Logo  
  | home | authors | calendar colophon | links | newsgroups | newsfeed | new | printer version |  
volume 2
november 1999

Wij en zij

 





  Het academisch milieu over populaire cultuur en populaire muziek
door Gust de Meyer
Previous
  Wie zich vanuit de wetenschap met de populaire cultuur en de populaire muziek bemoeit, krijgt het moeilijk: met collega's die de populaire cultuur geen enkele academische aandacht waard achten, met de nostalgie in bepaalde stromingen van onderzoek die de "oude" en "authentieke" volkscultuur koesteren, met de eigen, bijna onuitroeibare neiging om binnen het domein van de populaire cultuur een onderscheid te maken tussen "goede" en "slechte" elementen, en natuurlijk — wanneer een publicatie aanslaat — met journalisten die menen zelf meer "feeling" te hebben met de populaire cultuur dan gedistantieerde wetenschappers. Al deze klippen op de ontdekkingsreis van het academisch onderzoek naar de populaire cultuur en de populaire muziek worden hier in kaart gebracht door Gust de Meyer.

1 Verschillende visies. In wat volgt probeer ik de positie te schetsen van het academisch milieu — dat zijn "wij" dus — ten overstaan van de populaire cultuur en haar publiek — "zij" dus. Ik onderscheid vier visies. Ik betitel ze als: "wij", "wij + zij", "wij = zij", "zij". In deze volgorde kunnen de visies ook min of meer chronologisch worden gerangschikt. De tweede visie vangt aan in de jaren zestig en kent haar hoogtepunt in de jaren zeventig, de derde overheerst in de jaren tachtig-begin jaren negentig. Aan de meest recente, de vierde fase, die ik dus betitel met "zij", kan intussen al een vijfde toegevoegd worden waarin nieuwe versies van de eerste visie ("wij") en van de tweede visie ("wij + zij") opduiken. Tot slot blijkt er ook nog een zesde visie te bestaan, waarin academische aandacht voor popmuziek volstrekt overbodig wordt geacht: "zij # wij".
  Wij. In een eerste visie, chronologisch ook de oudste, wordt populaire cultuur niet eens de moeite waard gevonden om te worden bestudeerd. Alleen de hoge cultuur vermag de aandacht van de academicus te boeien. Er wordt hooguit een klein hoekje gereserveerd voor de studie van de folklore. Deze volkscultuur van weleer kan immers min of meer worden beschouwd als de voedingsbodem voor de hoge cultuur. Folklore is het bestuderen waard omdat het om kunst gaat, weliswaar volks-kunst maar toch een beetje kunst. De studie van deze volkskunst geschiedt vaak uit een nostalgische invalshoek van "hoe goed het vroeger was", in vergelijking dan met de cultuur van de industriële en later de gemediatiseerde maatschappij. Ook al wordt de cultuur van die maatschappij doodgezwegen in de studie van de folklore, de massacultuur is eigenlijk altijd stilzwijgend aanwezig, en altijd als een gedegenereerde variant van de volkscultuur van de pre-industriële samenleving. In elk geval wordt in deze positie "zij" niet expliciet gemaakt.
2 Wij + Zij. In een volgende visie wordt de cultuur van de massamaatschappij en later van de massamediamaatschappij wel toegelaten tot het studiedomein van de wetenschap. De invalshoek van waaruit de massacultuur wordt bekeken, wordt nu ook expliciet gemaakt en wel in volgende zin: de cultuur van de voorindustriële samenleving was nog goed, die van de massamaatschappij is slecht. De academicus wordt in deze visie meegesleurd door de massacultuurkritiek. Die wordt geformuleerd vanuit twee hoeken: een conservatieve en een progressieve, neomarxistische. De laatste probeert ondermeer via het begrip cultuurindustrie vat te krijgen op het studiedomein. Hoe verschillend ook de oorzaken zijn die genoemd worden voor de opkomst van de massacultuur, hoe verschillend ook de remedies ertegen en hoe verschillend ook de toekomstvisies, de conservatieve en de neo-marxistische school sluiten een merkwaardig verbond op minstens twee punten. Beide scholen kijken namelijk nostalgisch terug op de agrarische, pre-industriële gemeenschap. Beide zien in de massacultuur ook een bedreiging voor de hoge cultuur.
