Logo  
  | home | authors | calendar colophon | links | newsgroups | newsfeed | new | printer version |  
volume 1
maart 1999

Diversiteit en innovatie in de Nederlandse populaire muziekcultuur

 





  Ontwikkelingen in de marktstructuur van de muziekindustrie in de periode 1980-1993
  door Henk Visser
Previous
  Als kunstvorm is populaire muziek gebaat bij diversiteit en vernieuwing. De productie en distributie van populaire muziek is echter een commerciële aangelegenheid en de muziekindustrie heeft daarom — naar men zegt — belang bij een homogene en voorspelbare marktstructuur. Het sociologisch onderzoek naar die spanningsrelatie vormt al geruime tijd een belangrijk aandachtspunt in de studie van de populaire muziek. Hier doet Henk Visser verslag van zijn onderzoek naar diversiteit, innovatie en concentratie in de muziekindustrie voor de Nederlandse markt in de periode 1980-1993.

1 Marktstructuur, diversiteit en innovatie. In deze bijdrage beschrijf ik in hoofdlijnen mijn afstudeeronderzoek dat ik augustus 1994 heb afgerond. In dat onderzoek ben ik nagegaan of er sprake is van een samenhang tussen economische en culturele processen in de Nederlandse muziekindustrie. Iets specifieker: ik heb onderzocht of er in Nederland op het gebied van populaire muziek een samenhang waarneembaar was tussen ontwikkelingen in de marktstructuur en ontwikkelingen in de mate van de diversiteit en innovatie van muzikaal product anderzijds.
  Voordat ik iedereen meteen zal inwijden in de conclusies van mijn onderzoek, zal ik eerst iets vertellen over de theoretische achtergrond van mijn verhaal, de context waarbinnen mijn afstudeeronderzoek geplaatst moet worden. Daarna zal ik duidelijk proberen te maken hoe ik het onderzoek heb opgezet. Hierna zullen de onderzoeksresultaten worden opgesomd, waarna de conclusies van het onderzoek aan de beurt zijn.
2

Het perspectief van Horkheimer en Adorno. In hun boek Dialectiek van de verlichting geven Max Horkheimer en Theodor W. Adorno (1944) een aantal kenmerken welke de massacultuur in een kapitalistische samenleving karakteriseren. De trend tot homogenisatie neemt daarbij een centrale plaats in. Horkheimer en Adorno stellen, dat er in een kapitalistisch, commercieel systeem een minder grote verscheidenheid aan culturele uitingen voor de mensen beschikbaar komt. In plaats van nieuwe ideeën, boodschappen, normen en waarden die in culturele uitingen en vormen naar voren komen, is er volgens hen juist sprake van een vermindering van het aantal nieuwe ideeën dat geïntroduceerd wordt. Oude ideeën worden keer op keer herhaald. Hierdoor wordt de cultuur niet meer gekarakteriseerd door diversiteit maar gereduceerd tot een herhaling van een relatief klein spectrum van ideeën, die slechts langzaam en onder grote weerstand verandert.

Deze filosofie van Horkheimer en Adorno is één van de duidelijkste representanten van de algemene notie dat een kapitalistisch systeem en creativiteit met elkaar op gespannen voet staan. Een toename van economische macht van slechts enkele producenten wordt gezien als een bedreiging voor een "gezonde" cultuur. Deze "gezonde" cultuur wordt gekenmerkt door een hoge mate van diversiteit en innovatie. Groter wordende macht van slechts enkele producenten zou leiden tot een homogenisatie van cultureel product. Oligopolievorming betekent de nekslag voor culturele diversiteit.

  Je kunt je natuurlijk afvragen of deze notie vandaag de dag nog steeds opgaat. Dat heb ik dan ook gedaan. De probleemstelling van mijn onderzoek kan daarmee als volgt worden geformuleerd: "Gaat de notie dat in een kapitalistisch, commercieel systeem, cultuur wordt gekenmerkt door een toename in homogeniteit van cultureel productie, tegenwoordig nog steeds op?" Deze stelling kan op geldigheid worden onderzocht door het gehele scala aan culturele uitingen te analyseren. Dit is een vrij nobel streven, zeker binnen het tijdsbestek van een afstudeeropdracht. Ik heb daarom gekozen voor één uitingsvorm en dat was de Nederlandse populaire muziekcultuur.
  In de sociaalwetenschappelijke literatuur wordt het begrip populaire muziek vaak gebruikt zonder dat men duidelijk aangeeft waar men daadwerkelijk over spreekt. Men gaat er veelal vanuit dat het bekend is wat onder het begrip populaire muziek wordt verstaan. Paul Rutten (1992) maakt melding van dit probleem. In zijn boek Hitmuziek in Nederland, 1960-1985 komt hij met een definitie van populaire muziek die ik voor deze studie zal overnemen: "Onder populaire muziek wordt verstaan de verzameling van de muzieksoorten en -genres die een centrale plaats inneemt in een geïndustrialiseerde samenleving, geproduceerd onder auspiciën van de muziekindustrie en verspreid via massamedia" (Rutten, 1992: 36)
  Naar mijn mening is populaire muziek een geschikt onderzoeksveld om de geldigheid van de in de probleemstelling geponeerde stelling te testen. Hiervoor zijn de volgende redenen naar voren te brengen: ten eerste is populaire muziek een essentieel onderdeel van populaire cultuur in een kapitalistische maatschappij (zie: Rutten, 1992: 34); ten tweede is er op het gebied van populaire muziek reeds veel gepubliceerd; en ten derde zijn er veel systematische data te verkrijgen met betrekking tot populaire muziek. Alvorens meteen uit te wijden over de manier waarop ik het onderzoek heb aangepakt, wil ik eerst iets vertellen over de theoretische en wetenschappelijke achtergrond van mijn onderzoek.
  In de loop van tijd hebben zich op het gebied van de productie van goederen vele veranderingen voorgedaan. Eén van die veranderingen was de komst van de industriële productiemethoden. Hiermee is het mogelijk geworden op grote schaal goederen te produceren en te reproduceren. Cultuurgoederen vormen hierop geen uitzondering. Of je nu een wasmachine, een boek, een auto of een ceedeetje wilt maken, het kan allemaal en tegenwoordig zelfs met honderden per uur tegelijk. Was voor de opkomst van de cultuurindustrie de cultuur, en het doorgeven ervan, het domein van instanties als de kerk, de staat, het gezin, de school of een gezelschap intellectuelen, tegenwoordig is de nieuwe cultuur, de zogenaamde massacultuur, koopwaar geworden. Ze wordt geproduceerd door bedrijven met een commerciële instelling en hierdoor is de productie van cultuur onderschikt gemaakt aan de wetten van vraag en aanbod. Horkheimer en Adorno, twee auteurs behorende tot de cultuurpessimistische Frankfurter Schule, spreken dan ook van een "cultuurindustrie".
  Dit laatste geldt ook voor de muziekindustrie. De muziekindustrie is in de meeste gevallen een commercieel opererende bedrijfstak, die in de loop van tijd een belangrijke plaats binnen de globale media-industrie heeft ingenomen. Het is een industrie waarin culturele goederen door middel van massaproductie en volgens een strategie, gebaseerd op economische overwegingen, worden geproduceerd, gereproduceerd en gedistribueerd. De muziekindustrie is dan ook een onmiskenbaar onderdeel van de hedendaagse cultuurindustrie.
  In de theorieën van de Frankfurter Schule wordt het kapitalistisch systeem gezien als een bedreiging voor een "gezonde", zich door diversiteit kenmerkende, cultuur. Een onderzoekstraditie die hier goed op aansluit, is die waarbij de samenhang tussen economische en culturele processen, en dan in het bijzonder de samenhang tussen concentratie — een gevolg van het kapitalistisch systeem — in de marktstructuur enerzijds en diversiteit en innovatie in aangeboden producten anderzijds centraal staat.
3

