor.
 
6.3.3 Organen, taken en bevoegdheden
6.3.3.1 De publieke omroep. Uitgangspunt voor inrichting en functioneren van de publieke omroep is de eenheid van het bestel. Dat betekent niet dat de verschillende stromingen die via omroepverenigingen binnen het bestel functioneren daarmee voor wat betreft de inhoud van hun programma's ondergeschikt zijn aan die eenheid. Het gaat echter om de erkenning in de opzet, inrichting en het functioneren van de publieke omroep, dat binnen een duaal bestel de samenstellende delen slechts kunnen functioneren en bestaan bij gratie van het functioneren van het gehele bestel. Bij de toenemende openheid van het omroepbestel en de afnemende kosten van verspreiding van programma's, is er voor groepen en organisaties die zich als zelfstandige, volledige omroep willen presenteren alle ruimte buiten de publieke omroep.
  Dat betekent onder meer dat de publieke omroep als geheel is belast met de invulling van de publieke functie en het omroepprofiel en daartoe beschikt over de zendtijd en de middelen.
  Een tweede uitgangspunt is dat binnen een steeds breder en gevarieerder omroepaanbod en een omroepbestel waarin de grenzen van omroep en dienstverlening vervagen, het vermogen om doeltreffend de publieke functie te verwezenlijken ook steeds sterker een kwestie is van professionaliteit en doelmatige bedrijfsvoering; bij het geheel en bij de delen. Het derde uitgangspunt dat in de organisatie en het functioneren gestalte moet krijgen, is het gegeven dat inhoud en programma van de publieke omroep berusten op uitvoering van een door de wetgever omschreven publieke functie en omroepprofiel en invulling door organisaties die aansluiten bij in de samenleving levende gevoelens omtrent de publieke omroep.
6.3.3.2 Omroepverenigingen nieuwe stijl. De functie van de publieke omroep komt het beste tot zijn recht wanneer omroepverenigingen daarvan de bouwstenen vormen. Gezamenlijk beslissen zij in het kader van de Programmaraad over de opbouw en indeling van het totale programma; afzonderlijk leveren zij de programma­onderdelen aan. Omroepverenigingen in deze opzet zijn organisaties (de verenigingsvorm is niet dwingend mits de financiële betrokkenheid van leden en zeggenschap over het beleid op ander wijze kan worden verzekerd) wier maatschappelijk doel is om zonder winstoogmerk omroep te verzorgen vanuit een bepaalde overtuiging ten aanzien van de invulling van de publieke functie. Bovendien moeten zij tenminste over een minmum aantal betalende leden beschikken (100.000 à 150.000 leden, tenminste fl. 25,00). Behalve deze noodzakelijke voorwaarden om in aanmerking te komen voor betrokkenheid bij de publieke omroep, wordt het aandeel en de invloed op het programma daarvan bepaald door de uitkomst van omroepverkiezingen, waarbij de omroepvereniging tenminste een bepaalde mate van adhesie moet hebben gekregen (10 á 15% van de uitgebrachte stemmen).
  De omroepvereniging die aan deze voorwaarden voldoet, ontleent daaraan een positie in de Programmaraad en een aandeel in het hele omroepprogramma. De omroepvereniging zal, vanuit eigen invalshoek en binnen het kader van het gezamenlijk opgestelde programmabeeld, invulling moeten kunnen en willen geven aan de verschillende onderdelen van het wettelijk voorgeschreven omroepprofiel. De omroepvereniging heeft het recht haar programma's op één zender of net uit te zenden. Onderlinge afspraak kan echter, in het kader van samenwerking op of tussen netten en zenders, leiden tot specialisatie naar onderwerpen. Eveneens is het mogelijk, indien daartoe besloten wordt in de Programmaraad, dat de programma's van diverse omroepverenigingen, die een bepaalde doelgroep of een bepaald onderwerp betreffen, op één net of zender worden gegroepeerd. De kleuring naar net of naar tijdstip is derhalve een zaak van besluitvorming in de Programmaraad.
  Om het systeem een open en dynamisch karakter te geven, dient de mogelijkheid gecreëerd te worden om voorafgaand aan omroepverkiezingen, zeg één jaar ervoor, als een soort adspirant omroepvereniging nieuwe stijl beperkt zendtijd te krijgen voor programma's die de eigen signatuur kunnen uitdrukken. Hiervoor geldt echter, dat aan een eis van 50.000 á 75.000 leden moet worden voldaan. Deze grens moet niet te laag worden gesteld om de ernst van de aanvraag te benadrukken.
6.3.3.3 De Stichting Omroep Nederland. De eenheid en samenhang van de publieke omroep wordt belichaamd, versterkt en gekanaliseerd door een centraal orgaan en apparaat, hier de Stichting Omroep Nederland genoemd. [Gebruik van de term stichting is niet bedoeld als keuze van de rechtsvorm; het zal moeten gaan om een orgaan dat zijn rechtspersoonlijkheid en functioneren ontleent aan de wettelijke regeling van de publieke omroep.] Deze SON is belast met:
 
  • de uitvoering (n.b. niet in de zin van invulling met concrete programma's maar in een overeenkomstige rol als de huidige netmanagers) van het omroepprogramma zoals dat is opgesteld in de Programmaraad;
  • het bewaken van de adequate invulling van het omroepprofiel, en
  • de zorg en verantwoordelijkheid voor productie respectievelijk beschikbaarheid van bepaalde programmatypen (journaal, educatieve programma's, enzovoort).