  In beide scholen bepaalt de kijk op verleden en toekomst in belangrijke mate de uiteindelijke positie die men inneemt. Die kijk is eveneens te herleiden tot twee varianten, een pessimistische en een optimistische. De pessimisten kijken vertederd terug op de volkcultuur van weleer en stellen dat de industrialisering een einde heeft betekend voor de cultuur en voor de beschaving tout court. Tegenover deze nostalgische apocalyptici staan de voorvechters van de beschaving. Deze modernistische vooruitgangsdenkers twijfelen wel eens aan de waarde van de volkscultuur — is die niet meer dan toegepaste kunst van de gewone man? — en wensen alles te zetten op de toekomst. Zij kijken die optimistisch tegemoet: mits bewustmaking van de massa, educatie ... kan het nog wel allemaal goed komen. Wat nostalgische apocalyptici en voorvechters van de beschaving, zowel de conservatieve onder hen als de progressieve, gemeen hebben is hun elitaire kijk op de smaak van het volk.
  In tegenstelling tot de eerste visie waar die behoefte niet bestaat of althans verdrongen wordt, is in deze tweede visie een academische behoefte ontstaan omtrent kennis van de populaire cultuur. Niettemin blijft het academisch discours gedirigeerd worden door een uit de eerste visie overgeërfde elitaire culturele dichotomie waarin de cultuur van de massa, haar levenswijze weliswaar waard wordt bevonden om bestudeerd te worden, doch slechts in de oppositie "wij-zij". Het gaat niet om de cultuur van ons, academici, maar om die van de andere, waarmee wij ons zeker niet wensen te identificeren.
3 Wij = Zij. De voorgaande visie heeft het academisch discours bepaald tot niet zo lang geleden. Recentelijk echter zijn sommige academici gaan spreken over populaire cultuur als eveneens behorend tot hun dagelijks leven. Dat het hier gaat om de generatie die opgegroeid is met de producten van de culturele industrie, is zeker niet vreemd aan hun invalshoek. Die is: de studie van populaire cultuur is niet de studie van hun, maar de studie van onze cultuur. Onze cultuur is ook de hunne, "wij is gelijk aan zij". Althans tot op zekere hoogte. Want, al lijkt de dichotomie tussen "wij" en "zij", tussen gewone volk en academici, tussen de man in de straat en de intellectueel, tussen vrije tijd buiten de universiteit en academische bezigheid binnen de muren van de universiteit, nu opgeheven, de dichotomie tussen hoog en laag op cultureel vlak, lijkt voorlopig moeilijker af te bouwen. Want:
 
  • Al gaat men, ondermeer onder invloed van de structuralische semiologie, zo ver te stellen dat lage cultuur in essentie niet verschillend is van hoge cultuur omdat beide werken volgens verschillende maar daarom niet minderwaardige codes, toch blijft de gedachte aanwezig dat de codes binnen de hoge cultuur uiteindelijk toch subtieler, complexer, innovatiever ... gehanteerd worden.
  • Al gaat men, ondermeer onder invloed van de Britse subcultuurtheorie, zo ver te stellen dat ook bepaalde producten uit de lage cultuur — bepaalde is hier belangrijk — kritische potenties kunnen hebben, bestaande sociale, raciale of sexuele vooroordelen kunnen tegenwerken, dan worden deze kritische potenties toch nog steeds gereserveerd voor bepaalde producten, niet voor wat kitsch, commerciële massacultuur, pulp of trash wordt geheten.
  • Al gaat men, ondermeer onder invloed van de receptie-esthetiek, zo ver te stellen dat de lezer een tekst niet noodzakelijk decodeert zoals hij geëncodeerd is, dat er meerdere lezingen van een tekst mogelijk zijn, dat betekenis niet alleen in de tekst zit maar minstens evenzeer in de lectuur van die tekst, dan blijft men toch op zoek gaan naar teksten die een resistente lectuur mogelijk maken en blijft men die opponeren ten opzichte van teksten waarin uiteindelijk een soort van manipulerende vertelinstantie zijn voorkeurslectuur opdringt aan de lezer.
  Al wordt dus in deze derde visie toegegeven dat sommige producten uit de populaire cultuur wel degelijk het bestuderen waard zijn (cfr. de tweede visie) en zelfs niet meteen verwerpelijk zijn, maar ook waardevol, ja zelfs emancipatorisch kunnen zijn, toch blijft uiteindelijk een elitaire instelling de academische belangstelling kleuren. De theorieën over massacultuur en cultuurindustrie uit de tweede visie blijven in de derde visie onderhuids sluimeren. Meer zelfs, wanneer geleidelijk aan meer en meer domeinen van populaire cultuur ontsloten worden door de wetenschap, blijft de niet aflatende behoefte bestaan om onderscheidingen aan te brengen, binnen het domein van de lage cultuur zelf, in een goede lage cultuur en een slechte lage cultuur. Dat leidt dan uiteindelijk opnieuw tot een "wij-zij" dichotomie, ditmaal dus binnen het domein van de populaire cultuur zelf.
