Logo  
  | home | authors | calendar colophon | links | newsgroups | newsfeed | new | printer version |  
volume 2
mei 1999

Heavy Metal: rebels en religieus

 





  Drie sociologische vragen over heavy metal
  door Wim van Noort
Previous
  Popmuziek gaat niet door voor een onderwerp dat serieuze wetenschappelijk aandacht waard is. Voor heavy metal geldt dat in het kwadraat. Toch roept dit genre de nodige vragen op. Hoe ligt de relatie tussen heavy metal en sociale en culturele veranderingen? Wat is het verband tussen heavy metal en sociale ongelijkheid? Wat zijn de effecten van heavy metal op de integratie van de samenleving en op de zingeving van de betrokkenen? Die drie vragen stelt Wim van Noort hier aan de orde om aan te tonen, dat ook heavy metal wetenschappelijke belangstelling verdient.

1 Zanger Rob Halford van de formatie Judas Priest

Vooroordelen en vragen. Een academicus die zich met popmuziek bezighoudt, krijgt vaak meewarige reacties van zijn vakbroeders. Een serieuze wetenschapsbeoefenaar dient zich immers met serieuze zaken bezig te houden en niet met een triviaal onderwerp als popmuziek. Zo sprak ik onlangs iemand die het voornemen had de opera te bestuderen, wat hem er niet van weerhield sociologie van de popmuziek als "flauwekul" te bestempelen. Sommige academici nemen klaarblijkelijk zonder meer het door politici en journalisten gemaakte onderscheid tussen "cultuur" en "amusementsmuziek" over en zijn de mening toegedaan dat alleen "cultuur" een legitiem onderwerp van wetenschappelijk onderzoek is.

  De vooroordelen zijn nog sterker als men in het fenomeen "heavy metal" geïnteresseerd blijkt te zijn, want dat is toch, zoals een bestuurskundige in 1992 tegen mij zei, "muziek voor debielen". Die vooroordelen zijn overigens niet beperkt tot de academische wereld. Naar aanleiding van een op de televisie uitgezonden documentaire over heavy metal, waarin ik als "deskundige" figureerde, vroegen stomverbaasde familieleden aan mijn moeder hoe het mogelijk was dat een "gestudeerd iemand" belangstelling kon hebben voor zulke "herrie".
  In dit stuk wil ik laten zien dat het wel degelijk mogelijk is op zinvolle wijze popmuziek in het algemeen en heavy metal in het bijzonder op sociaal-wetenschappelijke wijze onder de loep te nemen. Voor een sociologische analyse van heavy metal zijn met name de volgende drie vragen relevant:
  1. Wat is de relatie tussen heavy metal en sociale en culturele veranderingen?
  2. Wat is de relatie tussen heavy metal en sociale ongelijkheid?
  3. Wat zijn de effecten van heavy metal op de integratie van de samenleving en op de zingeving van de betrokkenen?
  De vragen zijn van dien aard dat ze zich ook lenen voor de studie van andere muzikale genres als rap, punk en house. Het is in het kader van een bescheiden paper onmogelijk de drie gestelde vragen uitvoerig te behandelen. Die pretentie heb ik dan ook niet en ik zal hier volstaan met enige "vingeroefeningen", waarbij ik een aantal aspecten aanstip die voor beantwoording van de vragen van belang zijn. Ten eerste zal ik aandacht besteden aan de relatie tussen het fenomeen "individualisering", dat volgens velen één van de belangrijkste sociale en culturele veranderingen in de huidige maatschappij is, en culturele "smaak". Ten tweede zal ik op kritische wijze ingaan op de door culturele spraak- en smaakmakers aangebrachte scheiding tussen "serieuze" en "verstrooiende" muziek, die haar pendant heeft in het verschil tussen "literatuur" en "lectuur". Zo creëert de culturele elite een "prestigerangorde" van culturele uitingen, die de toch al bestaande sociale ongelijkheid versterkt; cultuurgoederen die vooral bij mensen met een lage sociaal-economische status in de smaak vallen, krijgen in de regel een lage plaats in de prestige-rangorde toegewezen. Ten derde wil ik laten zien dat heavy metal in sommige opzichten voor de aanhangers dezelfde functie vervult als georganiseerde religie voor gelovigen en op die manier bijdraagt aan sociale integratie en zingeving.
  Zelf ben ik al jaren fan van heavy metal en een belangrijk deel van mijn bevindingen is dan ook gebaseerd op wat men "observerende participatie" zou kunnen noemen. Ik heb vele concerten bijgewoond en platen beluisterd en ik ben daarnaast een trouw lezer van het iedere maand verschijnende Internationaal hardrock & heavy metal magazine Aardschok. Andere belangrijke bronnen van informatie zijn de twee tot op heden verschenen edities van de Hardrock & Heavy Metal Encyclopedie (1989, 1992) en het boek van Weinstein (1991) over heavy metal, dat men gerust een standaardwerk kan noemen.
2 Zanger Ozzie Osbourne van Black Sabbath