  De SON vormt met deze taken als het ware de ruggegraat van de publieke omroep. Haar primaire taak is om de publieke omroep als bestel bij elkaar te houden als geheel en samenhangend te doen functioneren. Zij bestaat daartoe uit een directie, een centraal apparaat dat ondermeer de netmanagers omvat van verschillende netten en zenders, en een orgaan dat nodig is voor de productie van de wettelijk verplichte programmasoorten, dat als een strikt maximum moet worden gesteld. Juist vanwege haar primaire taak, het bijeenhouden en samenhangend laten functioneren van de publieke omroep, moet de SON niet tot een omvangrijk productiebedrijf worden; dan dreigen de verantwoordelijkheid voor het geheel en voor het eigen apparaat in conflict te komen. Vandaar dat het om een "slank en wendbaar" apparaat moet gaan; de financiering dient daar op te worden afgestemd. De directie zou dan ook een apart budget moeten hebben voor de niet aan de programmaproductie toe te kennen kosten.
  Een Raad van Toezicht oefent toezicht uit op het handelen van de directie, op de wijze zoals een raad van commissarissen dit doet. Het toezicht betreft mede de wijze waarop de SON de uitvoering van de wettelijk opgedragen taken uitvoert Het gaat vooral om beleidsinhoudelijk toezicht in tegenstelling tot het formele toezicht dat door het Commissariaat voor de Media wordt uitgeoefend. De twee functies moeten derhalve niet verward worden. De Raad van Toezicht zou maximaal uit 5 leden moeten bestaan, die benoemd moeten worden door de Kroon; twee daarvan op (meervoudige) voordracht van de Programmaraad, uit personen die van buiten de omroep komen. De Raad van Toezicht benoemt en ontslaat de directie van de SON. Verder keurt zij de operationele plannen van directie goed en legt verantwoording af over het beleid van de directie.
  De directie wordt, na overleg met de Programmaraad, benoemd door de Raad van Toezicht voor een bepaalde termijn (5 jaren). De directie bewaakt de invulling en uitvoering van het omroepprofiel. Zij voert daartoe overleg met de Programmaraad bij het opstellen van het omroepprogramma en licht het gevoerde beleid toe in de Programmaraad. Via de netmanagers zorgt zij vervolgens voor de uitvoering en adequate invulling van het programma, en met name ook voor de samenhang tussen de verschillende netten en zenders. De directie verzorgt met het oog daarop de coördinatie tussen de netten. Zij heeft een aanwijzingsrecht met betrekking tot de invulling van de programma's op de netten en zenders om strijdigheden met het omroepprofiel te corrigeren. De directie legt over het gevoerde beleid verantwoording af aan de Raad van Toezicht.
  Per net of zender is er een netmanager, die wordt benoemd door en functioneert onder de verantwoordelijkheid van de SON directie. Op het net/de zender belichaamt hij in onafhankelijkheid tegenover de omroepverenigingen, de integriteit, eenheid en het belang van de publieke omroep als geheel. De benoeming kan niet formeel van de omroepverenigingen afhankelijk zijn. De netmanagers zullen in de praktijk nauw moeten samenwerken met de omroepverenigingen die de programma's verzorgen op het net of de zender. De benoeming zal dan ook na overleg met hen plaatsvinden, zodat verzekerd is dat een goede samenwerking mogelijk is. Het functioneren van de netmanager is immers afhankelijk van de wijze waarop hij zijn onafhankelijke positie combineert met goede samenwerking. De netmanagers bewaken het omroepprofiel, de blokindeling of weekspiegel (zie hierna) en verzorgen de coördinatie van het programma op het net. Zij dienen daarbij bovendien de bevoegdheid te hebben om op eigen gezag de weekspiegel of de blokindeling te doorbreken indien een programma van nationaal belang of allure dat vereist of als het normaal gesproken niet in het schema zou kunnen zijn voorzien.
6.3.3.4 Programmaraad. De Programmaraad (er zijn andere namen denkbaar, bijvoorbeeld omroepraad en dergelijke) belichaamt de eenheid in pluriformiteit. Hij bestaat uit vertegenwoordigers van de omroepverenigingen en zijn taak is om die zaken te bespreken en te beslissen, die het programma betreffen maar niet door de omroepverenigingen afzonderlijk beslist moeten of kunnen worden. Het gaat daarbij met name om de architectuur van het omroepprogramma; de opzet, indeling, eventueel kleuring van de programma's op de diverse netten respectievelijk zenders.
  De belangrijkste taak van de Programmaraad is het omroepprogramma van een architectuur te voorzien; dat wil zeggen een regelmatige verdeling van programmagenres en ­typen over de tijd en over de netten en zenders. Daartoe zal de Programmaraad een "spiegel" moeten vaststellen: een indeling per dag, per week en eventueel voor andere tijdsvakken van programmagenres en -blokken op de verschillende zenders en netten. De "spiegel" vormt voor directie en netmanagement van de SON de basis om de uitzendfunctie uit te voeren.