  Ook diegenen die in het zog van het postmodernistisch credo pleiten voor de opheffing van het onderscheid tussen hoge en lage cultuur, sluiten zich uiteindelijk weer op in dergelijke dichotomie: commerciële kitsch mag tot kunst worden verheven maar het moet wel opnieuw kunst genoemd worden, of althans geplaatst kunnen worden boven de producten van de gewone kitsch.
4 Zij. Een van de opdrachten die de academicus met interesse voor populaire cultuur momenteel dient te vervullen, wil hij tenminste het laatste restje elitairisme uitzuiveren, is ondermeer aan te tonen dat ook de lezer van populaire teksten specifieke, subtiele, complexe ... strategieën heeft om de lectuur van die teksten tot een goed einde te brengen, om er betekenis aan toe te kennen en er bovendien nog plezier aan te beleven ook. Ook nog: aan te tonen dat een of andere kritische potentie niet alleen uit de oppervlakte-lectuur van populaire cultuur kan gerealiseerd worden, zodanig dat slechts bepaalde populaire cultuur-teksten als moreel goed kunnen bestempeld worden, maar dat ook de lezer van kitsch-teksten in een dieperliggende lectuur, vooral op het emotionele vlak, iets kan hebben aan die lectuur en dat daar wellicht een even groot emancipatiepotentieel verborgen zit. Ook nog: de laatste restanten van het massacultuurdenken uit de tweede visie uit te zuiveren. Uiteindelijk: aan te tonen dat niet alleen een dichotomie tussen "wij" en "zij" onproductief werkt, maar ook een dichotomie tussen hoog en laag niet productief meer is.
  Om dat alles te realiseren dient de academicus bereid te zijn als het ware in de huid te kruipen van de consumenten van de populaire cultuur om het risico te vermijden dat hij een wereldvreemd analyseschema, eventueel uit de hoge cultuur, op hun actieve consumptie van mediaproducten en consumptiegoederen toepast. Alle restanten van het massacultuurdenken dienen uitgedreven. Wellicht gaat het te ver als voorwaarde te stellen voor een juist begrip van populaire cultuur dat de academicus moet houden van de objecten waarover hij onderzoek doet. Maar hij moet in elk geval een zekere welwillendheid aan de dag leggen tegenover zijn studieobject, over een zeker inlevingsgevoel beschikken. Voor hem bestaat in elke geval het "wij-zij" gevoel niet meer. Wellicht moeten "wij" wel opgaan in "zij".
  Men zegt wel eens dat de postmoderne tijd veel weg heeft van de middeleeuwen. De geletterde participeert (opnieuw) in de cultuur van het volk, maar het volk participeert (nog altijd) niet in de cultuur van de geletterde. Dergelijke opvatting blijft een "wij-zij"-visie ademen. In de "zij"-visie dient nu de vraag gesteld of mogelijk de hedendaagse volkscultuur niet ongeveer alles te bieden heeft wat de hoge cultuur voor zichzelf altijd heeft gereserveerd en of we uit de studie van de populaire cultuur niet ongeveer even veel kunnen leren over het menselijk project dan uit de studie van de hoge cultuur. Nu het grote modernistisch project inzake culturele opvoeding als niet geslaagd wordt beschouwd, is het dan niet vruchtbaarder van bij laag te beginnen in de plaats van hoog als enigzaligmakend te blijven opdringen? Misschien zijn we in onze postmoderne wereld wel aardig op weg om opnieuw, niet een middeleeuwse, maar een gemeenschappelijke cultuur te realiseren die doet denken aan die van de primitieve samenlevingen maar dan op mondiaal vlak via processen van globalisering en multimedialisering en interactieve communicatie.