Individualisering als mythe. De door mij gestelde eerste vraag refereert aan sociale en culturele veranderingen. Welnu, soms lijkt het erop dat "individualisering" de belangrijkste verandering is in de westerse wereld in het algemeen en Nederland in het bijzonder. Zo neemt dit begrip in het Sociaal en Cultureel Rapport 1994 van het Sociaal en Cultureel Planbureau een centrale plaats in. De rapporteurs gaan zelfs zo ver tot tweemaal toe te stellen dat individualisering "... de belangrijkste onomkeerbare sociaal-culturele kracht is in de komende periode" (Sociaal en Cultureel Rapport, 1994: 17; 612). Zij leggen hierbij de nadruk op de structurele neerslag van individualisering, te weten de overgang van het gezin naar het individu als basiseenheid van de samenleving, die zich manifesteert in "een grotere diversiteit van primaire leefvormen, een toenemende frequentie van het alleenstaan en een toenemende symmetrie van rollen tussen man en vrouw in het gezin" (Sociaal en Cultureel Rapport, 1994: 35).

  Individualisering heeft echter ook een culturele component, die op treffende wijze verwoord is door het blad Viva, dat de doelgroep van jonge, redelijk opgeleide en vooral in seks, relaties en loopbanen geïnteresseerde vrouwen opriep zich te abonneren omdat het "... fijn is om jezelf te zijn". Individualisering heeft dan betrekking op "persoonlijke ontplooiing" en de verheerlijking van het individu. Dit is overigens geen totaal nieuw verschijnsel, want de Franse socioloog Durkheim maakte reeds rond de eeuwwisseling gewag van de "cultus van het individu", die volgens hem een godsdienst is "... waarvan de mens tegelijkertijd gelovige en god is" (geciteerd in Laeyendecker, 1981: 273). Door de individualisering zouden mensen zich in hun opvattingen en gedragingen minder dan vroeger laten leiden door religie en klasse en meer door hun eigen, individuele voorkeuren en afwegingen.
  Naar mijn mening is hier in ieder geval op het gebied van "smaak" en esthetische oordelen sprake van een mythe en een ideologie. De "hypothese" van de individualisering impliceert onder andere dat er steeds minder samenhang bestaat tussen sociale achtergrondfactoren als religie, sociaal-economische kenmerken en sekse en muzikale voorkeuren. Als dat waar zou zijn, zouden wij bij bijvoorbeeld concerten een zeer gemêleerd, heterogeen gezelschap moeten aantreffen. Dat is echter niet het geval. Zo had ik enkele jaren geleden de gelegenheid aanwezig te zijn bij zowel het Dynamo Open Air Festival te Eindhoven, het grootste heavy metal-festival van Nederland (en thans ook van Europa), als de serie Pioniers van onze eeuw in het Amsterdamse Concertgebouw, waar muziek van onder andere Debussy en Schönberg te horen was. De verschillen onder het publiek waren zo mogelijk nog groter dan de muzikale verschillen tussen bijvoorbeeld de death metal-groep Obituary en de composities van Debussy. In beide gevallen was het publiek zeer homogeen samengesteld en was van individuele verscheidenheid weinig te merken. Zoals te verwachten was, had het publiek in het Concertgebouw een hoog "yuppie"-gehalte, terwijl daarentegen het merendeel van de jeugdige bezoekers van Dynamo Open Air met behulp van kettingen en riemen, lang haar en T-shirts met choquerende opschriften en afbeeldingen ruig wilde overkomen. Een andere indicatie voor de sociale bepaaldheid van smaak betreft de muzikale voorkeur van politici. Toen ik in 1987 een ter gelegenheid van de Provinciale Statenverkiezingen vervaardigde dikke krant over provinciaal cultuurbeleid doornam, viel het mij op dat de helft van de provinciale "cultuurgedeputeerden" liefhebber van Mahler was. En het was toen nog lang geen Mahler-jaar! Het is daarentegen nog steeds ondenkbaar dat een gedeputeerde zijn bewondering voor Public Enemy, Napalm Death of Morbid Angel uit zal spreken.