  Denkbaar is dat in het kader van de Programmaraad de vertegenwoordigers van omroepverenigingen, die hun programma's gezamenlijk op een net/zender uitzenden (bespelers), een "sectie" vormen om zo tot nadere invulling te komen van het programma op de verschillende netten en zenders. Deze functioneren echter in het kader van de Programmaraad; dat wil zeggen dat zij moeten passen in het kader van de beslissingen van de raad over het omroepprogramma en dat de raad de secties ook kan "overrulen". Daartoe kan aanleiding zijn als de programma's niet voldoen aan de opbouw van het programma of wanneer er niet doelmatig wordt samengewerkt op het net. Zodra per net of zender afzonderlijke lichamen ontstaan, dreigt dat de netten en zenders uit elkaar gaan drijven. Uitgangspunt is dat waar men het in gezamenlijkheid over eens kan worden in de Programmaraad, binnen de grenzen van het omroepprofiel en de publieke functie, door deze kan worden besloten. Wat de Programmaraad niet beslist, is vervolgens een zaak van de SON en de netmanagers voor wat betreft de coördinatie, afstemming en afronding en van de "bespelers" van het net voor wat betreft de invulling van het programma; uiteraard in onderlinge samenspraak.
  De Programmaraad is samengesteld uit vertegenwoordigers van de omroepverenigingen nieuwe stijl die voldoen aan de voorwaarden (leden en maatschappelijk doel) en die bij de "verkiezingen" de "verkiezingsdrempel" hebben gehaald. Per omroepvereniging zou er slechts één vertegenwoordiger moeten zijn, waarbij diens "gewicht" bij stemming over beslissingen van de raad bepaald wordt door het resultaat van de "verkiezingen". De besluitvorming dient zodanig te zijn geregeld dat verschillen van inzicht niet kunnen leiden tot onoplosbare conflicten of onnodige tijdsvertraging, maar dat voorkomen wordt dat een omroepvereniging het "leven" onmogelijk wordt gemaakt door de meerderheid. De Raad zal daarom in de regel bij gewone meerderheid beslissen. In een beperkt aantal, bij de wet bepaalde gevallen zou echter een gekwalificeerde meerderheid nodig zijn. Gedacht kan bijvoorbeeld worden aan de beslissing over de verdeling van de omroepverenigingen over de netten en over zender­ of netkleuring: beslissingen die het functioneren van de omroepverenigingen in essentie raken.
6.3.3.5 Programma, profiel en functionele diversiteit. De genoemde organen en instellingen zullen tezamen het beeld en het functioneren van de publieke omroep bepalen. De voorgestelde structuur beoogt aan de "krachten" van pluriformiteit en eenheid de organisatie te bieden die nodig is om in onderling evenwicht doelmatig als een omroep te functioneren. Ieder van de instellingen is daarbij op andere aangewezen. De publieke omroep heeft op dit moment nog een plaats die het mogelijk maakt de publieke functie volwaardig te realiseren. Afzonderlijk en tezamen hebben alle betrokkenen belang bij het behoud daarvan, maar afzonderlijk is geen daartoe in staat; Dat is alleen door samenwerking mogelijk. Als de positie van de publieke omroep afkalft, nemen de inkomsten van het totaal af (zie 6.4); Als de omroep als geheel uit de aandacht verdwijnt, zal geen enkele omroepvereniging afzonderlijk nog voldoende aandacht kunnen trekken. Ze hebben allemaal existentieel belang bij een doelmatige, professionele publieke omroep, die echter alleen door een doeltreffende samenwerking gerealiseerd kan worden.
  De inrichting is echter niet een doel op zichzelf; het gaat om het functioneren als publieke omroep, om het voortbrengen van een programma dat beantwoordt aan de publieke functie. Een doelmatige inrichting is noodzakelijk, maar het is geen voldoende voorwaarde. Behalve organisatie vergt het functioneren als publieke omroep een omroepprofiel: de aanduiding van de bestanddelen van de publieke functie en de vaststelling van ieders aandeel en bijdrage daaraan. Thans geschiedt dit expliciet door de eisen aan het programma van omroepverenigingen en impliciet door de toewijzing van zendtijd en middelen aan een aantal functionele omroeporganisaties. Daarbij gaat het om drie categorieën: omroeporganisaties die één bepaald soort programma's verzorgen (Educom, Ikon, enzovoort), de NOS voor de gezamenlijke programma's (journaal, sportverslaggeving, enzovoort) en de NPS die als wettelijke A­omroep tot taak heeft aanvullende bepaalde programma's te verzorgen.
  De wetgever zou het omroepprofiel uitdrukkelijk in de wet moeten verankeren. daarbij moet gedacht worden aan de genres die de wet nu al noemt: Informatie, educatie, cultuur, en aan meer specifieke onderwerpen, zoals nieuwsberichten, evenementen van nationaal belang (bijvoorbeeld Koninginnedag, 4 en 5 mei, Prinsjesdag en de aankomst van St. Nicolaas), sportverslaggeving, programma's voor minderheden, levensbeschouwelijke programma's en dergelijke. De wet zou voor de genres, onderwerpen en taken uitdrukkelijk percentages vast moeten stellen (gedacht kan worden aan de huidige percentages of aandelen in de zendtijd). Hieronder wordt nader ingegaan op de wijze waarop deze taken en programma-onderdelen moeten worden ingevuld in het kader van de nieuwe organisatie. Bij de herformulering van het omroepprofiel is er in deze tijd alle aanleiding om bijzondere aandacht te besteden aan de jeugd. Het betreft een groep voor welke omroep, met name televisie, een bijzondere functie heeft op het terrein van informatie en educatie; aspecten die in de programmering van de commerciële omroepen niet tot hun recht komen (hier wordt niet gedoeld op programma's als schoolradio en -televisie, maar op het algemene aanbod van de omroepen en de aandacht daarin voor educatieve programma's voor de jeugd). Naast deze overwegingen geldt dat het hier een groep betreft die in beginsel zeer bevattelijk is voor de programma's, daar vaak veel tijd aan besteed, maar wier wensen niet tot uitdrukking komen omdat zij geen lobby vormen of hun wensen effectief tot uitdrukking kunnen brengen.
