Logo  
  | home | authors | calendar colophon | links | newsgroups | newsfeed | new | printer version |  
volume 1
juli 1998

"Wij Televisiekijkers" en de brief van televisiecommissaris Jan Willem Rengelink

 





  Het televisiejournaal en de zuilen
  door Renso H. van Bergen
Previous
  Op 1 april 1974 overleed prof. dr T.T. ten Have, in de jaren vijftig betrokken was bij de eerste kijkonderzoeken in ons land. Ten Have, in 1950 benoemd tot hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam, hield zich bezig met de grondslagen van de sociale pedagogiek. Hij speelde een belangrijke rol bij de ontwikkeling van de andragogische richting. Vier jaar voor zijn dood ging hij met pensioen. Zijn wetenschappelijk archief ging vervolgens naar de vakgroep Pedagogiek en Onderwijskunde van de Groningse universiteit, richting Andragogiek. Een deel van dat archief was voor die vakgroep interessant, een ander deel niet. Uit dit laatste, het materiaal dus waar de vakgroep niets aan had, dook een aantal documenten op dat betrekking had op de geschiedenis van de televisie. Hans Knot vond een briefwisseling terug naar aanleiding van een in december 1958 verschenen artikel in het blad "Wij Televisiekijkers".

1 Jansen en Hansen. In december 1958 verscheen in het blad "Wij Televisiekijkers" een artikel met staartje. De titel van dat artikel luidde "Journaaldienst in knellende greep van de zuilen". Het verscheen in de derde editie van dit maandblad. Auteur was de journalist Han J.A. Hansen, eveneens medewerker van de Volkskrant. In zijn boek Ooggetuige schrijft Carel Enkelaar dat deze Hansen eigenlijk Jansen heette, maar dat hoofdredacteur Lückner dit een ongelukkige naam vond. Een verslaggever die Jansen heet komt nergens binnen, aldus Lückner. Hansens artikel in het betrokken blad — de titel maakt dat al duidelijk — was een kritische beschouwing over de stand van zaken rond het journaal. In de jaren vijftig was nog sprake van een Journaalcommissie, bestaande uit vertegenwoordigers van de omroepen. Het boterde niet altijd tussen die op toezicht ingestelde commissie en de journaalredactie die meer hechtte aan journalistieke vrijheid dan aan de belangen van het bestel.Toenmalig programma-commissaris televisie Jan Willem Rengelink schreef na het verschijnen van het artikel Hansen een brief, die zowel aangetekend als per expresse aan de journalist werd toegestuurd.
  Rengelink schrijft aan Hansen: "Het artikel 'Journaaldienst in de knellende greep van de zuilen' handelt over de opvattingen en activiteiten van de heer Enkelaar, hoofdredacteur van het televisiejournaal. U schrijft in dit artikel o.a. dat U reden heeft om aan te nemen dat Enkelaar zich als een gekooide leeuw voelt die te weinig te eten krijgt, dat de heer Enkelaar 'lijkt moe gestreden'; dat hij een 'tijdrovende bemoeienis heeft met de Eurovisie journaaluitwisselingen'; dat de heer Enkelaar 'de schoen voelt knellen'; dat hij in de Journaalcommissie de 'enige aan tafel' is, die weet wat nieuws is. Uw artikel bevat niet slechts een aantal uitlatingen over de kwaliteit en zelfs over de diepere roerselen van de heer Enkelaar, het bevat bovendien enkele details (zoals het feit dat de vergadering van de Journaalcommissie op vrijdag plaatsvindt) die slechts van een ingewijde kunnen komen. Het zal U wellicht duidelijk zijn dat velen Uw artikel beschouwen als zijnde geschreven na overleg met de heer Enkelaar, althans door de laatste geïnspireerd te zijn. Het zal U wellicht eveneens duidelijk zijn dat, wanneer dit inderdaad het geval is, de positie van de heer Enkelaar onmogelijk zou zijn geworden. Als het niet juist zou zijn, dat de heer Enkelaar op enigerlei wijze met de totstandkoming van dit artikel te maken heeft, dan is uw artikel, vergeve mij het woord, onverantwoordelijk. Want dan hebt U de heer Enkelaar in een positie gebracht waarin hij — tenzij hij met bewijzen van het tegendeel komt — toch bij velen in verdenking zal blijven de hand te hebben gehad in een artikel, dat de samenwerking in het verband van de NTS niet zal bevorderen maar zal schaden. Ik geloof dat het derhalve op Uw weg ligt opheldering te verschaffen over de wordingsgeschiedenis van dit artikel. Ik geloof ook dat U — met alle begrip die ik heb voor het beroepsgeheim van de journalist — dat U dit op een zodanige wijze zult moeten doen dat, wanneer de heer Enkelaar hier inderdaad buiten staat, dit ook door U op duidelijke wijze wordt aangetoond. Ik zal het zeer op prijs stellen indien ik van U zo spoedig mogelijk een antwoord op deze brief mag ontvangen."
