Logo  
  | home | authors | calendar colophon | links | newsgroups | newsfeed | new | printer version |  
volume 1
november 1998

Historisch kijkonderzoek

 





  Televisiekijkgedrag in de late jaren vijftig
  door Hans Knot
Previous
  In augustus 1958 gaf de Nederlandse Stichting voor Statistiek in het rapport Televisie in Nederland een overzicht van het televisiekijkgedrag in Nederland. Er stonden toen in het hele land iets meer dan 300 duizend televisietoestellen. Wie had zo'n apparaat in de huiskamer en waar keek men naar? Met het rapport bij de hand blikt Hans Knot terug in de tijd voor het antwoord op die vragen.

1 Rechts: De zendtoren in Smilde

De meest recente cijfers rond het in het bezit hebben van allerlei apparaten, die betrekking hebben op de media, geven aan dat we in Nederland leven in een land van enorme welvaart. Vrijwel geen gezin bezit helemaal geen televisie terwijl er een veelvoud in procenten eigenaar is van meerdere tv-toestellen. Maar hoe zat dit bijvoorbeeld een goede veertig jaar geleden? Een onderzoek, dat niet werd gehouden in opdracht van de Nederlandse Televisie Stichting maar in opdracht van de industrie, sprak in augustus 1958 van een spectaculaire groei in het aantal tv-toestellen in Nederland. Was er op 1 januari van dat jaar in drie op de honderd gezinnen een toestel, zes maanden later was dit al gegroeid tot elf op de honderd gezinnen. Op dat moment telde men in ons land een totaal aantal van 316.000 toestellen. Natuurlijk spreken we hier over de begindagen van het medium televisie, iets wat de oudere generatie onder ons, nog duidelijk kan herinneren als een prachtige pioniersperiode.

2 De oorzaak van de enorme toename in het aantal toestellen, zo liet het onderzoeksteam destijds weten, was voor een betrekkelijk klein deel terug te brengen tot de uitbreiding van het toenmalige zenderpark. Vlak voor het uitkomen van de cijfers waren de nieuwe steunzenders, in Goes en Smilde, in gebruik genomen en dit had nog geen effect gehad op de resultaten. Nee, het absolute bolwerk van de toenmalige televisie diende gezocht te worden in Rotterdam en omgeving. Als je daar keek naar honderd gezinnen dan stonden er in 17,4% van deze gezinnen reeds een toestel aangesloten op een antenne op het dak.
3 Men had in het onderzoek ook gekeken of er verschillen waren in de groei gelet op het milieu. In die gezinnen waar het inkomen niet uit "huidige" arbeid bestond (pensioengerechtigden, renteniers en dergelijke) was het aantal aanwezige toestellen in de daaraan voorafgaande negen maanden gestegen met 400%. In de arbeidsgroep (mensen met een vast inkomen) was dit aantal met 160% gestegen. De resultaten van het onderzoek, dat was uitgevoerd door de Nederlandse Stichting voor Statistiek, werd neergelegd in het rapport Televisie in Nederland.
4 De redactie van het reclamevakblad Ariadne schreef over het rapport, dat werd gemaakt in opdracht van de reclamewereld en Philips: "Hoezeer wij het initiatief ook toejuichen en hoe blij we ook zijn met de cijfers, wij blijven het aldoor toch nog een beetje vreemd vinden dat een commerciële en een industriële onderneming dit pionierswerk verrichtten en dat blijkbaar de Nederlandse Televisie Stichting niet zoveel belangstelling voor dit onderwerp kan opbrengen dat zij dergelijke onderzoekingen ter hand neemt. Want deze rapporten over de ontwikkeling van de televisie in Nederland en over de kijkgewoonten en de waardering voor de programma-onderdelen, doen de smaak naar meer en naar periodieke gegevens ontstaan. De trek komt al etende. Naar wij hopen ook bij de instanties tot wier competentie het televisiebeleid behoort. Het zou één van de beste beloningen voor dit initiatief zijn."
5 Links: Quiz-master Theo Eerdmans en zijn assistente Maud van Praag presenteren de quiz "Weet wel wat je waagt" voor de VARA-televisie (1957)

Al bladerende en lezende in het rapport bleek dat voor die tijd er talrijke verbeteringen in de methodiek tot stand waren gekomen. Zowel de opdrachtgevers als de onderzoekers hadden veel zorg besteed en de schoonheidsfouten uit een eerder onderzoek voorkomen. Maar andermaal was de redactie van Ariadne kritisch: "Maar ook voor deze versie is de gezegde van toepassing, dat onder researchmedewerkers een gevleugelde zin is geworden: 'Je kan het onderzoek pas goed doen, als het al gebeurd is' — want dan komen de fouten pas eerst naar voren."

