Logo  
  | home | authors | calendar colophon | links | newsgroups | newsfeed | new | printer version |  
volume 1
februari 1999

House als opmaat voor de 21e eeuw

 





  Bespreking van:
  • Gert van Veen, Welcome to the future. Amsterdam: Arena, 1994 (160 pagina's; ISBN 90-6974-115-6).
door Marco Draijer
Previous
  Muziekjournalist Gert van Veen schrijft vooral over de nieuwe elektronische muziek die zich met de opkomst van de house van de gitaar-rock lijkt te hebben afgezonderd. In "Welcome to the future" heeft hij een aantal van zijn Volkskrant-artikelen van de afgelopen vijf jaar bewerkt en gebundeld. Marco Draijer bespreekt het boek.
 
1

De global village, Internet en meer in het algemeen de enorm belangrijke plaats die technologie in ons huidige leven inneemt, maken dat de jaren negentig radicaal verschillen van de periode ervoor en dat alles blijft veranderen. "Welcome to the future", geschreven door Gert van Veen, gaat over technologie en de veranderingen die zij instigeert, in samenhang met popmuziek. "Sinds de opkomst van de nieuwe elektronische muziek — house, techno, trance, ambient — was er een gapende kloof ontstaan tussen de traditionele rockwereld en de nieuwe muziekscene" (p. 153). Na het ontstaan van rock-'n-roll in 1954 met Bill Haley, Elvis Presley en hun tijdgenoten is er voor het eerst weer een revolutie die twee populaire muziekstijlen radicaal van elkaar scheidt: je hebt nu "the guys with the guitars" en "the guys with the computers".