  Deze pluriformiteit en diversiteit van organisaties zijn in een duaal bestel niet langer dienstbaar aan een doelmatige publieke omroep (zie 6.2.3.3). Zolang de positie daarvan zelf niet in het geding was bij afwezigheid van andere omroepen, kon de nadruk in de organisatie van het publieke bestel gelegd worden bij de professionaliteit en organisatorische continuïteit. Die aspecten zijn in een duaal bestel niet van minder belang, maar daarin zal de impliciete rangorde van belangen wel expliciet moeten worden gemaakt. Dat wil zeggen dat het doelmatig functioneren van het geheel voorop moet staan; genoemde aspecten zullen immers helemaal niet tot hun recht kunnen komen indien het bestel door organisatorische differentiatie niet meer functioneert en afkalft. Wezenlijk is dat bepaalde onderdelen in het programma van de publieke omroep voorkomen; de organisatie van de productie is daaraan ondergeschikt (zie hierover 6.4.4). Dit is alleen anders in het geval van godsdienstoefeningen en geestelijke programma's; Programma, productie en boodschap vallen hierbij veelal samen (alleen een priester kan de mis opdragen en alleen een ambtsdrager zegent). Bovendien dient niemand anders dan de kerken en denominaties zelf te kunnen worden aangesproken op de keuze en het "rooster" van kerkdiensten op radio en televisie.
  Het gaat bij de omschrijving van het omroepprofiel om twee ongelijksoortige aspecten. Basis voor de inrichting van de publieke omroep is de keuze dat de programma's daarvan in de regel niet geproduceerd moeten worden onder verantwoordelijkheid van de overheid. Vandaar dat het bestel ook in de toekomst zo mogelijk moet berusten op particuliere omroepverenigingen. Deze zullen het grootste deel van de programma's moeten vormgeven en inhoud geven. Thans is dit ongeveer 60% van de programma's en er is geen reden waarom dit percentage anders moet zijn in de toekomst. Daarom zouden de omroepverenigingen ook in de toekomst gezamenlijk verzekerd moeten zijn van dit aandeel in het programma, waarbij de onderlinge verdeling wordt bepaald door de uitkomst van de "omroepverkiezingen". Iedere omroepvereniging afzonderlijk heeft op deze basis een "recht" op een bepaald aandeel in het totale programma, waarbij de wetgever evenals nu, dient voor te schrijven voor welke categorieën programma's deze zendtijd is bestemd. Wel zal dit aandeel voortaan moeten passen binnen de door de Programmaraad vastgesteld opbouw van het programma en met de netmanager afgesproken programmastructuur. Wel zal het zo zijn, dat er per net of zender een min of meer vaste combinatie van omroepverenigingen nieuwe stijl, de "bespelers", zullen zijn die in nauwe samenwerking en in samenspraak met de netmanager tot invulling van de weekspiegel op hun net of zender zullen komen.
  Die inrichting en de van legitimatiemethode van omroepverenigingen nieuwe stijl betekenen echter ook dat bepaalde onderdelen juist niet door deze verzorgd moeten worden (bijvoorbeeld Journaal), terwijl andere op die wijze minder tot hun recht zullen komen (bijvoorbeeld neutrale educatieve programma's). De wetgever zal de elementen die desondanks wezenlijk worden geacht voor de publieke omroep, moeten identificeren en in de wet een percentage moeten vaststellen voor het aandeel hiervan in het programma. De verzorging daarvan zou in eerste instantie aan de SON moeten worden opgedragen. Taak van de SON is om te waken over de volledige en adequate uitvoering van het omroepprofiel. Ook moet zij erop toezien dat de bij wet aan de publieke omroep opgedragen programmatische taak zo goed mogelijk wordt ingevuld. Zij krijgt hiervoor de beschikking over 20% van de zendtijd, uitgedrukt in uren.
  Daarnaast zou de SON aanvullend nog 20% van de zendtijd beschikbaar moeten hebben om lacunes in de programmering op te vangen; dat kan zowel de in het omroepprofiel voorgeschreven programmagenres betreffen, als programmatische onderdelen die in de opbouw van het programma op een net. In overleg met de bespelers van een net zal de netmanager deze zendtijd en middelen moeten gebruiken voor een adequate invulling van het programma­ respectievelijk het netprofiel. Uitgangspunt moet zijn dat de productie van deze programma's zo mogelijk wordt uitbesteed aan de omroepverenigingen, ook eventueel de bespelers van de andere netten, maar dat uitbesteding van deze opdrachten aan de vrije producenten ook mogelijk is.