6 In het rapport werd ondermeer een tabel aangetroffen waarin een maat werd vastgelegd voor het aantal uren dat een gezin naar de televisie keek. Er bleken de volgende verschillen voor te komen:
7 Bij diegenen, die het toestel reeds langer hadden, werd minder frequent gekeken dan bij degenen die het toestel net in hun bezit hadden. Enerzijds is dit te verklaren uit het feit, dat bij de eerste groep het nieuwtje er een beetje af was en bovendien het aanbod in programma's in die tijd op een zeer laag niveau stond qua aantal uren en inhoud. Men was ook selectiever geworden gelet op het aanbod. Andermaal Ariadne: "Anderzijds kan men zich afvragen, in hoeverre juist de kwaliteit van de programma's bij de waarlijk toch niet ruim toegemeten zendtijd, deze vermindering van belangstelling bevordert. Dit is een probleem dat degenen die verantwoordelijk zijn voor de inhoud van de programma's toch wel zwaar op hun hart moet liggen."
8 Het onderzoek kwam verder nog met meer tabellen, waarin men inzicht kreeg in andere, voor die tijd, belangrijke onderdelen: in de groepen kijkers, die weinig onderwijs hadden genoten keek men meer naar de televisie dan in die groepen die meer en hoger onderwijs hadden doorlopen. Ook werd aangegeven dat in de gezinnen waar men een gemiddelde hogere leeftijd had de televisie een belangrijkere invloed had op het gezinsleven dan in de gezinnen met jongere kinderen.
 
  Boven: Met het hele gezin voor de beeldbuis: een Philips-reclame uit de jaren vijftig
9 Om de programmagegevens onderling te kunnen vergelijken werd, evenals in een eerder onderzoek, de maat "kijkdichtheid" gebruikt. Dat was toen ook al in principe het aantal kijkers uitgedrukt in procenten, dat rond het televisietoestel zat. Als je zo terugdenkt aan die tijd zal dit gegeven nooit zo eerlijk zijn geweest. Immers werd er toen ook al per huisgezin gemeten. Echter waren er vele huisgezinnen die 's avonds gingen "buurten" daar ze zelf niet in het bezit waren van een toestel. Nergens in het rapport werd van deze vorm van "televisiekijken" melding gemaakt.
10 Men had wel een berekening gemaakt aangaande de invloed van de ouderdom van het in het bezit zijnde toestel. De leeftijd van het toestel had totaal geen invloed op het kijkgedrag naar de volgende categorieën aan programma's: journaal (was slechts kortelings te zien), religieuze programma's, documentaires, quiz e.d., variété en lichte muziek. Wel was het zo dat bij bezitters van een toestel, dat langer dan een jaar in huis stond, er automatisch minder werd gekeken naar jeugdprogramma's, kleinkunst, speelfilms en sport. In alle gevallen was de kijkdichtheid met ongeveer 10% afgenomen.
11 Even weer terug naar de opmerkingen die werden gemaakt in het reclamevakblad Ariadne: "Natuurlijk kunnen we opmerken dat door de televisie ook degenen met minder intellectuele capaciteiten de kans er is gekomen zich op de hoogte te stellen van hetgeen in de grote wereld gebeurt en dat zij dit blijkbaar met graagte doet. En natuurlijk kunnen wij zeggen, dat degenen die meer onderwijs hebben genoten dan lager, door hun maatschappelijke positie waarschijnlijk vaker naar de voorstellingen van ballet en opera en muziek- en toneeluitvoeringen gaan. Op die manier is de hogere kijkdichtheid in de groep van het lager onderwijs dan ook gemakkelijk te verklaren. Het zouden echter beide verklaringen zijn, die slechts in het voordeel van de televisie en haar uitzendingen zouden spreken.
12 Maar, als wij de gegevens omtrent de kijkdichtheid naar ouderdom van het toestel combineren met het genoten onderwijs van het gezinshoofd, dan rijst er toch twijfel of deze verklaringen wel de juiste zijn. Men kan zich afvragen of er toch misschien fouten werden gemaakt bij de programmakeuze en of deze fraaie uitvinding toch niet net iets te ver afstaat van een Hollandse aard om blijvend te worden gewaardeerd. Er is maar één weg om deze vragen en twijfels op te lossen, zodat er eerlijke cijfers op tafel komen, die voor diegenen die er over te beslissen hebben zó duidelijk spreken, dat zij er hun beleid aan kunnen toetsen." Waarlijk een aanzet in Ariadne tot een gedegen kijkonderzoek, dat niet veel later ook voor de eerste keer in opdracht van de NTS en de publieke omroepen zou worden gehouden door een commissie onder voorzitterschap van de Hoogleraar ten Have.
13 Rechts: Tante Hannie Lips zingt en speelt in haar populaire kinderprogramma voor de KRO-televisie