2 In "Welcome to the future", een bundeling Volkskrant-artikelen van de afgelopen vijf jaar, gedeeltelijk herschreven en aangevuld met twee nieuwe stukken, is deze tweedeling van pop in house en rock goed te merken: na pagina 100 kom je in een compleet andere wereld terecht. In de eerste hoofdstukken beschrijft Van Veen de housewereld, de opkomst van house tijdens de "Summer of Love" van 1988 en de manier van produceren en distribueren. Twee teksten over hiphop ("Bang voor een zwarte planeet" en "In Afrika waren wij koningen") besluiten het eerste gedeelte. Zij horen daar nog bij vanwege de voor rappers belangrijke DIY-filosofie (Do It Yourself: studio in de huiskamer en distributie in eigen beheer), de "togetherness" (alle hiphoppers vormen een hechte scene, de "thanx to-list" op iedere plaat bevat tientallen namen van collegamuzikanten) en het gebruik van elektronica. Al deze factoren zijn ook belangrijk voor de house.
3 Als je dan vanaf pagina 101 de interviews leest met George Clinton, de Urban Dance Squad en The Red Hot Chili Peppers, blijkt hoezeer deze artiesten geworteld zijn in de rocktraditie. Ze vertegenwoordigen net zo goed als house de nieuwe muziek van de jaren negentig, echter, wanneer je in "Welcome to the future" aan het lezen bent, lijken ze alweer belegen. Wat mij betreft had Van Veen zich kunnen beperken tot de techno, dance en ambient. Deze artikelen produceren — ook voor de leek — een kaleidoscoop van de nieuwe elektronische muziek, van het prille begin in 1982 in Detroit tot 1994. Hier is Van Veen op zijn best. Hij is geen fantastisch schrijver en als hij zich op het wat meer theoretische vlak begeeft, zoals in "Op zoek naar de factor X" en "De muziekindustrie", wordt het vervelend.
4 In het inleidende stuk over de muziekindustrie schildert Van Veen de majors erg traditioneel af als logge, trage muziekfabrieken die juist door hun grootte moeilijk in kunnen springen op nieuwe geluiden, zoals house. "De popwereld is een gestroomlijnde, goed georganiseerde industrie, die wordt beheerst door een zestal multinationals" (p. 11). Ze hebben hoge overheadkosten, daarom "varen de majors altijd een veilige koers en zijn ze eigenlijk nooit te vinden voor wilde experimenten of riskante muzikale projecten" (p. 11/12). Natuurlijk heeft hij op dit punt het gelijk grotendeels aan zijn kant, maar zijn mening wordt gekruid door een soort vrije-jongens-sentiment, dat je ook duidelijk kunt proeven als de schrijver het over vernieuwing heeft: "In de jaren negentig heeft de jongere generatie te maken met een conservatisme dat de popwereld van binnenuit in zijn greep heeft" (p. 8). Van Veen beschikt echter een grote feitenkennis en daarmee kan hij je boeien.
5 De housescene blijkt te overleven door een nieuwe infrastructuur. In de traditionele rockindustrie zijn het de majors die het grootste deel van het aanbod bepalen. Door de vergaande ontwikkeling van de technologie is het echter mogelijk geworden om op een zolderkamertje een kwalitatief goede mastertape te maken en daar voor relatief weinig geld een plaat van te laten persen. Deze ontwikkeling heeft gezorgd voor de huidige bloei van de Indie-scene. Van Veen beschrijft in de stukken over Detroit en over labels hoe belangrijk deze onafhankelijke productie en distributie waren voor de opkomst van house. De muziek werd door dj's gemaakt voor op de dansvloer. Er verschenen voornamelijk 12"-platen op vinyl, die vooral door dj's gekocht werden. Er was dus een heel directe communicatie tussen musici en publiek, een punt dat Van Veen herhaaldelijk benadrukt.
6 Doordat de platenmarkt in principe voor iedereen toegankelijk is, en gaandeweg steeds meer mensen — dj of niet — housetracks zijn gaan maken, is het aanbod behoorlijk onoverzichtelijk geworden. Belangrijke factor hier is dat veel muzikanten iedere plaat onder een andere artiestennaam uitbrengen. Bij een naam hoort dus geen gezicht, ook al omdat live-optredens van housegroepen erg zeldzaam zijn. "Het aanbod is zo gigantisch, dat de markt voortdurend dreigt te bezwijken onder zijn eigen gewicht," concludeert Van Veen in het artikel "Labels". "Bijna wekelijks gaat er wel weer een label over de kop, voortdurend doen verhalen de ronde over muzikanten die naar hun royalties kunnen fluiten, omdat de maatschappij failliet is" (p. 55). Maar het aantal labels blijft groeien. Voor al dat vinyl ontstaan speciaalzaken: zo houdt de housescene behalve de productie ook de distributie voor een groot deel in eigen hand. Voor het gewone publiek verschijnen al sinds enkele jaren verzamel-cd's als "Turn Up The Bass" die een wegwijzer in houseland vormen.
7 In de artikelen "De wil van de dansvloer: de dj" en "Jazzdance en acidjazz: dj Graham B" wordt de rol van de dj nader belicht. De twee stukken over hiphop behandelen de geschiedenis van deze muziek — ontstaan in de zwarte wijken van New York — maar concentreren zich vooral op het opkomende zwarte bewustzijn, het Afrocentrisme (Public Enemy, Ice T, The Jungle Brothers). In de interviews met Brian Eno en Malcolm McLaren wordt door de geïnterviewden rockmuziek en haar vervolg in house in een breder cultureel kader geplaatst.
8 Het boek blijft een verzameling krantenartikelen. Deze artikelen zijn op zich altijd tijdsgebonden en beperkt in scope. Een verzameling als in "Welcome to the future" maakt er echter in zekere zin een tijdsdocument van waarin een omvattend beeld van de ontwikkeling en structuur van de housescene wordt gegeven. Tel ik hier nog bij dat het boek, in tegenstelling tot veel popliteratuur, heel erg up to date is, dan kan ik alleen nog maar een positief oordeel vellen. Met een noot aan de uitgever: in de tweede druk voldoen de eerste honderd pagina's plus de interviews met Eno en McLaren ruimschoots. Daarmee heb je een prima bundel over ontstaan, achtergrond en ontwikkeling van de elektronische muziek.
   
Previous
  Deze bespreking verscheen eerder in: Populaire Muziekstudies Online, jaargang 1, nummer 1, zomer 1995.
  1995 © Populaire Muziekstudies Online