  Verwonderlijk is dat niet want nog steeds verschillen socialisatieprocessen, waarbij mensen de cultuur van de samenleving aanleren, heel sterk in uiteenlopende sociale milieus. Mensen verschillen niet alleen van elkaar qua bezit ("economisch kapitaal") en macht ("politiek kapitaal"), maar ook in wat de Franse socioloog Bourdieu noemt "sociaal kapitaal" en "cultureel kapitaal". Sociaal kapitaal definieert hij als "... het geheel van bestaande of potentiële hulpbronnen dat voortvloeit uit het bezit van een meer of minder geïnstitutionaliseerd duurzaam netwerk van relaties van onderlinge bekendheid en erkentelijkheid — ofwel uit het lidmaatschap van een groep — dat elk van zijn leden de ruggesteun geeft van het collectieve kapitaalbezit, een "geloofsbrief" die hen in de ruime zin des woords kredietwaardig maakt" (Bourdieu, 1989: 132). De netwerken van studentencorpora zijn een goed voorbeeld van het belang en de werking van sociaal kapitaal. Van cultureel kapitaal geeft Bourdieu geen nauwkeurige omschrijving. Hier is vooral zijn notie waardevol dat cultureel kapitaal onder andere betrekking heeft op de "symbolische toeëigening" van cultuurgoederen (Bourdieu, 1989: 129). Dat persoon X de schilderijen van de Cobra-groep waardeert en persoon Y niet, heeft niet zozeer te maken met individuele verschillen in aanleg en smaak als wel met de tijd en moeite die X geïnvesteerd heeft in de ontwikkeling van het vermogen om van de kunstwerken van Appel c.s. te genieten. Dat vermogen heeft X niet zelf vergaard maar "van huis uit" meegekregen, bijvoorbeeld omdat de ouders van de betrokkene zich veel begeven in "avant-gardistische" kringen en zelf ook abstracte schilderijen appreciëren. "Cultureel kapitaal" is dus overdraagbaar en hangt samen met wat Bourdieu noemt "distinctie", wat betrekking heeft op de "symbolische hiërarchieën" die mensen construeren, bijvoorbeeld het onderscheid tussen "avant-gardistische" en "achterhaalde" kunst en smaak.
  Bourdieu (1989: 128) wijst erop dat de overdracht van cultureel kapitaal veel verhulder is dan die van bijvoorbeeld economisch kapitaal. Dat ligt ook voor de hand; de overdracht van economisch kapitaal in de vorm van bijvoorbeeld erfenissen is voor iedereen zichtbaar. Dat geldt echter niet voor de overdracht van de "toeëigening" van culturele goederen. Juist in dit opzicht kan de mythe van de individualisering derhalve wortel schieten. Hoe sterk individualisering een geloofsartikel is, ervaar ik door de heftige reacties van sommige studenten als ik betoog dat bijvoorbeeld muzikale smaak sterk sociaal bepaald is. Men is hoogstens bereid toe te geven dat "de anderen" zich in hun voorkeuren door de massa laten leiden, maar voor hen zelf geldt dat niet; hun preferenties zijn wel van puur individuele aard. De massa bestaat altijd uit anderen. Mijn stelling luidt dan ook dat er wel degelijk een duidelijke samenhang bestaat tussen sociale herkomst (opleiding, sociaal-economische status, geslacht, huidskleur, geboortestreek), de voorkeur voor een muzikaal genre, het waarden- en normenpatroon, en gedragingen en uiterlijk. Daarmee wil ik niet zeggen dat bijvoorbeeld alle jongeren met een lage sociaal-economische status van heavy metal houden, net zo min als iedereen met een hoge opleiding liefhebber van gothic is, maar wel dat dergelijke categorieën jongeren onder de fans van beide genres oververtegenwoordigd zijn. Er bestaat dus een relatie tussen heavy metal en sociale ongelijkheid, waarmee ik terechtgekomen ben bij de tweede aan het begin van dit artikel gestelde vraag. Ik ga bij de behandeling van die vraag vooral in op de door de culturele elite geconstrueerde "prestigerangorde" van muzikale genres.
3 De Australische heavyrock formatie AC/DC

De smaak van muziekkenners. Naar mijn mening is uit sociaal-wetenschappelijk oogpunt heavy metal het belangrijkste genre in de popmuziek van de afgelopen vijfentwintig jaar. Ik doe hiermee uitdrukkelijk geen uitspraak over de muzikale verdiensten van dit genre. De massale aanhang voor heavy metal, de duurzaamheid en continuïteit van de ermee verbonden subcultuur, de vele verschillende sub-genres die sinds de jaren tachtig ontstaan zijn, de vele kruisbestuivingen met andere muzikale genres als rap en punk: het zijn meer dan voldoende redenen om een sociaal-wetenschappelijke blik te werpen op het verschijnsel heavy metal. Dat de wetenschappelijke interesse in dit fenomeen toch zo gering lijkt te zijn, hangt samen met het hiervoor gesignaleerde dédain van intellectuelen jegens massacultuur. Tot de weinige auteurs die de massacultuur wel serieus genomen hebben, behoren de filosoof Boomkens (1994), de socioloog Bourdieu (1989, 1994) en de literator Eco (1988), waarbij ik mij in dit paper vooral door de denkbeelden van Bourdieu heb laten inspireren.