  Het mechanisme bij het tot stand komen van het programma en de invulling van het omroepprofiel komen er dan als volgt uit te zien (de percentages berusten op het huidige aandeel en zullen uiteindelijk door de wetgever moeten worden vastgesteld). Zestig procent van het totale programma wordt ingevuld door de omroepverenigingen, binnen de algemene categorieën die de wetgever aangeeft, de algemene door de programmaraad vastgestelde programma-opbouw, en de uitvoering en vormgeving van het netprogramma door de netmanager. 20% wordt op dezelfde wijze verzorgd door de SON, terwijl de resterende 20% door de SON (netmanagers) wordt ingezet om het programma op de netten resp. zenders af te ronden en het omroepprofiel adequaat in te vullen. Het komt er op neer dat de basis van de verschillende functionele onderdelen van het publieke omroepprofiel onder verantwoordelijkheid van de SON wordt gemaakt, maar daar boven is er een ruimte die door of in samenwerking met de omroepverenigingen wordt geproduceerd. Het is vergelijkbaar met de wijze waarop thans op het terrein van de nieuwsvoorziening het Journaal de neutrale kern verzorgt, maar het commentaar en de bespreking daarvan in samenwerking met omroepverenigingen wordt geproduceerd (NOVA), of door de nieuwsrubrieken van de verschillende omroepen wordt verzorgd.
  Zoals eerder gesteld (zie 6.2.2.3) betekenen deze voorstellen dat de aparte functionele omroeporganisaties tegen deze achtergrond verdwijnen, met uitzondering van een organisatie waarin de kerken en denominaties verenigd zijn en die belast wordt met het verzorgen van godsdienst-oefeningen en erediensten. Dat betekent niet dat de inmiddels opgebouwde expertise met bijvoorbeeld programma's van educatieve aard zou verdwijnen. Deze zou kunnen opgaan in een zelfstandige redactie binnen de SON, zij het dat de productie van programma's wellicht beter extern georganiseerd kan worden (zie 6.4.4). Het betreft hier echter vragen van de organisatie die de publieke omroep zelf, en niet de wetgever, moet oplossen.
  Een andere situatie ontstaat met betrekking tot de NPS. Als gevolg van de voorstellen zal de NPS opgaan in enerzijds producties die onder verantwoordelijkheid van de SON tot stand komen en anderzijds producties die gemeenschappelijk of door omroepverenigingen geproduceerd zullen worden. In de korte tijd van haar bestaan heeft de NPS haar nut bewezen. Vandaar dat bij de overgang naar de nieuwe, geschetste organisatie voor de NPS een overgangsregime geschapen zou moeten worden. Dit stelt haar in staat om zich om te vormen in een omroepvereniging; danwel door een aspirant-status, danwel door fusie met een bestaande omroepvereniging.
  De wet dient het toezicht op de naleving van de programma­eisen voor de publieke omroep en de eisen inzake de invulling van het omroepprofiel apart te regelen. Wezenlijk voor het functioneren van de publieke omroep is dat dit zoveel mogelijk zelfregulerend is binnen een wettelijke bandbreedte. Het toezicht op de inhoud van programma's zal echter, evenmin als het toezicht op de scheiding van programma en reclame, in handen kunnen liggen van de omroep zelf. De huidige taken van het Commissariaat voor de Media lenen zich daartoe.
6.4 Randvoorwaarden voor het functioneren van de publieke omroep
6.4.1 Functioneren in een duaal bestel. De overgang van een alles omvattend publiek bestel naar een duale organisatie, waarin de publieke omroep slechts een deel van het omroepaanbod vormt, is nog lang niet uitgewerkt. De ingrijpende gevolgen daarvan worden pas geleidelijk zichtbaar. Functioneren in een duaal bestel vergt niet alleen een andere organisatie van de publieke omroep, maar ook een andere instelling en werkwijze bij de omroepen.
  Ook de wetgever wordt geconfronteerd met nieuwe vragen en met oude vragen die in een geheel ander licht moeten worden beantwoord. De meest wezenlijke verandering is dat de wetgever de omroep niet langer vanuit een omvattende beheersing, ordenend tegemoet kan treden, maar nog slechts invloed heeft op een deel van het aanbod, zodat doelstellingen van algemeen belang vanuit een participerende en faciliterende houding gerealiseerd moeten worden. De overheid kan door het scheppen van voorwaarden en door het sturen van een deel van de voorzieningen ontwikkelingen nog wel bevorderen en begunstigen, maar ze niet meer dwingend bepalen. De omroep is daar een goed voorbeeld van. De wetgever is niet langer in staat om het verschijnsel omvattend te regelen en te ordenen, maar door te voorzien in een publieke omroep kan de wetgever nog wel zorgen dat aan bepaalde behoeften wordt voldaan en zo indirect ook het aanbod van andere te beïnvloeden. Wanneer de wetgever er voor kiest om ontwikkelingen te beïnvloeden via dergelijke voorzieningen zal deze in staat moeten worden gesteld om effectief te functioneren. Anders eindigt men slechts met de lasten, en worden met de verwachte vruchten niet geplukt. Als een bewuste keuze gemaakt wordt voor publieke omroep dan moet dat ook gebeuren op een wijze die recht doet aan het belang. Voor het functioneren van de publieke omroep in een duaal bestel zijn behalve de organisatie en structuur ook omvang, financiering en de organisatie van de productie van belang.