Onderzoek in Amerika en Zweden. Het in 1975 gepubliceerde artikel Cycles in symbol production: the case of popular music van Peterson en Berger heeft, voor wat betreft de uitwerking van dergelijk onderzoek op het gebied van de muziekindustrie, aan het begin van deze onderzoekstraditie gestaan. In hun onderzoek gebruikten zij economische gegevens om processen, die zich op cultureel gebied voordoen, te verklaren. Ze onderzochten: "(1) the relationship between market concentration and homogeneity of the cultural product, and (2) the form of changes in these variables over time" (Peterson en Berger, 1975: 140).

Op basis van hun onderzoek, dat de periode van 1948 tot en met 1973 bestreek, concludeerden zij dat: "(1) the degree of diversity of musical product is inversely related to the degree of market concentration; (2) the cycle consists of a relatively long period of gradually increasing concentration and homogeneity followed by a brief burst of competition and creativity" (Peterson en Berger, 1975, p 156).

  Zij stuitten dus op een negatieve samenhang tussen de mate van concentratie in de marktstructuur en de mate van diversiteit van muzikaal product. In hetzelfde artikel deden Peterson en Berger tevens de voorspelling dat de jaren tachtig zouden worden gekenmerkt door een toenemende mate van concentratie, gepaard gaande met een verder toenemende mate van homogeniteit. Voor Rothenbuhler en Dimmick (1982) vormde deze voorspelling de aanleiding om het onderzoek van Peterson en Berger te repliceren voor de jaren tachtig. Op basis van hun onderzoek voor de periode van 1974 tot en met 1980 concludeerden zij: "Concentration in the [music] industry is at its highest level since the 1948-1955 period and, as a consequence, the choices confronting the consumer in the marketplace of popular music are corresponding low" (Rothenbuhler en Dimmick, 1982: 148). De conclusies en de voorspelling van Peterson en Berger werden dus bevestigd. Concentratie in de marktstructuur werd gezien als een bedreiging voor culturele diversiteit.
  In 1990 publiceert Robert Burnett het resultaat van een soortgelijk onderzoek voor de Zweedse muziekindustrie. In zijn onderzoek Concentration and diversity in the international phonogram industry ontdekte Burnett een trend die tegenstrijdig is met de resultaten zoals die door Peterson en Berger en Rothenbuhler en Dimmick gevonden werden. In dit onderzoek, dat loopt van 1948 tot en met 1989, komt Burnett namelijk tot de volgende conclusie: "... the record industry, at least temporarily, has found the key to a system in which both concentration and diversity remain high" (Burnett, 1990: 160).
  Burnett duidt op een situatie waarin er zowel sprake is van een hoge mate van concentratie als een hoge mate van diversiteit. Bovendien komt Burnett tot de conclusie dat er sprake is van wederzijdse beïnvloeding. Hij ontdekt dat niet alleen veranderingen in de mate van concentratie een verandering in de mate van diversiteit kunnen veroorzaken (dit effect is na drie jaar merkbaar), maar dat daarnaast veranderingen in de mate van diversiteit, veranderingen in de mate van concentratie tot gevolg hebben (dit effect is na twee jaar merkbaar). Veranderingen in de mate van concentratie hebben meer tijd nodig om effect te sorteren op het muzikale consumptiepatroon, dan dat platenmaatschappijen op nieuwe trends bij de consumenten reageren. Als oorzaak hiervan noemt Burnett het volgende: "This result is consistent with the fact that consumers are able to shift their purchases relatively quickly, thereby affecting the marketshare of the leading firms. (...) Culture producers require somewhat more time either to create and market new records reflecting new aesthetic trends or to chance the structure of firms through acquisitions and other organizational strategies for enhancing marketshares" (Burnett, 1990: 155).
  Het onderzoek van Lopes (1992) ondersteunt de conclusies van Burnett. Ook hij stuit in zijn onderzoek, dat de periode 1960 tot en met 1989 omvat, op een situatie in de muziekindustrie waarbij er sprake is van zowel een hoge mate van concentratie als een hoge mate van diversiteit en innovatie. Lopes concludeert: "... contrary to their [Peterson en Berger's] assumption that high market concentration leads to homogeneity and standardization in popular music, innovation and diversity in high market concentration depends on the system of development and production used by major record companies. Major record companies develop an open system of development and production that incorporates innovation and diversity as an affective strategy in maintaining the viability and control of the market" (Lopes, 1992: 56).
  Lopes is dus van mening dat de mate van diversiteit en innovatie afhangt van het systeem van productie en ontwikkeling bij de grote platenmaatschappijen. In de jaren vijftig en zestig was dit systeem van productie en ontwikkeling "gesloten". Als kleine maatschappijen in die tijd succesvol waren met een artiest dan bestonden er twee mogelijkheden. Of een "major" kocht de kleine maatschappij op en deelde zo mee in het succes. Of een "major" liet één van haar eigen artiesten het nummer kopiëren en als gevolg van de betere distributie die een "major" had en natuurlijk haar grotere controle over de muziekindustrie, concurreerde men de oorspronkelijke artiest weg en haalde het succes naar zich toe.
  In de loop der jaren is er een "open systeem" ontstaan. Grote platenmaatschappijen hebben in de loop van tijd meer semi-autonome divisies binnen hun eigen bedrijf gecreëerd. Deze hebben op hun beurt weer meer contact met kleine onafhankelijke maatschappijen. Op deze manier kunnen de "majors" sneller reageren op de onvoorspelbaarheid van de muziekmarkt en verzekeren ze zich ervan dat nieuwe artiesten en ook nieuwe muzikale genres sneller in het bedrijfsgebeuren van de grote platenmaatschappijen kunnen worden ingelijfd. Deze strategie zorgt ervoor dat "majors" zowel de controle, als ook de levensvatbaarheid van de markt behouden.
  Hier moet wel nog bij worden toegevoegd dat Lopes uitging van albumlijsten in plaats van singleslijsten. Dit deed hij omdat de single naar zijn mening niet meer het dominante medium van de hedendaagse populaire muziekcultuur is. Deze functie is overgenomen door de albums. Derhalve vormen albumlijsten een betere afspiegeling van de populaire muziekcultuur.
4