  In de analyse van cultuurgoederen ligt thans de nadruk op de betekenis van de producent in de persoon van het artistieke, creatieve, scheppende individu. Beschouwingen over cultuur zijn derhalve gegrondvest op het romantische beeld van het geniale individu dat dankzij inspiratie en artisticiteit zijn schitterende kunstwerken schept. Zo verschenen er naar aanleiding van het overlijden van W.F. Hermans tal van artikelen waarvan de kern was dat de jonge dode wellicht minder plezierige karaktereigenschappen had maar dat hij zeker in de jaren vijftig en zestig een "groot schrijver" was. Er zijn zelfs academici die zich gespecialiseerd hebben in het schrijverschap van onder andere Hermans en Mulisch. Voorzover academici zich bezig houden met literatuur, concentreren zij zich derhalve op (a) "serieuze literatuur" en niet op "goedkope lectuur" zoals streekromans, "science fiction" en de Bouquet-reeks en (b) de schrijver en niet op de lezer. Dientengevolge komt men nooit verhandelingen tegen over bijvoorbeeld de sociale betekenis van de geschriften van de dichteres Nel Benschop en de schrijfster Mien van 't Sant, hoewel beide dames een groter lezerspubliek hebben dan de "grote drie" Mulisch, Hermans en Reve. In het bijzonder Nel Benschop is een interessant fenomeen. In de overlijdensadvertenties van de Volkskrant en NRC-Handelsblad komt men wel eens strofen uit gedichten van J.C. Bloem, A. Roland Holst en andere "klassieke" dichters tegen. In de overlijdensadvertenties van regionale dagbladen, waaronder het door mij gelezen Leidsch Dagblad, zijn echter veelvuldig strofen uit gedichten van Nel Benschop aan te treffen. Zelf heb ik een keer meegemaakt dat op een begrafenis één der aanwezigen hevig geëmotioneerd een gedicht van Benschop voordroeg. Als bij één van de belangrijkste momenten van het leven, namelijk de dood van een dierbaar familielid, de nabestaanden klaarblijkelijk vertroosting zoeken bij deze gedichten, duidt dat erop dat dergelijke poëzie voor veel mensen een grote betekenis heeft. Literatuuronderzoekers hebben hier echter geen interesse voor en houden zich liever bezig met de studie van de allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie van "grote schrijvers".
  Met de popmuziek is het van hetzelfde laken een pak. Voorzover onderzoekers zich al voor popmuziek interesseren, is hun aandacht gericht op de "serieuze popmuziek" en niet op de triviale "verstrooiende muziek". De verwaarlozing van massacultuur heeft mijns inziens onder andere als oorzaak dat academici tot dezelfde sociale laag behoren als de onder andere bij het muziektijdschrift Oor en de omroep VPRO aan te treffen "serieuze" popkritici en -recensenten, die zichzelf tot de "avant-garde" rekenen. De denktrant van dergelijke muziekkenners is geworteld in de "tegencultuur" van de late jaren zestig. Nog steeds is het derhalve een norm dat artiesten niet commercieel moeten zijn, en het grootste verwijt dat men popmusici kan maken, is dat ze een "knieval gemaakt hebben voor de commercie." Zodra artiesten een massa-publiek bereiken, is dat verdacht. Daarbij lijkt voor Nederlandse journalisten het toonaangevende Amerikaanse tijdschrift Rolling Stone nog altijd als standaard te fungeren.