6.4.2 Omvang. De vraag naar de omvang van de publieke omroep is een oude vraag die nu in een geheel nieuwe gedaante aan de orde is. Voorheen was het primair een vraag van internationale onderhandelingen, via welke het gewenste spectrum zeker gesteld moest worden, en van technische mogelijkheden om deze te benutten. Met de toenemende uitwisselbaarheid van de verspreidingswijzen is nu een eerste vraag, welke daarvan beschikbaar is voor omroep, en vervolgens in welke omvang er ten behoeve van de publieke omroep beslag gelegd wordt op de beschikbare infrastructuur. Overwegingen die daar een rol bij spelen zijn enerzijds de zichtbaarheid van de publieke omroep en de noodzakelijke omvang daarvan om aan zijn doel te beantwoorden. Anderzijds is de omvang van invloed op de kosten van de publieke omroep, niet alleen in vorm van vereiste middelen, maar ook in de vorm van lasten voor kabelexploitanten en gederfde inkomsten, omdat beschikbare frequenties niet op andere wijze benut kunnen worden.
  Publieke omroep moet zichtbaar zijn om aan zijn functie te kunnen beantwoorden. Bij een toenemend aanbod neemt de relatieve betekenis van afzonderlijke netten en zenders af. Tevens vereist de pluriformiteit van de publieke omroep een zekere minimale omvang.
  Dat betekent niet dat de huidige omvang van de publieke omroep een noodzakelijk minimum is (die huidige omvang is nog betrekkelijk nieuw) en dat deze verder met het aanbod mee moet groeien. Verwacht wordt dat in de naaste toekomst het aanbod van het aantal (met name betaalde) kanalen sterk verder toenemen; Meegroeien is dan ook onmogelijk en onnodig. Onderzoek wijst in de richting dat zowel bij radio als televisie de luisteraar resp. kijker zijn primaire aandacht slechts richt op een tiental zenders niet meegroeien met het aanbod, maar het verzekeren dat bij een zo groot mogelijk aantal kijkers/luisteraars de zenders van de publieke omroep tot die tien behoren.. Het doel moet daarbij zijn: Een consequentie van dit gegeven is echter ook dat een vermindering van het aantal publieke zenders onmiddellijk ruimte biedt voor uitbreiding van de commerciële omroep.
  De vraag naar de omvang is echter ook een financieel vraagstuk. De huidige inkomsten stellen de publieke omroep in staat om programma's te verzorgen op drie televisiekanalen en vijf radiozenders. Onderzoek van het Centraal Planbureau wijst evenwel uit dat de kosten van programma's de komende jaren naar verhouding sterk zullen stijgen. Bij ongewijzigd beleid zullen naar verwachting ook de STER­inkomsten onder druk blijven staan. Uitgaande van de handhaving van de kijk­ en luisterbijdrage op het huidige (geïndexeerd) niveau, betekent dit dat de publieke omroep voor het behoud van zijn huidige omvang een efficiencyslag zal moeten maken om de programma's op hetzelfde kwaliteitsniveau te handhaven. Hij zal daartoe beter in staat zijn met een structuur en organisatie zoals beschreven in het voorgaande. Deze biedt zowel de mogelijkheid van bezuiniging op de "overhead" als de mogelijkheid van een doelmatiger en rendabeler invulling van de beschikbare zendtijd. Op die wijze zullen de reclame­inkomsten van de STER mogelijk ook op peil blijven.
  De vaststelling van de omvang van de publieke omroep is uiteindelijk een beslissing van de wetgever, niet van de omroep zelf. Aangenomen dat de huidige omvang blijft gehandhaafd. Zolang dit niet tot een verhoging van de omroepbijdrage dwingt, hangt die beslissing echter primair af van de publieke omroep. Het gaat daarbij om een "levensbelang" voor ieder van de omroepen afzonderlijk en gezamenlijk. Met een beperking van de omvang wordt immers een neerwaartse spiraal in gang gezet; de publieke omroep als geheel wordt minder zichtbaar terwijl de afzonderlijke delen minder zendtijd krijgen Ook zullen de inkomsten verder teruglopen en de politieke steun voor het bestel zal afnemen. Handhaving van de huidige omvang van de publieke omroep is derhalve in de eerste plaats afhankelijk van de wijze waarop deze gebruik zal weten te maken van de mogelijkheden om doelmatiger als eenheid te functioneren. In het volgende hoofdstuk wordt nader ingegaan op de financiën van de publieke omroep. Ook daaruit moge blijken dat het alleszins mogelijk is om de huidige omvang van de publieke omroep te handhaven, mits efficiënte samenwerking gerealiseerd wordt.
6.4.3 Financiering en kerntaken. Publieke functie en commerciële financiering van de publieke omroep zijn minder gewenst. Dit zou ook onmiddellijk op EG-rechtelijke beperkingen stuiten. De inkomsten van de publieke omroep zijn derhalve van publieke herkomst: de door de overheid geïnde kijk­ en luisterbijdragen, bijdragen van de leden van de omroepverenigingen, inkomsten uit de exploitatie van het reclamepotentieel van de publieke omroep en uit de exploitatie van eventuele andere mogelijkheden (bijvoorbeeld hergebruik of multimediaal hergebruik van bestaand materiaal; zie ook 5.5.2). Denkbaar zijn voorts vormen van dienstverlening tegen vergoeding. Het genereren van deze inkomsten zal echter bijzondere regels vergen om de publieke functie te waarborgen (zoals nu: verbod van programma­onderbrekende reclame, beperking omvang reclame, enzovoort) en een bijzondere exploitatiestructuur om het non­profit karakter van de publieke omroep en de omroepinstellingen te bewaken.