Onderzoek in Nederland. Christianen (1995) onderzocht voor de Nederlandse muziekindustrie of cycli die zich in de muziekindustrie voordoen, invloed hebben op de culturele functie van de muziekindustrie. Hij vraagt zich af of die cycli de grootte en de diversiteit van het aanbod van muziek beïnvloeden, en zo ja op welke manier. De resultaten van zijn analyse van de populaire muziekcultuur in Nederland duiden op een inverse relatie tussen concentratie enerzijds en diversiteit en innovatie anderzijds. In deze inverse relatie, die overigens zeer zwak is, vormt concentratie de leidende variabele en is er geen sprake van wederzijdse beïnvloeding zoals dat in het onderzoek van Burnett (1990) naar voren komt. Net als Lopes maakt Christianen voor zijn onderzoek gebruik van albums. Christianen gaat echter niet uit van albumlijsten maar hij betrekt, gebruikmakend van de catalogus van de muziekbibliotheek van Rotterdam, alle in een jaar uitgekomen albums in zijn onderzoek. Hij baseert zijn conclusies dus op een analyse van het aanbod.

Deze keuze heeft tot gevolg dat er voorbij gegaan wordt aan de smaak van het publiek. Wat de consumenten kopen wordt in het onderzoek niet meegenomen. Een album dat honderd keer verkocht wordt, is in zijn onderzoek net zo belangrijk als een album dat honderdduizend keer verkocht wordt. De diversiteit die Christianen meet indiceert niet de diversiteit die het resultaat is van een cultureel proces welke zich bij de consumenten heeft afgespeeld, maar indiceert de diversiteit van het aanbod van de muziekindustrie. In zijn onderzoek wordt de mate van diversiteit en innovatie van de populaire muziekcultuur, welke deze tot stand komt doordat consumenten bepaalde platen niet en anderen massaal wel kopen, niet meegenomen. Door te kiezen voor een dergelijke manier van onderzoek gaat Christianen voorbij aan een groot deel van het culturele proces. Met name dat deel wat zich aan de kant van het publiek afspeelt. Terwijl dat ook een belangrijk onderdeel is van het proces dat tot de totstandkoming van de populaire muziekcultuur leidt.

  De sterkte van het verband varieert met de loop van de jaren (onderzoeksperiode 1975-1992). Dit is volgens Christianen het gevolg van incidenten als bijvoorbeeld een onverwachts groot succes voor één platenmaatschappij (Polydor in 1979 met Grease en Saturday Night Fever), toetreding van nieuwe platenmaatschappijen en de introductie van de CD. Een model dat veranderingen in diversiteit en innovatie alleen wil verklaren uit fluctuaties in de mate van concentratie en de marktstructuur is naar de mening van Christianen te beperkt en niet flexibel genoeg. Daarom probeert hij in zijn onderzoek te komen tot een model waarin naar meer factoren dan alleen de mate van concentratie wordt gekeken. Hij plaatst het concentratie en diversiteit-model in een theorie met betrekking tot industriële organisatie. Hierin worden factoren als basiscondities (sociale, economische, politieke en technologische variabelen, marktstructuur, bedrijfsmatig handelen en resultaten — diversiteit en innovatie) opgenomen. Hij doet dit omdat in dit model variabelen naar voren komen die ook invloed kunnen hebben op de mate van diversiteit en innovatie.
  Zo ontdekt Christianen dat de vraag naar muziek negatief samenhangt met concentratie — met een reactietijd van drie à vier jaar. Een grote vraag leidt drie tot vier jaar later tot daling in de mate van concentratie. Een dalende vraag gaat echter samen met een stijging in de mate van concentratie. Tevens vindt Christianen een sterke, positieve samenhang tussen vraag enerzijds en diversiteit en innovatie anderzijds. Ook de prijs blijkt, met betrekking tot diversiteit en innovatie, van belang te zijn. Hier doet zich een vreemde situatie voor. Er is hier sprake van een positieve relatie tussen de prijs en de mate van diversiteit en innovatie. Op het moment dat de prijs stijgt, stijgt tevens de mate van diversiteit en innovatie.
5

Veranderingen in de populaire muziekcultuur. Een aantal veranderingen met betrekking tot de populaire muziekcultuur zijn in dit overzicht naar voren gekomen: (1) singles zijn niet meer het dominante medium in de muziekindustrie. De albums hebben deze rol overgenomen; (2) tot ongeveer halverwege de jaren tachtig was er nog sprake van een inverse relatie tussen concentratie enerzijds en diversiteit en innovatie anderzijds, daarna ontstond echter een situatie waarbij er zowel sprake was van een hoge mate van concentratie als een hoge mate van diversiteit en innovatie; (3) het systeem van productie en ontwikkeling binnen de muziekindustrie is veranderd: was dat voorheen gesloten, tegenwoordig is er sprake van een open systeem dat innovatie en diversiteit in zich herbergt als zijnde een effectieve strategie om de levensvatbaarheid van en controle over de markt te behouden — dit kan wel eens een belangrijke verklarende factor zijn voor de conclusies van Burnett en Lopes dat een hoge mate van concentratie samengaat met een hoge mate van diversiteit; (4) om met een verklaring voor de veranderingen in diversiteit en innovatie te kunnen komen moet misschien wel verder gekeken worden dan alleen naar de invloed van fluctuaties in de mate van concentratie in de marktstructuur.