  Het zou de moeite waard zijn te onderzoeken welke criteria ten grondslag liggen aan de samenstelling van de "Moordlijst". Zelf lees ik Oor al vele jaren en dan valt het op hoe "politiek correct" de platenrecensies zijn. Zo zijn blanke macho-groepen fout, maar zwarte macho-groepen, zoals The Ghetto Boys, goed. Racistische blanke groepen zijn uiteraard fout. Zwarte racistische groepen, die zich bijvoorbeeld als discipelen van "The Nation of Islam" te buiten gaan aan anti-semitische uitlatingen, zijn weliswaar niet noodzakelijk goed, maar men heeft er wel begrip voor, want zwarten zijn per slot van rekening al sinds mensenheugenis onderdrukt en uitgebuit. Wat allerlei zwarte rap-groepen ook uitkramen, het is een schreeuw uit de ghetto's, en dat is als zodanig al positief. Als heavy metal-groepen door de jaren heen vasthouden aan hun muzikale stijl, heet het dat die groepen niet creatief zijn en zichzelf herhalen. Daar staat dan weer tegenover dat vrijwel alle cd's van de punkgroep The Ramones, waarvan alleen ingewijden de onderlinge verschillen kunnen horen, moeiteloos de Moordlijst halen.
  De afkeer van de toonaangevende en smaakmakende critici van heavy metal heeft dan ook naar mijn mening niet zozeer te maken met de muzikale kwaliteiten van het gebodene als wel met het waarden- en normenpatroon waar heavy metal voor staat. Per slot van rekening is dit genre in belangrijke mate een reactie op de "Woodstock-tegencultuur"; men zet zich af tegen hippies en andere "softies", wil niets weten van maatschappijkritiek en consumeert last but not least geen marihuana maar bier. De positie van heavy metal is dan ook in zekere zin vergelijkbaar met die van de smartlappen uit de jaren zestig. Een "serieuze", naar culturele verheffing strevende omroep als de VARA weigerde toen de sentimentele, goedkope liederen van Johnny Hoes, de Zangeres Zonder Naam en Johnny Jordaan te draaien. Daar is zoals bekend inmiddels verandering in gekomen. Sterker nog, in de jaren tachtig en negentig hebben juist allerlei serieuze popcritici, zoals NRC-Handelsblad recensent Jan Vollaard, het hoge niveau van de teksten van de Zangeres Zonder Naam, Jacques Herb en andere coryfeeën van het levenslied ontdekt. Wie als organisator van een popfestival of eigenaar van een discotheek een paar jaar geleden wilde tonen camp-liefhebber te zijn en de juiste (wan)smaak te hebben, moest dus de Timmerlieden, Olga Lowina en Imca Marina uitnodigen. Het valt niet geheel uit te sluiten dat heavy metal rond het jaar 2000 een soortgelijke herwaardering zal ondergaan en menig publicist tot de conclusie zal komen dat Kiss toch zo'n slechte groep nog niet was.
 