  Ook in de toekomst zal de omroepbijdrage de belangrijkste bron van inkomsten zal zijn voor de publieke omroep. Het is uiteindelijk een politieke beslissing of de gevraagde bijdrage en de omvang en kwaliteit van het gebodene met elkaar in verhouding zijn.
  Gewezen is al op het feit dat de kosten in de komende jaren zullen toenemen (CPB­cijfers) terwijl de reclame­inkomsten onder druk zullen staan, en de omroepbijdrage op zijn best slechts geïndexeerd zal worden.
  In verband met de omvang van de publieke omroep is al gesteld dat deze tot een betere benutting van de beschikbare middelen moet en kan komen (in het volgende hoofdstuk wordt nader ingegaan op de financiering). De immateriële doelstelling van de publieke omroep brengt echter met zich mee dat de kosten van de publieke omroep doorgaans hoger zullen zijn dan bij de commerciële omroep. Bij de publieke omroep kan de keuze om een bepaald programma te realiseren immers niet primair gemaakt worden op basis van de gunstigste kosten en opbrengstverhouding. Basis voor die besluitvorming zal moeten zijn de in zijn totaliteit te realiseren doelstelling volgens de publieke opdracht, in relatie met de verdeling van beschikbare middelen. Een extra moeilijkheid daarbij is dat de afwezigheid van commerciële financiering eveneens met zich meebrengt, dat het functioneren van de publieke omroep onderhevig is aan een budgetmechanisme, waarbij het uiteindelijke product tevens rekeneenheid is. Het gaat om een budget op basis van het gerealiseerde aantal uren radio­ of televisieprogramma, ongeacht de inhoud of kwaliteit daarvan. Met het oog daarop moet de Programmaraad de mogelijkheid hebben om, eventueel op voorstel van de directie van de SON, te komen tot tijdelijke specifieke toedeling van middelen om de kwaliteit van de omroep als geheel te bevorderen.
  Tegen deze achtergrond is het essentieel dat de publieke omroep zich richt op zijn kerntaak en dat de omroepbijdrage aan de verwezenlijking van die doelstelling wordt besteed. Mede omdat het functioneren van de publieke omroep niet berust op mechanismen van commerciële afweging, vergt dit een kritische doorlichting van de wenselijkheid en betekenis voor de publieke functie van andere taken die op dit moment worden vervuld of ten laste worden gebracht van de omroepbijdrage. Het bestaande bestel is een bouwwerk waarin elementen te herkennen zijn uit verschillende perioden. Zo zijn er elementen aanwezig die, hoewel ze geheel of gedeeltelijk hun functie hebben verloren, door iedereen als vanzelfsprekend worden beschouwd. Hoewel het te ver voert om in dit rapport op alle elementen uitputtend in te gaan, is een herbezinning op de aanwezigheid van deze elementen nodig. Hieronder worden enkele belangrijke genoemd.
  De Wereldomroep zou in de toekomst een beperkte taak kunnen krijgen. De primaire taak is, in de Mediawet vastgelegd, het uitzenden van programma's in de Nederlandse taal voor Nederlanders in het buitenland (incl. familieberichten). Deze functie rechtvaardigt niet de handhaving van een zelfstandige omroeporganisatie met de missie zoals deze in de loop van de tijd is geformuleerd. De betekenis voor het mediabeleid staat niet in een redelijke verhouding tot de kosten die daar op dit moment voor worden gemaakt. De taak zou dan ook beperkt kunnen worden tot het doorgeven van programma's die in Nederland via radio of televisie zijn uitgezonden. Eventuele taken in het kader van een internationaal cultuurbeleid of op het terrein van de ontwikkelingssamenwerking zouden gericht gefinancierd moeten worden uit de voor dat beleid beschikbare fondsen. Dit kan leiden tot een substantiële kostenbesparing op de omroepbegroting.
  Op dezelfde basis zou het functioneren van het Stimuleringsfonds heroverwogen kunnen worden. Het huidige Stimuleringsfonds ontleent zijn bestaansrecht aan de onvolkomenheden in het programma­aanbod van de omroepverenigingen binnen het huidige bestel. Bij een reorganisatie langs de geschetste lijnen mag worden verwacht dat het programma­aanbod van de omroepverenigingen meer op de opdracht van de publieke omroep zal zijn afgestemd. De functie van het Stimuleringsfonds kan daardoor aan belang inboeten; er kan nog een belang voor zijn in het steunen bij het produceren van programma's van bijzondere aard (vanwege het belang of de kosten daarvan). De betrokkenheid van het fonds zal echter moeten aansluiten bij de opbouw van het programma. Ook dient de taak te worden aangepast aan het functioneren van de netmanagers, waarbij de voorstellen moeten meedraaien in een normale budgetcyclus.
  Ook de financiering van het Muziek Centrum voor de omroep (omroeporkesten en omroepkoor) hoort niet thuis op de omroepbegroting. De oorsprong van deze instellingen ligt duidelijk bij de omroep, maar er is nu weinig meer dat die band rechtvaardigt. De uitgaven voor deze instellingen zijn vermoedelijk alleszins gerechtvaardigd, maar niet als onderdeel van het omroepbeleid doch als element van cultuurbeleid. Zij zouden daarom niet uit de omroepbijdrage gefinancierd moeten worden, maar direct ten laste gebracht moeten komen van de begroting van OCW. Op die wijze is ook een doelmatiger parlementaire controle op de hele cultuurbegroting mogelijk.