5 Wij (bis); Wij + Zij (bis). Indien wij als academicus met belangstelling voor cultuur — mijn pleidooi indachtig voor een opheffing van de dichotomie tussen hoog en laag, zouden we het adjectief populair voortaan beter laten vallen — indien wij dus als academicus-cultuurwetenschapper niet slagen in de geformuleerde opdrachten, vrees ik dat een nieuw elitairisme de studie van ons geliefkoosde domein zal komen bedreigen. De tekenen zijn er al. Sommige academici uit de derde en zeker uit de vierde visie worden nu al bedacht met de term nieuwe revisionist. Ook al blijven de meeste populaire cultuur-wetenschappers, zoals aangetoond, nog serieus ambivalent, beïnvloed als ze zijn door de massacultuurtheorieën waarmee ze tenslotte zelf in hun universitaire studies zijn geconfronteerd, in hun vaak enthousiaste omarming van op consumptiegerichte goederen of mediaproducten, wordt vaak nu al een onkritische toegeving gezien aan de consumptiecultuur. Om daar tegen in te gaan pleiten de enen, in een onverbloemde nieuw-elitaire formulering, voor het opnieuw leren beheersen van de hoge cultuur-taal, voor een terugkeer naar het enig zaligmakende "wij" dus uit de eerste visie.
  Anderen, die zich als welmenende cultuurpopulisten voordoen, pleiten voor de reïntroductie van het perspectief van de politieke economie. Het onkritische populisme van de derde en zeker vierde visie is volgens hen ontaard in de opvatting dat populaire cultuur consumeren een actieve, zinvolle bezigheid is, maar los van vragen als wie er uiteindelijk achter de schermen aan de touwtjes trekt. Het onkritisch populisme heeft volgens de kritische populisten de weg geopend voor een even onkritisch plezier-denken, voor de eliminatie van elke notie van strijdbaarheid uit de teksten van de populaire cultuur en de stelling dat eigenlijk elke tekst, ook de meest consumptiegerichte, progressief kan zijn. Tegen dergelijke ontaarding van de academische betrokkenheid, tegen dit nieuwe revisionisme, moet volgens deze welmenende cultuurpopulisten opnieuw aangeknoopt worden bij de school van de cultuurindustrie, voor sommigen onder hen zelfs bij een vernieuwde interpretatie van de orthodox marxistische theorie dat de culturele bovenbouw bepaald wordt door de economische onderbouw. Een terugkeer dus naar de positie "wij + zij". Mijn vraag: is hier dan geen sprake van revisionisme?
  Ik wil mijn uiteenzetting tenslotte iets meer opentrekken naar de populaire muziek. Ik doe dat door twee perssstemmen aan het woord te laten over mijn eigen doctoraatsthesis die ik de titel gaf De populaire muziekindustrie. Een terreinverkennende studie. Wij zijn 1979 en ik schreef mij toen perfect in in de cronologie die ik daarnet heb geschetst. Ik denk namelijk dat mijn doctoraatsthesis mag gesitueerd worden op de overgang van de fase "wij + zij" naar de fase "wij = zij" met hier en daar een aanzet tot de fase "zij". Oordeel zelf. Ook al concludeerde ik destijds — ik schrik nu zelf een beetje van de formulering — dat er "een mechanisme van standaardisering aan het werk is dat een manipulatief moment tegewoordig stelt in de populaire muziek-consumptie," ik concludeerde evenzeer dat, "de fonografisch vastgelegde muziek de ware volksmuziek is van de kapitalistisch georganiseerde industriële maatschappij", en ook dat "in tegenstelling met pessimistische manipulatietheorieën, het duidelijk is dat uiteindelijk het publiek het laatste woord heeft." Je merkt het, een beetje van alles wat.
  De positiebepaling van mijn eigen doctoraatsthesis in de geschetste fasen blijkt ook uit het stukje dat Pol Van Mossevelde er in Het Nieuwsblad van 18 januari 1980 over schreef onder de titel Primeur: Doctor in de popmuziek. Wetenschapper bestudeert muziek waar fans van houden. Hij schrijft ondermeer het volgende: "En nu is er wel een hoop lectuur over pop; er zijn ernstige en minder ernstige muziektijdschriften; links en rechts moedigt een progressieve humaniora-leraar al eens een spreekbeurt aan over het verschijnsel; aan de universiteiten worden sporadisch licentiaatsverhandelingen afgeleverd over "Bob Dylan als dichter", "Het Vlaamse cabaret", enz. Maar bij mijn weten is dit de eerste doctoraatsthesis die zich op dat populaire domein waagt." Dat een progressieve leraar [we zijn begin jaren tachtig: de benadering moet kritisch-progressief zijn] een spreekbeurt laat houden over "het verschijnsel" wordt aanvaard ["wij + zij"] en thesissen over de dichter Bob Dylan en over het ernstige Vlaamse cabaret-lied kunnen ook ["wij = zij" op voorwaarde dat het er ernstig aan toegaat] maar een thesis, een doctoraatsthesis nog wel, over "muziek waar fans van houden" ["zij" dus] dat is nieuw."