 

De formatie Kiss tijdens hun Creatures of the Night tour in 1982-'83

  De omarming door "serieuze critici" van cultuuruitingen die lange tijd als "kitsch" beschouwd waren, duidt dan ook niet op een oprechte belangstelling voor massa-cultuur. Ten eerste valt men in dit soort gevallen met name op die artiesten die over het hoogtepunt van hun populariteit heen zijn of al niet meer optreden. Abba en Gary Glitter kregen in de jaren zeventig in de serieuze pers veelal geen positieve platenrecensies, maar in de jaren tachtig ontdekte men alsnog de grote kwaliteiten van beide "acts". Ten tweede is de waardering voor levensliederen, glitter-rock en soap-series altijd dubbelzinnig. Men vindt dit soort cultuuruitingen op een andere manier leuk dan het "gewone volk"; men kijkt er altijd met een knipoog en ironische blik naar. In dat opzicht doet de "ironische" waardering door "muziekkenners" van wat voorheen als "kitsch" gold denken aan het gedrag van leden van studentencorpora als zij zich een enkele maal bij bepaalde feestelijke gelegenheden met het "gewone volk" mengden. Ogenschijnlijk deed zich dan een zekere verbroedering voor, maar in feite bevestigden de corpsleden dan alleen maar hun gevoelens van esthetische superioriteit, distinctie en minachting voor de smaak van het volk. Zoals opgemerkt heeft de Franse socioloog Bourdieu (1989) onder meer door zijn analyses van het fenomeen "cultureel kapitaal" de voedingsbodem gelegd voor een vruchtbare studie van massa-cultuur. Hij laat zien dat er een ambivalente relatie bestaat tussen economisch en cultureel kapitaal. Aan de ene kant draagt economisch kapitaal bij tot cultureel kapitaal; wie de ambitie heeft om toe te treden tot de gelederen der culturele smaakmakers, zal daar veel geld in moeten investeren. Ook kan cultureel kapitaal op den duur economisch kapitaal opleveren, zoals blijkt uit de lucratieve activiteiten van de vroegere Cobra-schilder Corneille voor een grote bank. Aan de andere kant is cultureel kapitaal alleen maar "effectief" als men de "economie" ontkent, zoals Bourdieu (1989: 271) dat uitdrukt. Men kan met andere woorden alleen maar een "geconsacreerde" ofwel gewijde status in het "culturele veld" bereiken als men ontkent bij de productie van culturele goederen commerciële oogmerken te hebben; winstbejag is uit den boze. Afkeer van de commercie is de norm in het culturele veld.
  In een uitvoerige analyse van de ontwikkeling van de Franse literatuur laat Bourdieu (1994: 95 e.v.) zien dat de constituering van een autonoom literair veld halverwege de negentiende eeuw, met als voornaamste exponenten Baudelaire en Flaubert, samenvalt met de opkomst van de l'art pour l'art-ideologie. Zodra de literatuur zich met andere woorden losmaakt van de oude economische en politieke banden, wint de opvatting veld dat de literatuur niet dienstbaar moet zijn aan ondersteuning van het politieke regime of aan sociaal protest, maar er om zichzelfs wil is. Bij literatuur zijn derhalve uitsluitend esthetische waarden van belang. De openlijke, provocerende afwijzing van morele, ethische maatstaven riep in het Frankrijk van de vorige eeuw dan ook zowel in het "burgerlijke" als het socialistische kamp weerzin op. In dit krachtenveld nam een schrijver als Baudelaire de rol van bohémien ofwel dandy aan, de onaangepaste artiest die zowel de gegoede burgerij als het proletariaat minachtte en choqueerde.
  Boomkens brengt in navolging van de Duitse filosoof Benjamin de opkomst van de bohémien/dandy/flaneur in verband met het ontstaan van de massa-samenleving. In het volgende citaat toont hij de ambivalente relatie tussen de flaneur en de massa (Boomkens, 1994: 58): "De flaneurs gedroegen zich als voyeurs van de massa, en in die betekenis parasiteerden zij in intellectuele zin op het dagelijks doen en laten van die massa — maar als voyeur hadden zij tenminste een concreet beeld van die massa's, waarmee ze als het ware getrouwd waren en voor wie ze tegelijkertijd hun diepste gevoelens van walging reserveerden."
  Tenminste in tweeërlei opzicht zijn de beschouwingen van Bourdieu en Boomkens van belang. Ten eerste blijkt dat de hedendaagse popsterren hun voorlopers hebben in de Franse literatoren van de negentiende eeuw. Al zijn er sommige artiesten, zoals Bob Dylan, die zich wel gedurende een bepaalde periode en tot op zekere hoogte geëngageerd hebben met sociaal protest, voor de meesten geldt toch dat zij de hedendaagse Baudelaires zijn, waarbij men kan denken aan uiteenlopende sterren als Mick Jagger in de jaren zestig, Keith Richards in de jaren zestig, zeventig en tachtig, "Lemmy" van Motörhead en Ozzy Osbourne, die zich alle kenmerk(t)en door hun onaangepaste gedrag, hun weigering zich met welke politieke en maatschappelijke zaak ook te engageren en hun puur "esthetische" standaarden.