Uit bovenstaand overzicht is duidelijk gebleken dat de onderzoeken van Peterson en Berger en Rothenbuhler en Dimmick gedaan werden in een tijd dat de internationale muziekindustrie anders gestructureerd was dan tegenwoordig het geval is. Veranderingen, zoals hierboven beschreven staan, moeten in een nieuw onderzoek worden meegenomen. Het was mijn bedoeling om het onderzoek zoals dat door Peterson en Berger is uitgevoerd te repliceren, maar dan wel rekening houdend met nieuwe inzichten die in de loop tijd door de onderzoeken van andere auteurs naar voren zijn gekomen.

  De doelstelling van mijn onderzoek was dus om inzicht te verkrijgen in eventuele samenhang tussen economische processen en culturele processen op het gebied van de Nederlandse populaire muziekcultuur. Dit heb ik geprobeerd te bereiken door de volgende drie vragen te beantwoorden: (1) Is er in de Nederlandse populaire muziekcultuur een samenhang tussen concentratie enerzijds en diversiteit en innovatie anderzijds waarneembaar en zo ja, welke vorm neemt deze aan? (2) Welke factoren liggen ten grondslag aan veranderingen in de mate van innovatie en diversiteit? (3) Welke factoren liggen ten grondslag aan geconstateerde samenhangen?
  De eerste vraag heb ik beantwoord aan de hand van een analyse van de Nederlandse albumlijsten gedurende de periode 1980-1993. Daarnaast heb ik door middel van een literatuurstudie en interviews met mensen uit de muziekindustrie een dermate inzicht in de werking van de muziekindustrie verkregen dat deze als basis voor volledige beantwoording van de laatste twee vragen kon dienen.
6

Albumanalyse. Ik heb gekozen voor een analyse van de Nederlandse albumlijsten in plaats van de single-lijsten, zoals in vele onderzoeken het geval is, en wel om de volgende drie redenen. Ten eerste is de single-verkoop is, vergeleken met de albumverkoop, vrij minimaal — tegenover een omzet van 50 miljoen gulden aan singles stond in 1992 een omzet van 1.096 miljoen gulden aan albums; bron: NVPI cijferschrift 1992. In de populaire muziekcultuur is het album — de CD en in een steeds minder mate de elpee — het dominante medium geworden. Singles functioneren tegenwoordig meer als promotiemiddel voor een album, dan dat ze voor de platenmaatschappijen een doel op zich vormen. Ten tweede is een single-lijst wat betreft de totstandkoming een minder betrouwbare indicator voor de verkoop omdat deze tevens op basis van airplay wordt bepaald. Een albumlijst komt tot stand op basis van alleen consumentenverkopen. Om deze redenen is de albumlijst een voor de hand liggende keuze. De derde en belangrijkste reden voor de keuze van een albumlijst is dat ik met dit onderzoek een samenhang probeer na te gaan tussen economische en culturele processen. Naar mijn mening is de keuze voor een albumlijst in dit licht bekeken logisch omdat deze een indicator is van een cultureel proces. Een albumlijst is immers een resultante van een cultureel proces omdat deze tot stand komt op basis van consumentaankopen.

Wat betreft de analyse van de albumlijsten ben ik uitgegaan van de top 50 van jaarlijkse lijst van de honderd best verkopende albums. Ik heb me beperkt tot de eerste 50 omdat het betrekken van de nummers 51 tot en met 100 bij het onderzoek slechts tot marginale, niet significante verschillen leidt. Het onderzoek had betrekking op de periode 1980 tot en met 1993. Tijdens het onderzoek had ik te maken met drie variabelen: concentratie, diversiteit en innovatie. Deze drie variabelen heb ik op de volgende manieren gemeten.

  De mate van concentratie is vastgesteld aan de hand van: (1) het cumulatieve marktaandeel van de zes grootste platen maatschappijen; (2) het totaal aantal platenmaatschappijen; (3) het aantal labels. Wat misschien opvalt is dat de mate van concentratie niet aan de hand van het aandeel van de platenmaatschappijen in de albumlijsten wordt gemeten, zoals in vele onderzoeken gedaan wordt, maar aan de hand van het economisch marktaandeel. Dit heb ik gedaan omdat ik van mening ben dat bij een onderzoek naar een relatie tussen enerzijds de marktstructuur — de mate van concentratie — en diversiteit en innovatie van cultureel product anderzijds, er voor een indicator van de marktstructuur gekozen moet worden die deze zo goed mogelijk beschrijft. Wordt concentratie gemeten aan de hand van de albumlijsten dan ga je uit van een indicator van een economisch gegeven dat tot stand is gekomen op basis van een cultureel proces, namelijk consumentenaankopen. Een economisch marktaandeel is daarom een betere indicator dan een aandeel in de albumlijsten dat is.
  Daarnaast is het zo dat de keuze tussen de meetmethode afhankelijk is van de definitie van populaire muziekcultuur. In deze studie wordt hieronder verstaan: "alle muzieksoorten en genres die een centrale plaats innemen in een geïndustrialiseerde samenleving, geproduceerd onder auspiciën van de muziekindustrie en verspreid via massamedia". De kern hiervan is hitmuziek, zoals deze naar voren komt in de album- en hitlijsten. Bovenstaande definitie brengt met zich mee dat er voor het economisch marktaandeel als indicator voor de marktstructuur moet worden gekozen. Immers, de definitie dekt alle populaire muziek en niet alleen de hitmuziek. Ga je uit van een definitie waarbij populaire muziek als hitmuziek wordt gedefinieerd dan zou voor een marktaandeel op basis van albumlijsten moeten worden gekozen.
  Diversiteit is gemeten aan de hand van drie criteria: (1) het gemiddeld aantal weken dat de albums die in de jaarlijsten voorkomen in de albumlijsten gestaan hebben (als dit kengetal daalt, ga ik ervan uit dat de diversiteit in de albumlijsten daalt; in het geval van een stijging van het gemiddeld aantal weken daalt de roulatie in de lijsten. De albums blijven langer genoteerd staan. Dit heeft tot gevolg dat er in totaal minder albums tot de albumlijsten zullen weten door te dringen); (2) het land van herkomst; (3) het aantal genres.
  Omdat bovenstaande indicatoren allen puur kwantitatief van aard zijn, is het naar mijn mening noodzakelijk een kwalitatieve indicator in het onderzoek mee te nemen om hiermee het meest manifeste aspect van de albums in de albumlijsten, de muziek zelf in het onderzoek te kunnen meenemen. Met de overige indicatoren kan geen onderscheid tussen de muziek, wat toch het meest directe verschil tussen muziekstukken is, gemaakt worden. Door middel van een genre-aanduiding kan dit probleem worden opgelost.
  Innovatie werd op de volgende manieren gemeten: (1) het aantal debuutalbums; (2) het aantal verzamelalbums; omdat op verzamelalbums voornamelijk oud materiaal voorkomt kan een toename van het aantal verzamelalbums worden gezien als een bedreiging voor de mate van innovatie; (3) het aantal nieuwe genres.
7

Een samenvatting van de resultaten. De onderzoeksgegevens die tijdens het onderzoek naar voren zijn gekomen, heb ik geanalyseerd met behulp van het statistisch programma SPSS-PC+. Teneinde een opsomming van alleen maar cijfers te vermijden, zal ik op deze plaats volstaan met het presenteren van de belangrijkste resultaten.