6 Zij # Wij. Een ander krantenartikel van de hand van Jackie Huys in De Morgen van 2 februari 1980 biedt mij de gelegenheid nog een andere visie te presenteren. Het gaat hier niet meer om de houding van wij, academici, tegenover populaire muziek, maar over de houding die de goegemeente van popliefhebbers, zoals die ondermeer vertegenwoordigd wordt door de rock-journalist, aanneemt tegenover ons. Ik weet het wel, wij zijn intussen vijftien jaar verder en er zal wel het een en ander veranderd zijn. Maar toch hoor ik af en toe nog steeds de visie die in het stukje van deze rock-journalist doorklinkt. Die gaat in de richting van: "zij kan nooit wij worden", "zij # wij". Het komt er op neer dat academici de popmuziek versmachten ondermeer door ze te verhullen in een soort geheimtaal. Omdat ze er nooit zullen in slagen de werkelijke betekenis van de muziek te vatten, zouden ze er beter aan doen erover te zwijgen. Academici hebben dus geen verstand van popmuziek.
  Het artikel van Jackie Huys is getiteld Professor pop op het hobbelige terrein. Ik beperk mij tot die passages die interessant zijn voor ons thema: "Als je te serieus gaat worden over pop of rock, ga je stelselmatig de kant van het lachwekkende op. Het zoeken van spijkers op erg laag water komt in deze hoek vermoedelijk meer voor dan waar ook (de politiek uitgezonderd). Southside Johnny zei ooit eens: 'Je moet een duidelijk onderscheid kunnen maken tussen passie en ernst. Ik kan opgaan in een song, op een serieuze manier mijn job doen, maar de status van ster moet je niet serieus nemen. Laat staan de godganse business.' Aan de Katholieke Universiteit van Leuven is onlangs ene Gust De Meyer tot doctor in de communicatiewetenschappen gepromoveerd met een proefschrift dat zo'n 600 pagina's lang is en dat als titel De populaire muziekindustrie. Een terreinverkennende studie meekreeg ... Een waarschuwing vooraf: dit werk is onleesbaar. In de zin dat thesissen zo goed als allemaal niet de bedoeling hebben gelezen te worden, maar als herinnering en bewijsmateriaal in duffe universiteitsbibliotheken te pronken. Dit houdt nog geen kritiek in op de inhoud. Alleen nog maar op de vorm: dorre citaten, ellenlange zinnen (vaak tot 15 regels lang) en een voor normale zielen onbegrijpelijk taalgebruik. Ik citeer een willekeurige passage, die ik naar mijn smaak niet uit de context licht en die typerend is. Het gaat over redundantie als innovatie (wat dat verder ook te betekenen mag hebben): 'De interesse van de hitparadekijker wordt wakker gehouden door de mediaal-esthetische innovatie die de redundante inhouden, alsof het een waar betreft, esthetisch oppoetst.' Einde citaat."
  "De diepe bedoeling blijft me, na meerdere bestuderingen ontgaan en ik dacht maar als oogverblinding voor enkele duffe professoren ... Is het historische deel (weer) vrij droog, dan wordt het gaandeweg beter: 'de muziekindustrie vandaag en morgen' is erg leesbaar voer en 'het productieproces van fonografische populaire muziek' is zelfs knap te noemen. Knap in de zin dat een buitenstaander, via bondige maar informatierijke subdeeltjes over managers, agenten, promotors, A en R mensen, marketing, promotie en zo meer een introducerende kijk krijgt aan de achterkant van de business. Volgt dan het tweede grote hoofdstuk: Vlaanderen ... Er zijn weliswaar bezwaren te maken tegen sommige voorstellingen van zaken, maar in zijn geheel is dit een erg interessant en relevant deel ... Het grote pluspunt is dat in dit deel bestaande informatie voor zover ik weet voor de eerste keer vrij overzichtelijk en bij mekaar wordt behandeld. Het derde deel vervalt helaas opnieuw in sociologische prietpraat voor de vaak. 'Massacultuur -tegencultuur' heet het ... Het ... bezwaar betreft het taalgebruik in dit soort werken. Hoogdravend en nietszeggend in het slechtste geval, onleesbaar en onbegrijpelijk in het beste ... [Een ander] punt van kritiek wordt door de auteur verrassend genoeg zelf schitterend geformuleerd, maar helaas niet ondervangen: 'De auteur kan er tot op zekere hoogte inkomen dat de essentiële betekenis van de popmuziek in haar meest kreatieve momenten aan elke wetenschappelijke analyse ontsnapt, evenals trouwens aan elke politieke relevantie.'"