  Ten tweede is duidelijk dat het bereiken van een "gewijde status" in het "culturele veld" alleen mogelijk is als men zich afzet tegen de commercie, "de economie", "de massa". Er lijkt een inverse relatie te bestaan tussen populariteit bij de massa en waardering van de critici. Heavy metal neemt dan ook in de prestige-rangorde in het culturele veld een lage plaats in. De lage status van heavy metal "reproduceert", om het maar eens ouderwets te formuleren, de sociale ongelijkheid in de samenleving. Bezitters van cultureel kapitaal voelen zich vanwege de veronderstelde platheid van muziek en teksten niet aangetrokken tot dit genre, in tegenstelling tot veel jongeren met een lage sociaal-economische status, hetgeen de afkeer van de culturele elite jegens dit muzikale genre weer versterkt. Zo is er sprake van een vicieuze cirkel. Heavy metal neemt zo een met smartlappen en operette vergelijkbare lage positie in de prestige-rangorde van het culturele veld in. Alle drie de genres kenmerken zich door gemakkelijk in het gehoor liggende muziek, waarbij men zich niet zoals bij veel "avant-gardistische" muziek hoeft af te vragen wat de bedoelingen van de componist zijn, voorspelbare motieven en teksten en een royaal gebruik van cliché's en een accentuering van traditionele waarden en normen. Kortom: het is muziek voor het volk, waarvan de teksten niet "gelaagd" zijn en geen diepzinnige pretenties hebben, zodat de analyse ervan voor de serieuze popkritiek niet interessant is.
4 Romantiek en religie. Tenslotte zal ik kort ingaan op de derde aan het begin van dit stuk gestelde vraag, die naar de bijdrage van heavy metal aan sociale integratie en zingeving. Na al hetgeen ik tot nu toe betoogd heb, zal het geen verwondering wekken dat tekstanalyses mijns inziens niet het zwaartepunt van studies van popmuziek dienen te vormen. Niet de innerlijke roerselen van een artiest lijken mij van belang maar de betekenis die de fans eraan toekennen, voorzover zij dat al doen. De meeste heavy metal-fans nemen de teksten van hun favorieten namelijk met een korreltje zout, en dat is maar goed ook, anders zouden ze moordend en brandschattend door stad en land trekken, massaal zelfmoord plegen of in grote getale begraafplaatsen bezoeken teneinde daar grafzerken te openen.
  Daarnaast begrijpen vele fans de teksten eenvoudig niet. De populairste heavy metal-groep uit de jaren tachtig, Iron Maiden, heeft diverse songs gewijd aan het bijbelboek Openbaring van Johannes, zoals Revelations en The Number of The Beast. Ik heb niet het vermoeden dat veel fans dit bijbelboek geraadpleegd hebben. Een ander bekend nummer van Iron Maiden, The Rime of The Ancient Mariner, is gebaseerd op het gelijknamige werk van de Engelse romantische dichter Coleridge. Het lijkt me sterk dat fans de moeite hebben genomen zich in het werk van Coleridge te verdiepen.
  Weinstein (1991) geeft een vermakelijk voorbeeld van de wijze waarop fans teksten interpreteren. Het betrof hier het nummer 2112 van de Canadese groep Rush. Dit nummer, dat de opbouw heeft van een opera, duurt bijna twintig minuten en heeft als "libretto" een science-fiction verhaal, dat speelt in het jaar 2112. De aarde is dan om wat voor reden dan ook niet meer bewoond en een buitenaardse expeditie landt op de aarde. De expeditie is afkomstig uit een totalitair, door priesters geregeerd land. Eén van de deelnemers van de expeditie vindt een akoestische gitaar en leert erop te spelen. De priesters nemen hier echter geen genoegen mee en vernietigen uiteindelijk het individu.
  Weinstein constateerde dat door haar ondervraagde fans de tekst letterlijk uit hun hoofd kenden, hetgeen een indrukwekkende prestatie is, want de tekst bevat veel coupletten maar geen refrein. Toen zij vervolgens vroeg aan wiens kant de groep stond, antwoordden dezelfde fans "de priesters", hoewel het voor Weinstein (en mij) evident is dat de groep partij kiest voor het individu. De enige verklaring die ik hiervoor kan vinden, is dat de muziek van de groep hard en snel is wanneer de priesters aan het woord zijn, maar dat de mijmeringen van het individu gepaard gaan met rustige, akoestische muziek.
  De "gothic" platenhoes van Obituary's "Back From The Dead"