  In een postscript liet Rengelink verder nog weten dat hij een kopie van deze brief zou sturen naar de hoofdredactie van de Volkskrant. Rengelink wist vanzelfsprekend dat Hansen in dienst van deze krant was.
2 Het vervolg. In zijn antwoord aan Rengelink spreekt Hansen allereerst zijn verbazing uit over de inhoud van diens brief. Hij blijkt even verbaasd over het feit dat de hoofdredactie van de Volkskrant een afschrift heeft gekregen. Hansen laat vervolgens weten dat hij ruim een week voor het verschijnen van de betrokken publicatie aan Gerard van Beek, de perschef van de NTS heeft laten weten dat Enkelaar zich door het komende artikel — waar het ook over zou mogen gaan — in geen enkel opzicht gecompromitteerd zou hoeven te voelen. In het gesprek met de perschef, aldus Hansen, heb ik bij herhaling gesteld dat Enkelaar geen contact met mij heeft gehad. Sterker nog: ze hebben elkaar zelfs nooit gezien. Hooguit was volgens Hansen slechts twee keer sprake geweest van telefonisch contact. Dat was overigens enige jaren eerder en ging over iets anders. Wat de wordingsgeschiedenis van het artikel betreft, schrijft Hansen, is mijn opinievorming over de onderhavige kwestie ontstaan via verschillende, vrijwel dagelijkse contacten, met talrijke functionarissen in het radio- en televisiebestel. Ik ben vrij mijn eigen opvattingen uiteen te zetten, stelt hij tot slot vast.
  Niet alleen Rengelink, maar ook Enkelaar zelf schreef een brief aan de redactie van het tijdschrift: "In het decembernummer van uw blad komt een artikel voor, gesigneerd door 'Han J.A. Hansen'. Ik deel u hierbij mede, dat de inhoud van dit artikel is gebaseerd op onjuiste gegevens en dat ik mij van de aan mij toegeschreven opvattingen volledig distantieer. Dit artikel is tot stand gekomen geheel buiten mijn medeweten; de schrijver heb ik nimmer ontmoet. Ik acht dit artikel jegens het Bestuur van de Nederlandse Televisie Stichting ernstig gecompromitteerd en ik behoud mij het recht voor jegens uw blad, c.q. de schrijver van het artikel andere stappen te ondernemen. Inmiddels verzoek ik u aan dit schrijven publicatie te geven in het eerstvolgende nummer van uw blad."
3 Links: Carel Enkelaar: artikel gebaseerd op onjuiste gegevens

Speldenprik. De redactie van "Wij televisiekijkers" publiceerde in nummer 4 van januari 1959 de brieven van Rengelink en Enkelaar en besloot met een eigen kanttekening: "In de loop van de tijd is er nog maar weinig geschreven over de interne moeilijkheden die zich rond de gedwongen samenwerking van de Omroepverenigingen bij de Nederlandse Televisie Stichting voordoen. Er zijn genoeg televisiefunctionarissen, die hun hart graag zouden willen luchten. Zij riskeren voor hun gevoel echter het kwade gevolg, dat zij bij het bestuur in Bussum bekend zullen worden als de bron van een perspublicatie. Tot nu toe zijn er dan ook geen berichten verschenen waarin televisiemensen met naam en toenaam verklaren met welke ongewenst toestanden men bij de samenwerking onder NTS-vlag wel te maken heeft. De auteurs van publicaties over de problemen in Bussum waken ervoor hun bronnen te vermelden. Zij dekken hun zegslieden. Zo luidt de journalistieke erecode. De schrijver kan zich beroepen op het verschoningsrecht als hem naar de bron van zijn berichten wordt gevraagd. Bij de NTS heeft men dit goed begrepen. Het bestuur speculeert op de omstandigheid, dat de auteurs van de betreffende artikelen de gepubliceerde feiten niet kunnen bewijzen, omdat er geen namen bekend werden gemaakt. Het bestuur is dus des te vrijer de kritiek van de hand te wijzen."