Samenvattend mag gesteld worden dat er in de Nederlandse populaire muziekcultuur sprake was van een stabiele marktsituatie. Slechts bij de ontwikkeling van het cumulatieve marktaandeel van de zes grootste platenmaatschappijen viel bij beide meetmethoden een lichte trend tot een toenemende mate van concentratie te ontdekken.

  Duidelijk is geworden dat de mainstream van de populaire muziekcultuur zoals die in de top 50 van de album-jaarlijsten naar voren komt, in de loop van de onderzoeksperiode minder divers is geworden. Het gemiddeld aantal weken dat de betrokken albums in de albumlijsten gestaan hebben is gedurende de onderzoeksperiode sterk gestegen. Het aantal genres voorkomend in de album-jaarlijsten is constant gebleven. Het aandeel van de drie grootste genres is in de loop der jaren echter toegenomen. De enige ontwikkeling die de diversiteit ten goede is gekomen is het feit dat in de loop der jaren het aandeel van artiesten uit de categorie "elders" — andere landen dan Amerika, Engeland en Nederland — meer ruimte heeft gekregen.
  Het blijkt dat er een sterke positieve samenhang bestaat tussen het economisch marktaandeel en het gemiddeld aantal weken dat de albums die in de top 50 van de best verkopende albums van ieder jaar voorkomen, in de wekelijkse albumlijsten hebben gestaan.
  Daarnaast is er sprake van een negatieve samenhang tussen het economisch marktaandeel en het aandeel van het Nederlands product in de albumlijsten. Met het aandeel van Amerikaans, Engels product werd geen samenhang met het economisch marktaandeel gevonden. Dit geldt tevens voor artiesten die uit overige landen komen. Met het marktaandeel op basis van de albumlijsten viel op het gebied van het land van herkomst twee samenhangen te constateren. Er is sprake van een positieve samenhang met het aandeel van Engelse artiesten en er is sprake van een negatieve relatie met het aandeel van Nederlands product.
  Het innovatieve karakter werd in dit onderzoek geïndiceerd aan de hand van het aantal debuutalbums, het aantal verzamelalbums en het aantal nieuwe genres. Het aantal debuutalbums bleek in de loop van de onderzoeksperiode licht te zijn gedaald. Het aantal verzamelalbums is behoudens een daling gedurende de periode 1982-1986 duidelijk toegenomen. In deze periode wist één echt nieuw genre tot de top 50 van de jaarlijks best verkopende albums door te dringen. Qua aandeel in de totale lijst was de betekenis van dit genre, net als drie ander relatief "nieuwe" genres marginaal te noemen, en is dit bovendien ook gebleven.
  Statistische analyse wees twee soorten samenhangen aan. Een positieve samenhang tussen het marktaandeel op basis van de albumlijsten en het aantal debuutalbums. Bovendien werd een sterke positieve samenhang tussen het economisch marktaandeel en het aantal verzamelalbums gevonden. Een nog sterkere positieve samenhang werd gevonden voor het aantal verzamelalbums van diverse artiesten.
8

Interviews. Na deze fase in het onderzoek heb ik een aantal interviews gehouden met mensen werkzaam in de muziekindustrie. Op basis van deze interviews, alles wat ik al wist en mijn onderzoeksgegevens heb ik de aan het begin van het onderzoek gestelde onderzoeksvragen over de mate van concentratie, diversiteit en innovatie kunnen beantwoorden. Deze antwoorden zullen uiteindelijk leiden tot een beantwoording van de probleemstelling.

Op het punt van de concentratie blijkt, dat er gedurende de onderzoeksperiode op de Nederlands muziekmarkt sprake was van een stabiele marktsituatie. De mate van concentratie, gemeten aan de hand van het cumulatief economisch marktaandeel van de zes grootste platenmaatschappijen, is in de loop van tijd licht toegenomen. Er blijft dus minder ruimte over voor de overige, kleinere platenmaatschappijen. Ook het gezamenlijk marktaandeel van de zes grootste platenmaatschappijen, gemeten aan de hand van het aandeel van maatschappijen in de lijsten van de vijftig jaarlijks meest verkochte albums, gaf een lichte stijging te zien. Op het gebied van de mainstream van de populaire muziekcultuur is derhalve de controle van de zes grootste platenmaatschappijen licht toegenomen en zijn de kansen op zelfstandig succes voor de kleine maatschappijen afgenomen. Tussen de twee methoden voor het meten van marktaandelen bleek een sterke, positieve samenhang te bestaan (Pearson's R = 0.48). Voor mijn betoog zal ik echter mijn conclusies baseren op de samenhang met het economisch marktaandeel.