Globaal zijn er in de teksten van heavy metal-groepen twee "stromingen" te bespeuren. Aan de ene kant zijn er groepen als AC/DC en Kiss, wier teksten een hedonistisch karakter hebben en de hedendaagse variant zijn van het aloude "Wein, Weib und Gesang". Qua thematiek lijkt dit soort groepen sterk op de mainstream-popmuziek. Een tweede stroming, waarvan Black Sabbath één van de belangrijkste inspiratiebronnen is, kenmerkt zich door een preoccupatie met verval en dood en door onheilzwangere, morbide, omineuze teksten. Men zou de teksten als "gothic" kunnen karakteriseren. De "gothic" elementen zijn ook terug te vinden in de kleding en platenhoezen en bij optredens gebruikte decors, zodat een macabere sfeer ontstaat. Het is evident dat dit "gothic" karakter van heavy metal een door en door romantische inslag heeft vanwege de accentuering van het irrationele.

  Heavy metal is niet alleen romantisch maar ook religieus. Daarmee bedoel ik niet dat metal-groepen in God geloven en in hun liederen van hun geloof kond doen. Het gros van de acts geeft blijk van een grote aversie jegens georganiseerde religie, al is het geen toeval dat "white metal" een niet onbelangrijk subgenre is. Ik bedoel er wel mee dat heavy metal evenals kerken en sekten een belangrijke rituele en sociale functie voor de betrokkenen vervult: de saamhorigheid is groot, groter dan bij welk ander genre in de popmuziek ook, en de concerten verlopen volgens vaste rituelen, zodat optredens veel weg hebben van kerkdiensten. Daarnaast staan bij veel heavy metal-acts dezelfde thema's centraal als bij georganiseerde religie, zoals de eeuwige strijd tussen goed en kwaad en de vraag naar de zin van het leven. Het is dan ook niet verwonderlijk dat juist heavy metal ruimte biedt aan diverse zich als satanistisch profilerende bands. In het algemeen is bij veel groepen de fascinatie voor religieuze thema's groot; de kruistochten, Armageddon, de kruisiging van Jezus mogen zich allemaal in een grote belangstelling verheugen, zij het dan veelal vanuit een ander perspectief dan dat van de christelijke kerken. Zo kan men ook het curieuze verschijnsel verklaren dat juist in een orthodox-protestantse plaats als Katwijk heavy metal zo populair is.
  Al met al valt hieruit te concluderen dat heavy metal voor de fans een belangrijke integrerende en zingevende functie vervult. Het is echter een bekende sociologische "wet" dat de keerzijde van een hechte binding in een bepaalde gemeenschap van mensen maar al te vaak een grote vijandigheid jegens andere gemeenschappen is. Sterker nog: een gemeenschap ontleent vaak mede haar identiteit aan haar rivaliteit met andere gemeenschappen, zoals de identiteit van Ajax-supporters onder andere bepaald is door hun eeuwige twisten met Feijenoord-supporters, en omgekeerd. Zo lijkt de saamhorigheid in heavy metal-kringen ook beïnvloed te zijn door de afkeer van andere muzikale genres. De situatie is nog gecompliceerder als men bedenkt dat heavy metal zelf in de loop van de jaren tachtig en negentig uiteengevallen is in een aantal verschillende subgenres, waarbij met name aanhangers van meer extreme varianten van heavy metal als speed-, thrash-, black-, doom- en death-metal zich afzetten tegen de fans van meer melodieuze hard rock.
  In het algemeen kan men op het gebied van de popmuziek onder andere in Nederland een toename van de pluraliteit van levensstijlen en subculturen ontwaren. In het bijzonder twee vragen zijn bij de bestudering daarvan van belang en zouden naar mijn mening het onderwerp moeten zijn van sociaal-wetenschappelijk onderzoek. Ten eerste hebben leefstijlen en subculturen duidelijk sociale wortels, maar is het de vraag of leefstijlen thans langzamerhand niet een "autonoom" karakter krijgen, los van hun oorspronkelijke gebondenheid aan een bepaalde sociale laag. Ontwikkelt leefstijl zich met andere woorden tot een nieuwe dimensie van sociale ongelijkheid? Ten tweede is het de vraag hoe veel pluraliteit een samenleving kan dragen. Kunnen de verschillende subculturen vreedzaam "vreedzaam coëxisteren" en is er naast alle verscheidenheid ook nog sprake van een zekere eenheid in de samenleving?
   
Previous
  Literatuur
 
  • Boomkens, René (1994), Kritische massa. Over massa, moderne ervaring en popcultuur. Amsterdam: Van Gennep, 1994.
  • Bourdieu, Pierre (1989), Opstellen over smaak, habitus en het veldbegrip. Amsterdam: Van Gennep, 1989.
  • Bourdieu, Pierre (1994), De regels van de kunst. Wording en structuur van het literaire veld. Amsterdam: Van Gennep, 1994.
  • Dekker, Gerard (1987), Godsdienst en samenleving. Inleiding tot de studie van de godsdienstsociologie. Kampen: Uitgeversmaatschappij J.H. Kok, 1987.
  • Eco, Umberto (1988), De structuur van de slechte smaak. Amsterdam: Bert Bakker, 1988.
  • Hard rock & heavy metal encyclopedie. Naarden: Strengholt, 1989.
  • Hard rock & heavy metal encyclopedie. Volledig herziene en geactualiseerde uitgave. Naarden: Strengholt, 1992.
  • Laeyendecker, Leo (1981), Orde, verandering, ongelijkheid. Een inleiding tot de geschiedenis van de sociologie. Meppel: Boom, 1981.
  • Love, Robert (red.) (1994), The best of Rolling Stone. London: Virgin, 1994.
  • Sociaal en Cultureel Rapport. Rijswijk: Sociaal en Cultureel Planbureau, 1994.
  • Weinstein, Deena (1991), Sociology of heavy metal. New York: Lexington Books, 1991.
Previous
  Dit artikel werd geschreven als bijdrage aan het congres van de IASPM-Benelux in 1995 en verscheen eerder in: Populaire Muziekstudies Online. Wetenschappelijk Tijdschrift voor de Studie van Populaire Muziek. Jaargang 1, nummer 1, zomer 1995.
  1995 © Populaire Muziekstudies Online