  De redactie vervolgt: "Men kan zich nochtans afvragen of het niet verstandiger zou zijn een publicatie dan maar achterwege te laten. Is het onjuist in het algemeen belang de aandacht te vestigen op een ongewenste situatie? Mag men voor dertig gulden kijkgeld het allerbeste op het scherm verlangen? Ook een voetbalwedstrijd Engeland-Rusland? Ook een behoorlijk binnenlands journaal? Ook een interessant gezamenlijk sportprogramma op de toekomstige zondagavonden? Openbaarmaking van achtergronden kan bijdragen tot het rechttrekken van de plooien in Bussum, maar de NTS duldt geen speldeprikjes in haar kwetsbare prestige. Dat kunnen de aanverwante omroepen om verscheidene redenen niet hebben. Een belangrijke reden is van politieke aard, juist nu de verkiezingen voor de deur staan. De speldenprik, die ons maandblad in december lanceerde, heeft Bussum kennelijk nogal pijnlijk getroffen."
4 Rechts: Programmacommissaris Jan Willem Rengelink (links) wordt op zijn afscheidsreceptie in 1968 gelukgewenst door toen nog NTS- (een jaar later NOS-) voorzitter Emile Schüttenhelm

Ongelegen. Voormalig programmacommissaris Jan Willem Rengelink kan zich zoveel jaar na dato deze correspondentie niet meer voor de geest halen. Zo zal het wel zijn gegaan is zijn reactie na herlezing. Voor een goed begrip van "hoe het toen is gegaan" moet volgens hem gekeken worden naar de omstandigheden van die tijd. Televisie was nog een jong medium met weinig zendtijd. Spanningen rond het bestel, voor een deel nog daterend uit de radioperiode, speelden een rol. Bijvoorbeeld de kwestie van een nationale omroep, een onderwerp waarover men toen regelmatig de mening kon horen van voor- en tegenstanders. In die periode had de NTS weliswaar eigen zendtijd, maar de programma's werden gemaakt door medewerkers van de omroepen. Volgens Rengelink, die namens de VARA in het NTS-bestuur zat, niet altijd de beste krachten. Reden voor hem op een bepaald moment af te treden als programmacommissaris, want zo ging het volgens hem niet langer. Pas toen de NTS eind jaren zestig een eigen programmastaf kreeg, keerde Rengelink als programmacommissaris terug.

  Vanaf het eerste moment was Rengelink zelf een groot voorstander van een eigen redactiestaf voor het journaal. Inmiddels weten we al decennia niet beter, maar dat lag in de beginjaren anders. In dat NTS-bestuur bijvoorbeeld, herinnert Rengelink zich, was vooral KRO-voorzitter professor Kors hiervan fel tegenstander. Rengelink zegt hierover: "Na veel tegenstand heb ik het toch gewonnen." Overigens kwam ook de latere nieuwsuitwisseling in EBU-verband — Enkelaar beschrijft in zijn boek hoe dat verliep — uit zijn koker. De reactie op Hansens artikel laat zich volgens Rengelink construeren tegen de achtergrond van de spanningen en problemen van toen. Hansens artikel kwam gewoon erg ongelegen. Rengelink: "Men heeft toen zonder twijfel naar me gekeken met een blik van: wat ga je nu doen? Flink optreden dus. En dat gebeurt dan. Gezien de achtergrond op dat moment ook ter bescherming van het journaal." Dat Enkelaar of anderen uit Enkelaars staf met het artikel toen geen bemoeienis hadden betwijfelt Rengelink, terugkijkend, nog altijd. Men kende elkaar, stelt Rengelink vast, per slot van rekening van de redactie van de Volkskrant.
   
Previous
  Jan Willem Rengelink overleed in 1999. Renso van Bergen herdenkt hem in zijn bijdrage aan dit tijdschrift: Jan Willem Rengelink (1912-1999).
  1998 © Soundscapes