  Wat betreft de diversiteit kan het volgende worden geconcludeerd. In dit onderzoek werd de diversiteit van de mainstream van de populaire muziekcultuur geïndiceerd door middel van drie variabelen. De eerste variabele was het gemiddeld aantal weken dat de albums in de lijsten genoteerd hadden gestaan. Dit gemiddelde was zeer sterk toegenomen. De roulatie van albums die in de albumlijsten staan is derhalve sterk afgenomen. Dit heeft uiteraard negatieve gevolgen voor het aantal albums dat tot de wekelijkse albums weet door te dringen. Het is zeer spijtig dat ik omtrent het totaal aantal albums, dat ieder jaar tot de albumlijsten heeft weten door te dringen, geen informatie heb kunnen verkrijgen. In ieder geval is een stijging van het gemiddeld aantal weken een indicatie voor het feit dat albums langer een hit-album blijven. Een tweede variabele was het land van herkomst van de albums. Op dit gebied was sprake van een toename van het aandeel van albums uit andere landen dan de Verenigde Staten, Engeland en Nederland (de landen die het grootste deel van de albumlijsten bezetten). De ontwikkeling in deze variabele is de enige die een positief effect heeft gehad op de mate van diversiteit. Overigens was deze toename voor het grootste deel ten koste gegaan van het aandeel van Nederlands product in de lijsten. De derde variabele was het aantal genres die in de betrokken lijsten naar voren kwam. Hier viel op dat dit aantal, gedurende de onderzoeksperiode, vrij stabiel is geweest. Het concentreerde zich, zonder grote afwijkingen, rondom een gemiddelde van tien genres. Wel was er bij het aandeel van de drie grootste genres een lichte stijging te ontdekken.
  Kort samengevat: (1) het gemiddeld aantal weken dat de in het onderzoek betrokken albums in de albumlijsten genoteerd stonden is drastisch toegenomen; (2) het aandeel van albums uit andere vreemde landen dan de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk is toegenomen; (3) het aantal genres zelf is vrij stabiel gebleven. Het aandeel van de drie grootste genres is in de loop van de onderzoeksperiode licht toegenomen. De ontwikkelingen in het gemiddeld aantal weken en het aantal genres tellen voor mij het zwaarst mee voor het trekken van een conclusie met betrekking de ontwikkeling in de mate van diversiteit. Aan de hand van de ontwikkelingen in de drie bovenstaande variabelen die indicatief zijn voor de mate van diversiteit van de mainstream van de populaire muziekcultuur mag worden geconcludeerd dat deze in de loop van de onderzoeksperiode licht is gedaald.
  Het innovatieve karakter werd in dit onderzoek door middel van drie variabelen geïndiceerd. De eerste was het aantal debuutalbums die in de albumlijsten staan. Dit aantal is gedurende de periode 1980-1993 afgenomen. Met andere woorden de mainstream van de populaire muziekcultuur bestaat voor een langzaam groter wordend deel uit reeds gevestigde artiesten en bands. Voor de platenmaatschappijen brengt het uitbrengen van dergelijk albums minder risico's met zich mee, dan wanneer zij een album van een nieuwe band of artiest uitbrengen. Omdat het reëel is te verwachten dat er van deze albums (veel) meer exemplaren worden verkochten dan van debuutalbums krijgen deze albums in de meeste gevallen een groter promotie-budget toegewezen. In de praktijk blijkt dat beginnende bands of artiesten veelal de concurrentieslag met de reeds gevestigde acts verliezen. De tweede variabele die een indicator voor de mate van innovatie vormt, is het aantal verzamelalbums dat in de albumlijsten staat. Dit aantal is gedurende de onderzoeksperiode gestegen. Deze stijging gaat ten koste van de mate van innovatie in de albumlijsten. Verzamelalbums bestaan immers voornamelijk uit reeds eerder uitgebracht materiaal en voegen op deze manier niet iets nieuws aan de populaire muziekcultuur toe. De laatste variabele die gebruikt wordt als indicator voor het innovatieve karakter van de albumlijsten, is het aantal nieuwe genres die in de albumlijsten voorkomen. Gedurende de onderzoeksperiode wisten slechts drie nieuwe genres tot de albumlijsten door te dringen. Eén hiervan — Hip Hop / Rap — bleek in de loop van tijd, wat betreft haar aandeel in de vijftig jaarlijks meest verkochte albums van marginale betekenis en de andere twee — House Dance en Metal) moeten hun belang nog bewijzen omdat deze twee genres pas in 1992 tot de albumlijsten wisten door te dringen.
  Kort samengevat: (1) tijdens de periode 1980-1993 is het aantal debuutalbums gedaald; (2) gedurende deze periode was er sprake van een stijging in het aantal verzamelalbums; (3) in de loop van de onderzoeksperiode wisten slechts drie nieuwe genres tot de mainstream van de Nederlandse populaire muziek door te dringen. Van deze drie was slechts één genre een echt nieuw genre. Op basis hiervan kan geconcludeerd kan worden dat gedurende de onderzoeksperiode de albumlijsten een weinig innovatief karakter hebben gehad en dat dit in de loop van de periode 1980-1993 is afgenomen.
  Uit bovenstaande resultaten komt duidelijk naar voren dat de mainstream van de popmuziek in Nederland in de loop van de onderzoeksperiode in homogeniteit is toegenomen. De onderzoeksresultaten duiden op een daling van de mate van diversiteit en innovatie. De ontwikkelingen die zich op het gebied van de Nederlandse populaire muziekcultuur hebben voorgedaan, hebben geleid tot een verschraling van muzikaal product. Om echter tot een volledige beantwoording van de probleemstelling te komen moet er tevens worden onderzocht of er in de Nederlandse muziekindustrie sprake is van een samenhang tussen de mate van concentratie enerzijds en de mate van diversiteit en innovatie anderzijds. Is er sprake van een negatieve samenhang — een toename van concentratie gaat samen met een afname van de mate van diversiteit en innovatie — dan mag geconcludeerd worden dat de probleemstelling ondersteund wordt. Om hier een uitspraak over te kunnen doen zal in de volgende paragraaf de in het onderzoek naar voren gekomen samenhangen worden behandeld.
9 Samenhangen. Met behulp van het statistisch programma SPSS-PC+ heb ik de gegevens aan een statistische analyse onderworpen. Doelstelling hiervan was te ontdekken of er tussen bepaalde variabelen relevante samenhangen bestaan. Uit deze analyse is het volgende gebleken:
  1. Er is sprake van sterke, positieve samenhang tussen het economisch marktaandeel en het gemiddeld aantal weken. Met andere woorden, als het economisch marktaandeel toeneemt, neemt ook het gemiddeld aantal weken dat de albums die in de top 50 van de album-jaarlijsten staan toe. Deze samenhang gaat ten koste van de diversiteit van de Nederlandse populaire muziekcultuur.
  2. Tussen het economisch marktaandeel en het aandeel van Nederlands product bestaat een sterke, negatieve relatie. Als het economisch marktaandeel toeneemt, gaat dit samen met een afname van het aandeel van het Nederlands product in top 50 van de album-jaarlijsten. Ook deze samenhang gaat ten koste van de diversiteit van de Nederlandse populaire muziekcultuur.
  3. Het economisch marktaandeel vertoont zowel met het totaal aantal verzamelalbums als met het aantal verzamelalbums met diverse artiesten een sterke, positieve samenhang. Hier geldt dat als het economisch marktaandeel toeneemt, het totaal aantal verzamelalbums en het aantal verzamelalbums met diverse artiesten (is een onderdeel van het totaal) toeneemt. Deze twee samenhangen hebben een negatieve invloed op het innovatieve karakter van de Nederlandse populaire muziekcultuur.
  4. Er is sprake van een sterke, negatieve samenhang tussen het economisch marktaandeel en het aantal albums dat verschenen is op een onafhankelijk platenlabel maar gedistribueerd wordt door een "major". Dit houdt in dat als het aandeel van de zes grootste platenmaatschappijen in de gehele populaire muziekcultuur toeneemt, het aandeel van dergelijke albums, wiens aantal indicatief zijn voor de mate van openheid van het systeem van productie en ontwikkeling, af neemt. Het karakter van de Nederlandse populaire muziekcultuur is gedurende de onderzoeksperiode geslotener geworden.
  De samenhangen die gevonden werden, duiden duidelijk op een negatieve samenhang tussen de mate van concentratie in de marktstructuur (gemeten aan de hand van het cumulatief economische marktaandeel van de zes grootste platenmaatschappijen) en de mate van diversiteit en innovatie van de mainstream van de populaire muziek. Op basis hiervan moet dan ook geconcludeerd worden dat de onderzoeksresultaten de probleemstelling eenduidig ondersteunen. Op het gebied van de mainstream van de Nederlandse populaire muziekcultuur is er sprake van een negatieve samenhang tussen de mate van concentratie in de marktstructuur en diversiteit en innovatie van muzikaal product. Een toename in de mate van concentratie gaat samen met een afnemende mate van diversiteit en innovatie van muzikaal product. In de Nederlandse muziekindustrie gaat de notie op dat een toename van economische macht een bedreiging voor diversiteit en innovatie van cultureel product vormt.
10 Interveniërende factoren. Het is moeilijk aan te geven hoe de samenhangen precies tot stand gekomen zijn. Duidelijk is geworden dat er niet sprake is van een rechtlijnig, causaal verband. Vele interveniërende factoren spelen een rol bij de totstandkoming van de geconstateerde ontwikkelingen en samenhangen. Voorbeelden hiervan zijn ontwikkelingen op technologisch, sociaal-economisch en demografisch gebied. Daarnaast is ook de manier waarop de platenmaatschappijen werken van invloed geweest.
  De belangrijkste interveniërende factoren die het onderzoek naar voren hebben gebracht, zijn (1) de introductie van de compact disc en (2) de toename in het belang van marketing. De introductie van de compact disc heeft ertoe geleid dat platenmaatschappijen rond 1985 overgingen op een exploitatie van oude muziek die reeds hun succes had bewezen — de zogenaamde "back-catalogue". Door de opkomst van de CD ontstond er een grote vervangingsvraag. Albums die men reeds op vinyl had, wilde men ook op CD hebben. Deze technologische ontwikkeling manoeuvreerde de muziekindustrie in een vrij riante positie. Er kon goed geld worden verdiend met repertoire dat reeds opgenomen was. De platenmaatschappijen voeren in die periode dan ook een behouden koers. Dit heeft een daling van het aantal debuutalbums en een stijging van het aantal verzamelalbums van één artiest/band tot gevolg gehad. De introductie van de CD heeft er dan ook toe geleid dat het innovatieve karakter van de populaire muziekcultuur gedurende de periode 1980-1993 is gedaald.
  De toename in het belang van de marketing heeft ten grondslag gelegen aan de duidelijke stijging in het gemiddeld aantal weken dat de albums die tot de lijst van vijftig jaarlijks meest verkochte albums weten door te dringen, in de wekelijkse albumlijsten genoteerd stonden. Door middel van effectieve reclame en promotie-activiteiten weten de majors vaak de verkoop van een reeds goed verkopend album nog extra op te stuwen. Dit heeft tot gevolg dat van een aantal albums meer verkocht wordt. Gevolg van deze werkwijze is dat deze albums meer verkopen en daardoor langer in de albumlijsten genoteerd staan. Consequentie hiervan is een stijging van het gemiddeld aantal weken dat albums in de wekelijkse albumlijsten genoteerd staan.
  Overige factoren die van invloed zijn geweest op ontwikkelingen zoals die zich voorgedaan hebben zijn: (1) veranderingen in het medialandschap; (2) de bredere doelgroep die openstaat voor popmuziek; (3) de toegenomen bestedingskracht; (4) de opkomst van de dans en house-muziek. Veranderingen in het medialandschap hebben ertoe geleid dat het media-aanbod veel meer gedifferentieerd is. De inhoud van radio en tv-programma's, tijdschriften en dergelijke is veel duidelijker toegespitst op een duidelijk omschreven doelgroep. Deze doelgroep is daardoor ook makkelijker te bereiken. Dit is een ontwikkeling waarop door middel van marketing goed op ingespeeld kan worden.
  De bredere doelgroep voor popmuziek is een van de oorzaken waarom er nu, absoluut gezien, meer popmuziek wordt verkocht dan in bijvoorbeeld de jaren zestig en zeventig. In die tijd was popmuziek duidelijk een jongerencultuur. Tegenwoordig is het heel normaal als een veertiger van popmuziek houdt. Iemand die vroeger van Pink Floyd hield, kan nu nog steeds een groot liefhebber van popmuziek zijn. Bovendien is het zo dat er tegenwoordig meer mensen in Nederland wonen. Dit alles heeft ertoe geleid dat er meer popmuziek wordt verkocht. De toename in de bestedingskracht heeft hier ook mee te maken.
  De opkomst van de dans en de house-muziek heeft tot een stijging in het aantal verzamelalbums van diverse artiesten geleid. Een kenmerk van deze genres is dat er vanuit het publiek weinig betrokkenheid bij de artiest of band bestaat. Er is niet sprake van een duidelijk gezicht achter de band. Er wordt dan ook weinig gedaan aan het opbouwen van een langdurig succesvolle carrière. Singles zijn in deze genres veelal belangrijker dan albums. Albums worden in een groot aantal gevallen niet eens opgenomen. Deze twee genres lenen zich dan ook maar al te goed voor het maken van compilatie-albums.
11 Conclusies. Aansluitend op de eerste vraag van de vraagstelling: "Is er in de Nederlandse populaire muziekcultuur een samenhang waarneembaar tussen concentratie enerzijds en diversiteit en innovatie anderzijds," kan derhalve geconcludeerd worden dat er in mainstream van de Nederlandse populaire muziekcultuur een duidelijke negatieve samenhang bestaat tussen de mate van concentratie in de marktstructuur en de mate van diversiteit en innovatie van muzikaal product. Geconstateerde samenhangen komen tot stand door middel van een samenspel van vele interveniërende factoren.
  De tweede vraag van de vraagstelling luidde: "Welke factoren liggen ten grondslag aan veranderingen in de mate van innovatie en diversiteit van de populaire muziekcultuur?" In het voorafgaande is duidelijk geworden dat een aantal interveniërende variabelen gedurende de periode 1980-1993 hierin een belangrijke rol hebben gespeeld. Deze zijn: (1) de toegenomen marketinginspanningen; (2) de opkomst van de CD; (3) de grotere doelgroep openstaand voor popmuziek; (4) de grotere bestedingskracht; (5) veranderingen in het media-landschap; (6) de opkomst van de dans en house-muziek.
  Er kan derhalve geconcludeerd worden dat naast ontwikkelingen in het media-landschap en (veranderingen in) de manier waarop platenmaatschappijen werken, technologische, demografische en sociaal-economische ontwikkelingen van invloed zijn op veranderingen in de mate van diversiteit en innovatie van de populaire muziekcultuur.
  Bovenstaande factoren zijn tevens van invloed geweest op de samenhangen die in deze studie naar voren zijn gekomen. Hiermee is ook de derde vraag van de vraagstelling beantwoord: "Welke factoren liggen ten grondslag aan geconstateerde samenhangen?"
  Afsluitend kan de probleemstelling: "Gaat de notie dat in een kapitalistisch, commercieel systeem, cultuur wordt gekenmerkt door een toename in homogeniteit van cultureel producten tegenwoordig nog steeds op," met een volmondig ja worden. Alle in deze studie naar voren gekomen onderzoeksresultaten steunen deze notie eenduidig. Ook op de Nederlandse muziekindustrie is een toename van concentratie een bedreiging voor een "gezonde" cultuur, welke gekenmerkt wordt door een hoge mate van diversiteit en innovatie.
12 Discussie. In deze studie heb ik onderzocht of op het gebied van de Nederlandse populaire muziek de notie opgaat dat een commercieel, kapitalistisch systeem wordt gekenmerkt door een toename van homogeniteit van cultureel (in dit geval: muzikaal) product. Er kon geconcludeerd worden dat deze notie inderdaad opgaat. Er was sprake van een negatieve samenhang tussen de mate van concentratie in de marktstructuur en de mate van diversiteit en innovatie van muzikaal product, zoals deze tot stand kwam door het koopgedrag van de consumenten. Ontwikkelingen in het media-landschap en (veranderingen in) de manier waarop platenmaatschappijen werken, technologische, demografische en sociaal-economische ontwikkelingen bleken hierbij belangrijke interveniërende factoren te zijn.
  Om dit te kunnen onderzoeken heb ik me aangesloten bij een reeds bestaande onderzoekstraditie. In het eerste hoofdstuk staat een duidelijk overzicht van deze onderzoekstraditie beschreven. Centraal in deze manier van onderzoek staat de samenhang tussen economische en culturele processen. Het model is vrij beperkt en suggereert, naar mijn mening, causaliteit. Dit laatste is echter niet het geval. Immers er wordt alleen gezocht naar samenhangen. Op het moment dat er echter naar verklaringen voor opgetreden ontwikkelingen en geconstateerde samenhangen wordt gezocht biedt het model geen uitkomsten. Voor verklaringen moet men buiten het model treden. Dit is ook het geval bij deze studie. Immers, ontwikkelingen in het media-landschap, (veranderingen in) de manier waarop platenmaatschappijen werken, technologische, demografische en sociaal-economische ontwikkelingen bleken belangrijke interveniërende factoren te zijn. Ik denk dan ook dat er in toekomstig onderzoek geprobeerd moet worden een model te creëren dat bovenstaande variabelen in zich herbergt.
   
Previous
  Geraadpleegde literatuur
 
  • Anderson, B., P. Hesbacher, K.P. Etzkorn, en R.S. Denisoff (1980), Hit record trends, 1940-1977. In: Journal of Communication, 1980, 30, 2, 31-43.
  • Bouwman, F. (1987), Hitdossier, 1956-1987. Haarlem: H.J.W. Becht.
  • Burnett, R. (1990), Concentration and diversity in the international phonogram industry. Gothenburg: University of Gothenburg.
  • Burnett, R. (1992), The implications of ownership changes on concentration and diversity in the phonogram industry. In: Communication Research, 1992, 19, 6, 479-496.
  • Burnett, R. (1994), The popular music industry in transition. In: Popular Music and Society, 1994, 18, 2, 87-114.
  • Christianen, M. (1993), Cycles in symbol production? A new model to explain diversity and innovation in the music industry. Rotterdam: Erasmus Universiteit Rotterdam (nog te verschijnen).
  • Denisoff, R.S. (1975), Solid gold: the popular record industry. New Brunswick: Transaction, Inc.
  • Horkheimer, M., en Th. W. Adorno (1944), Dialectiek van de verlichting. Nijmegen: SUN, 1987 (oorspronkelijke uitgave: 1944).
  • Koval, H. (1988), Homogenization of culture in capitalist society. In: Popular Music and Society, 1988, 12, 1, 1-16.
  • Laing, D. (1986), The music industry and the "cultural imperialism" thesis. In: Media, Culture and Society, 1986, 8, 3, 331-341.
  • Lopes, P.D. (1992), Innovation and diversity in the popular music industry, 1969 to 1990. In: American Sociological Review, 1992, Februari, 56-71.
  • Negus, K. (1992), Producing pop. Culture and conflict in the popular music industry. London: Edward Arnold.
  • NVPI. (1984-1993), NVPI-Cijferschrift 1984-1993. Hilversum: Nederlandse Vereniging van Producenten en Importeurs van Beeld en Geluidsdragers (NVPI).
  • Peterson, A.P., en D.G. Berger (1975), Cycles in symbol production. The case of popular music. In: S. Frith en A. Goodwin (red.) (1990), On record. Rock, pop and the written word. London: Routledge, 140-159.
  • Rothenbuhler, E.W., en J.W. Dimmick (1982), Popular music. Concentration and diversity in the industry 1974-1980. In: Journal of Communication, 1982, 32, 1, 143-149.
  • Rutten, P. (1992), Hitmuziek in Nederland, 1960-1985. Amsterdam: Otto Cramwinckel.
  • Rutten, P., en G.J. Oud (1991), Nederlandse popmuziek op de binnen- en buitenlandse markt. Rijswijk: Ministerie van WVC.
Previous
  Dit artikel vormde een bijdrage aan het congres van de IASPM-Benelux in 1995 en verscheen eerder in: Populaire Muziekstudies Online. Wetenschappelijk Tijdschrift voor de Studie van Populaire Muziek. Jaargang 1, nummer 1, zomer 1995. De afbeeldingen bij de tekst geven de verschillende stadia weer in de productie van een compact-disk.
  1995 © Populaire Muziekstudies Online