  De positie die deze journalist inneemt is, zoals gezegd, nog het best te omschrijven als een "zij # wij". Eigenlijk moet er niet over popmuziek geschreven worden maar als er dan toch over geschreven wordt eigent de rock-journalist zich het alleenrecht toe over popmuziek te mogen schrijven — wij journalisten. Critici noch popliefhebbers hebben academici nodig om hen hun voorkeursmuziek uit te leggen. Eigenlijk is de journalist als popliefhebber op een eigenaardige manier verwant met de elitaire "wij"-positie. Je zou hem nog best als een "wij"-medestander kunnen omschrijven, niet vanuit de elitaire hoek, maar vanuit de popwereld zelf. Het elitaire "wij" en het populaire "wij" vinden het vanuit hun invalshoek niet nodig dat er over popmuziek ernstig geschreven wordt. Wanneer academici zich inlaten met populaire muziek, vanuit welke visie dan ook, wordt dat door deze journalist vanuit een "wij"-positie gedoodverfd als hoogdravend spijkers op laag water zoeken. En om zijn eigen positie goed te legitimeren worden de universiteiten voorgesteld als duffe instellingen waar alleen maar onbegrijpelijke taal wordt geproduceerd. Wanneer informatierijke gegevens, overzichtelijk als leesbaar voer worden gepresenteerd kan er nog een goed woord af — want dan wordt er relevante informatie meegedeeld — maar van het ogenblik dat er ook maar de minste theorievorming aan te pas komt klapt deze journalist dicht met de dooddoener "sociologische prietpraat". Overigens spreekt hij zich wel een beetje tegen wanneer hij Southside Johnny citeert om te zeggen dat men de business niet al te ernstig moet nemen en even verder dat gedeelte in mijn proefschrift, dat daarover gaat, net knap vindt. Bovendien vervalt de journalist ook in het mij ten kwade geduide euvel van het citeren door het Southside Johnny-citaat maar het is waarschijnlijk niet zo "dor" als die ik heb gebruikt. Het moet mij ook nog van het hart dat het stukje citaat dat hij uit mijn thesis heeft gelicht — en dat voor niet ingewijden inderdaad overkomt als klinkklare nonsens — helemaal niet typerend is, niet willekeurig is gekozen en wel uit de context is gelicht.
  Dit gezegd zijnde, vind ik dat het niet nodig is dat wij het alleenrecht opeisen van de toegang tot de muziek, net zomin als de kritiek dat hoort te doen. Meer zelfs, ik kan voor een groot gedeelte inkomen in wat de rock-journalist wil zeggen. Vele teksten die in ons onderzoeksdomein worden geproduceerd zijn onleesbaar. Er worden spijkers op laag water gezocht. Er is maar een uitweg, zoals ik daarstraks al heb aangegeven: de radikale positie van het "zij". Dan is de kans het kleinst dat we de bal totaal zullen mis slaan en de kans het grootst dat we spreken in de taal van de popliefhebber. Tenslotte kan ik het niet nalaten er op te wijzen dat de cartoon waarin gesuggereerd wordt dat een wereldvreemde prof — ik was overigens nog maar assistentje — wegens zijn ingewikkeld taalgebruik voor lege auditoria les geeft, door de feiten achterhaald is en dat vele studenten het hobbelige terrein naar het auditorium hebben gevonden voor de cursussen Muziekindustrie en Populaire Cultuur die ik intussen in Leuven mag doceren.
   
Previous
  Gust de Meyer is werkzaam bij de vakgroep Communicatiewetenschap aan de Katholieke Universiteit Leuven. Dit essay werd geschreven als bijdrage aan het congres van de IASPM-Benelux in 1995 en verscheen eerder in: Populaire Muziekstudies Online. Wetenschappelijk Tijdschrift voor de Studie van Populaire Muziek. Jaargang 1, nummer 1, zomer 1995.
  1995 © Populaire Muziekstudies Online