Tenslotte zat ik, bij het schrijven van dit verhaal over het toenmalige "kijkonderzoek" te overpeinzen waar wij thuis in die tijd naar keken. Het televisietoestel, een Erres, had zijn intrede gedaan in 1959. Tien jaar jong was ik op dat moment. Natuurlijk was het kinderprogramma, van de KRO, Dappere Dodo, een absolute hit. Het was Bert Brugman die deze marionettenserie op de buis tot een succes bracht. Vooraf aangekondigd door de uit Rotterdam afkomstige Hannie Lips, die enkele jaren eerder bij de KRO Mies Bouman als omroepster was opgevolgd. Maar Hannie Lips deed meer dan alleen omroepen. Reeds na enkele maanden werd ze toegevoegd aan het team van het kinderprogramma om, tezamen met in de studio aanwezige kinderen, liedjes te zingen en de kleine dagelijkse dingen uit het leven te bespreken. Ze werd al vrij snel in de volksmond Tante Hannie genoemd.

14 Andere spannende programma's vond ik ondermeer de wekelijkse quiz "Een kwartje per seconde" van Theo Eerdmans, daarbij bijgestaan door zijn assistente Maud en de amusementsprogramma's van de AVRO. Showprogramma's van het eerste uur. Heel goed herinner ik me dat de eerste draaitafel thuis werd aangeschaft. De ouderwetse koffergrammofoon werd van een kennis overgenomen, die financieel in de problemen zat. Daarbij zat een aantal platen, ondermeer een single van Slim Whitman en van hem kan ik nog heel goed herinneren dat ik hem voor de eerste keer op de televisie zag in dat eerste jaar dat we een toestel in huis hadden.
15 Bovendien was het op de donderdagavond tijd voor toneelregistratie. In plaats van in het theater keek men thuis naar de toneelstukken, waarbij via simpele registratie met slechts één camera het podium in beeld werd gebracht. Maar toch was het een enorme hit dat de topspelers van toen zomaar in de huiskamer waren te zien. De regie was in handen van de overbekende Walter van der Kamp, die in de daarop volgende decennia uitstekende televisieprogramma's zou regisseren en dus gerekend kan worden tot de pioniers van de Nederlandse televisie. Verplicht kijken voor het gehele gezin! Daarnaast waren er op de Nederlandse televisie niet zoveel bijzondere programma's. Immers, de zendtijd was erg beperkt.
16 Links: Toneel op televisie

Thuis werd, middels gebruik van een extra antenne, veel naar de Duitse televisie gekeken. Opmerkelijk was een zes weken durende serie, die op zondagmiddag werd uitgezonden. "So weit die Füsse tragen". Het verhaalde de tocht van een krijgsgevangene die uit een Sovjetkamp in Siberië was ontsnapt. Elke week werd weer naar het vervolg toegeleefd. Spanning ten top. Een tiental jaren geleden werd de serie herhaald op de ZDF. Kijken dus. Na een half uur heb ik de televisie uitgedaan daar ik door had dat de gehele opname in de studio was geregistreerd, iets wat je in je jeugdjaren niet zag. Toen ik de televisie uitdrukte bleef er echter één ding achterwege, hetgeen vroeger wel gebeurde: de witte stip die op het midden van het beeldscherm verscheen en soms nog minuten lang zichtbaar was alvorens het geheel verdween ... op weg naar een volgende televisieavond.

   
Previous
  De publicatie, waarnaar in deze tekst wordt verwezen is: Nederlandse Stichting voor Statistiek, Televisie in Nederland. Een onderzoek naar opinies en kijkgewoonten in opdracht van N.V. Thabur en Graetz K.G. 's-Gravenhage: Nederlandse Stichting voor Statistiek, 1957 (omvang: 103 pp.) en 1958 (omvang: XVIII, 71 pp.).
  1998 © Soundscapes