6.4.4 Programmeren en produceren. In de oorspronkelijke omroepverenigingen waren programmering, productie en uitzending vrijwel ongedifferentieerd in één hand verenigd. Geruime tijd zijn de omroepverenigingen naast de NOS ook vrijwel de enige producenten geweest. Bij een toenemend aantal potentiële opdrachtgevers hebben zich inmiddels een groot aantal zelfstandige producenten gevestigd. Een aantal hiervan blijkt thans in staat te zijn om ook de programma's te produceren die bij de aard en het karakter van de publieke omroep passen; omroepverenigingen zijn in toenemende mate van hun diensten gebruik gaan maken. De huidige omroepen laten zo een groot deel van het produceren van programma's over aan ongebonden producenten.
  Voor wat de omroepverenigingen betreft dient de keuze of televisie­ en radioproducties door henzelf geproduceerd worden of dat zij deze in opdracht laten maken, ook in de toekomst een zaak te zijn die zij zelf bepalen. In een duaal bestel is een ruim gebruik van die mogelijkheid welhaast onvermijdelijk. Binnen dat bestel zullen mededinging en groei tot een toenemende arbeidsdeling en differentiatie van de "productie" van omroep leiden. Mededinging en specialisatie kunnen bovendien de kwaliteit van de programma's en de flexibiliteit van de organisatie versterken. De combinatie van verantwoordelijkheden voor het programma enerzijds en de productie anderzijds dreigt op den duur afbreuk te doen aan de publieke functie. Het bergt het risico in zich dat de verantwoordelijkheid van een "omroep" als werkgever voor een productie­apparaat, voor gaat op zijn verantwoordelijkheid als publieke omroep voor de inhoud van het programma, hetgeen tot een sub optimaal resultaat en kwaliteit kan leiden.
  Scheiding en differentiatie van verantwoordelijkheden draagt kortom bij aan de flexibiliteit en doelmatigheid van de publieke omroep. Dat is anders bij gespecialiseerde producties, waarbij continuïteit, integriteit of andere overwegingen productie in eigen beheer wenselijk maken. Dat geldt sterk voor bijvoorbeeld het nieuws. Ook daar is de hedendaagse praktijk dat de beelden vaak van derden betrokken worden (CNN). Uit een oogpunt van mediabeleid is het echter van wezenlijk belang dat de publieke omroep het vermogen behoudt van een zelfstandige nieuwsvoorziening, om te voorkomen dat Nederland daarvoor geheel afhankelijk wordt van (buitenlandse) derden. Ook is het van belang dat specifieke deskundigheid, bijvoorbeeld op het terrein van educatieve programma's (Educom, Teleac, enzovoort), behouden blijft. Dit kan met zich meebrengen dat daar een apart programma­apparaat voor in stand gehouden wordt, binnen de SON; voor een deel van wettelijk te produceren programma's is dit denkbaar. Dit is echter een keuze die alleen met een zekere omzichtigheid gemaakt moet worden. Vanwege de beperkingen die aan de publieke omroep gesteld moeten worden met betrekking tot commerciële nevenactiviteiten zal de organisatie van dergelijke eenheden binnen de publieke omroep tot gevolg hebben dat hun capaciteit niet verder ten dienste van de publieke omroep benut kan worden. Het gevolg is dat de betrokken personen hun expertise dan zelf op de markt brengen en zo hun in het kader van de publieke omroep verkregen waarde, ten eigen nutte uitbaten. Continuïteit kan vaak al verzekerd worden door de garantie van een bepaalde afname, terwijl dit toch de mogelijkheid van een besteding tegen zo laag mogelijke kosten openhoudt. Ook bij de SON zal op den duur het aandeel van programmaproducties in eigen beheer derhalve moeten af nemen.
  Op de achtergrond speelt evenwel een algemene overweging van media­ en cultuurbeleid een rol; de wenselijkheid om een bepaald productievermogen in Nederland te behouden. Een zorg die traditioneel tot uitdrukking komt in de eis van het aandeel "eigen producties". Die zorg is legitiem, ook al kan betwijfeld worden of een dergelijke eis de beste methode is om deze te behartigen. In ieder geval rechtvaardigt die zorg niet een eis dat iedere omroepvereniging en ­organisatie een eigen productiecapaciteit handhaaft. Dat leidt tot versnippering, daardoor tot hogere kosten. Vermoedelijk ook tot een sneller verdwijnen van het vermogen dat men wil beschermen. Nederland heeft ook niet te klagen met een naar verhouding omvangrijk omroepbedrijf (NOB, Endemol). De positie van die bedrijfstak lijkt beter verzekerd door de vele omroepen in Nederland en de lage omroepbijdrage, dan door de eis van eigen producties. Onverminderd de beperkingen die het EG-recht stelt (en waar het gaat om bescherming van een nationale culturele identiteit, zijn deze beperkt) zal het minder gaan om eigen producties van de omroepverenigingen en ­organisaties, als wel om besteding van middelen in Nederland bij Nederlandse productiebedrijven. In Europees verband heeft Nederland zich steeds verzet tegen een soortgelijke eis op Europees niveau. Het doorslaggevend argument voor een dergelijke eis dient echter niet gelegen te zijn in overwegingen van isolationisme en vijandigheid jegens andere "culturen", maar in de overweging dat in een informatie­ en communicatie­samenleving het productievermogen op dit terrein tot een wezenlijk onderdeel van de infrastructuur behoort.
   
Previous
  Copyright © 1996 Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen