Logo  
  | home | authors | calendar colophon | links | newsgroups | newsfeed | new | printer version |  
volume 3
november 2000

Radio door een draadje

 





  De draadomroep in voor- en tegenspoed
door Hans Knot
Previous
  Het allereerste Nederlandse luisteronderzoek vond kort na de Tweede Wereldoorlog plaats in een kleine wijk binnen de gemeentegrenzen van Groningen en betrof de draadomroep. Daarover schreef Hans Knot eerder het artikel De curves van de draadomroep. Deze keer gaat hij dieper in op deze vorm van radiodistributie die in ons land een lange en rijke traditie heeft. Het begon allemaal maar liefst zo'n vijfenzeventig jaar geleden, om precies te zijn in 1924, toen Adrianus Baulig in Koog aan de Zaan een netwerk opzette voor de distributie van radiosignalen van derden via draad. En, als het aan de huidige kabelmaatschappijen ligt is de geschiedenis van radio door een "draadje" nog lang niet afgelopen.
 
1 De komst van de draadomroep in de stad Groningen (1928)

De voorlopers van de kabel. In de jonge jaren van de televisie kocht iedereen met het toestel tegelijk een antenne. Dat was destijds de enige manier om het signaal op te vangen. De toenemende populariteit van de televisie zorgde voor een woud aan antennes op de daken. Zo'n dertig jaar geleden kwam daar met de komst van de eerste centrale antennesystemen voor televisie langzaam aan verandering in. De kabelmaatschappijen maakten voor hun verbindingen gebruik van een uitvinding die al veel eerder — in 1929 — was gedaan: de coax-kabel. Deze kabel was uitermate geschikt voor het doorgeven van televisiesignalen. Inmiddels is Nederland het dichtst bekabelde land van Europa. Voor de radio bestonden er echter al veel eerder centrale antennesystemen, die de signalen naar de huiskamers doorgaven met simpele koperdraadjes.

  Radio luisteren via een centraal antennesysteem — zij het met een zeer beperkt aanbod — was vooral in de naoorlogse jaren een wijd verbreid verschijnsel. De late jaren vijftig en het begin van de jaren zestig waren de periode van de Draadomroep. De abonnee kreeg een simpele luidspreker in een bakelieten kastje, grijsblauw van kleur, dat met een snoertje was verbonden aan een forse keuzeknop. Daarmee kon de ontvangst in de huiskamer worden afgestemd op drie tot vier kanalen. Op zondagmiddag kon zo bijvoorbeeld onder knop 3 worden geluisterd naar het Belcantoconcert van de toenmalige BRT. In bepaalde delen van ons land werd dat concert gevolgd door korte sportuitzendingen van de toenmalige regionale omroep. In de provincies Groningen, Drenthe en Overijssel was dat bijvoorbeeld de RONO — de Regionale Omroep Noord en Oost. Voor die omroep gaf onder meer Henk Oostinga een overzicht van het voetbal van de betreffende middag. Wat later op de dag kon verder via datzelfde kanaal nog een aflevering worden gevolgd van het befaamde BBC-programma "Pick of the Pops", dat destijds nog was ondergebracht bij het BBC Light Programme. Het was in die tijd een van de weinige popprogramma's op de radio.
  De geschiedenis van de draadomroep gaat echter aanzienlijk verder terug dan de jaren vijftig. Het doorgeven van woord en geluid met behulp van elektrische signalen gebeurde al voordat Marconi zijn radiotelegrafische experimenten wereldkundig maakte die later de ether-radio daadwerkelijk mogelijk zouden maken. In 1882 werd in Parijs een internationale elektriciteitstentoonstelling georganiseerd, waar veel uitvinders hun nieuwe ontdekkingen aan de bezoekers toonden. Een van hen was Theodore Puskas, een Hongaar, die een telefonische nieuwsblad demonstreerde. In de toekomst, zo voorspelde hij toen al, zouden mensen zich dagelijks kunnen verbinden met de leverancier van de berichten. Na terugkomst in Boedapest begon de uitvinder daadwerkelijk met de uitvoering van zijn plannen, en met succes. Zijn klantenkring breidde zich voor die tijd gezien gigantisch snel uit. Uit historische overlevering komt het verhaal dat Puskas rond het jaar 1900 maar liefst 6.400 abonnees had op zijn dagelijkse nieuwsservice.
  Puskas was niet de enige die op dat moment actief was op het gebied van de distributie van woord en geluid via draad. In Engeland werden rond dezelfde tijd concerten, die op verschillende plaatsen in Zuid-Engeland plaatsvonden, doorgegeven naar een centraal distributiecentrum. Dat knooppunt was gevestigd in Crystal Palace, een stadsdeel van Londen. Ook hier ging het om een tentoonstelling, waar volop geëxperimenteerd kon worden. Voluit luidde de naam van het evenement dat in 1892 plaatsvond: "The British Electronical Exhibition". Een van de ondernemingen die wel brood zagen in de distributie van signalen was de Electrophone Company, die van 1894 daadwerkelijk begon met uitzendingen via draad. De uitzendingen bestonden uit fragmenten van muziekuitvoeringen, gesproken woord en kerkdiensten.
  Over kerkdiensten gesproken: in de maandagkrant komen we tegenwoordig nog wel eens een berichtje tegen, waarin gemeld wordt dat een lokale radiopiraat inbreuk heeft gepleegd op de frequentie waarop de kerkdiensten naar zieke en bejaarde mensen worden uitgezonden. Ook die kerkomroep is een vorm van draadomroep met een lang verleden. De allereerste keer dat het geluid van een kerkdienst werd overgebracht naar iemand die niet bij een dienst aanwezig kon zijn, was in 1915. Een van de trouwe bezoeksters van een van de vele kerken in het zeer gelovige Bunschoten, "mejuffrouw" van der Kalk, was vanwege gezondheidsproblemen niet langer in staat de kerk te bezoeken. Een oplossing werd gevonden door een telefonische draadverbinding te leggen tussen de kerk en het huisje van Van der Kalk. Het idee werd als snel door andere kerken overgenomen en in het jaar 1930 waren er rond de 300 kerken die, middels de zogenaamde kerktelefoon, hun zieke gelovigen de boodschap verkondigden.
2 Adrianus Baulig uit Koog aan de Zaan. Er waren natuurlijk meer mensen die het idee van het doorgeven van signalen zagen zitten, immers er zou misschien geld mee te verdienen zijn. Eén van de initiatiefnemers van het doorgeven van het signaal per draadje was wel heel slim te noemen. Het gaat om de heer J. (Adrianus) Baulig uit Koog aan de Zaan. Nadat de verzuiling binnen de Nederlandse Omroepen een feit was geworden (1924) ontving deze radio-amateur op zijn ontvangstapparaat de programma's vanuit Hilversum en legde vervolgens draadjes naar de huizen van de buren. Het signaal werd dus doorgegeven en per hoofdtelefoon konden de luisteraars meegenieten met het door Baulig ontvangen signaal.
  De hoofdtelefoon werd al vrij snel vervangen door kleine luidsprekers. Natuurlijk deed de man het niet voor niets; hij had immers de nodige kosten. Per aansluiting betaalden de abonnees destijds 50 cent per week. Voor die tijd was dat daadwerkelijk een hoog bedrag, maar daarvoor kreeg men exclusief alle signalen doorgestuurd die Baulig zelf als favoriet ervoer. Slim van de toen nog 17-jarige Baulig die van huis uit een verwoed radio-amateur was. Nog slimmer misschien was, dat hij zijn activiteiten ook officieel liet inschrijven. Zo ontstond op 15 april 1924 de Eerste Nederlandsche Radio Centrale. Regelmatig kondigde Baulig in de lokale krant aan welk programma zou worden verspreid en hij gaf zelfs een eigen nieuwsbulletin uit om zijn klanten zo goed mogelijk te kunnen informeren.
  In een van de eerste nummers van het blad Ether — later hernoemd in Aether — vermeldt Gerard van Beek in een verhaal over Baulig, hoe de lokale krant over de Koog aan de Zaner in 1925 schreef: "De zaak marcheert voortreffelijk van dezen nog baard- en snorreloozen jongeman. De 28ste abonné sloot hij gistermiddag aan. De onderneming slaagt absoluut." In 1929 vierde de ENRC haar eerste lustrum. De eerste leverantie aan zijn buurman van een radiosignaal bleek een zeer goede zet te zijn geweest. Daarmee had Baulig niet alleen als eerste in Europa voor de distributie van radioprogramma's gezorgd, maar er ook een succes van weten te maken. In 1929 waren er al liefst 3.500 huizen aangesloten op zijn distributienetten. Netten in meervoud, want na de succes-story in Koog aan de Zaan opende hij ook nog centrales in Deventer, Amsterdam, Heiloo, Uitgeest en Alkmaar. Later zette hij ook nog zendstations op in Engeland voor de distributie per draad die hij vlak voor de Tweede Wereldoorlog nog met enig financieel voordeel van de hand wist te doen.
  Met het succes van de ENRC rees de vraag, of deze vorm van distributie — zonder toestemming van de overheid — juridisch wel in orde was. Rond het midden van de jaren twintig werd er in Genève een overkoepelende internationale organisatie, de URI, opgericht. Binnen deze instelling zou een juridische commissie zich onder meer moeten gaan bezighouden met het de regels voor de exploitatie van zowel binnen- als buitenlandse radioprogramma's. En daar leek het voor Baulig in eerste instantie mis te gaan. De commissie adviseerde namelijk dat het niet juist was dat derden, zonder overleg met de organisatie die van origine het signaal uitstuurde, het andermaal op commerciële basis distribueerden. Maar Adrianus Baulig zat daar niet zo mee. Hij bleek achteraf namelijk al een voorlopige vergunning van de minister op zak te hebben. Eerder al bleek hij aan de gemeente Koog aan de Zaan toestemming te hebben gevraagd voor het mogen spannen van draden waardoor het signaal gedistribueerd zou worden. Daarvoor was toen een speciale vergunning verleend onder voorwaarde dat ook het Ministerie van Waterstaat daarmee akkoord zou gaan. Op 3 september 1926 kwam die vergunning af van het Ministerie — waaronder ook de PTT-zaken vielen. Hoewel er officieel niets geregeld was inzake het zomaar overnemen van de inhoud van radioprogramma's, was Baulig daarmee in het bezit van de benodigde vergunning.
  Baulig was de eerste die radioprogramma's distribueerde die via de ether werden uitgezonden. Er waren in die jaren wel meer vormen van het verspreiden van signalen via draad. We noemden hiervoor al de kerktelefonie. Te denken valt ook aan instellingen voor psychiatrische patiënten, bejaardentehuizen, gevangenissen, verpleegtehuizen en ziekenhuizen. Uit het archief van de documentatiedienst van het Nationaal Audiovisueel Archief komt naar voren dat de eerste ziekenomroep in Nederland waarschijnlijk in 1925 actief werd. Dat gebeurde in het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis in Amsterdam. Vanuit de bestuurskamer van het ziekenhuis werd het signaal per draad door het Gasthuis verspreid. Er waren in totaal 64 luidsprekers op de installatie aangesloten. Het voorbeeld kreeg snel navolging. Eén van de vele publicaties die in die dagen in Nederland werden verspreid was "Radio NFS Nieuws". Dit blad werd uitgegeven door de Nederlandsche Seintoestellen Fabriek en vermelde allerlei wetenswaardigheden over het toen nog jonge medium "radio" en aanverwante zaken. In een nummer van de maand juli 1929 wist de onderneming te melden dat men op het punt stond de twintigste installatie af te leveren voor de distributie van signalen in tehuizen en ziekenhuizen.
  Met zijn ENRC stond Baulig, de man uit Koog aan de Zaan, aan de wieg van de Draadomroep in Nederland. Zijn idee kreeg landelijke belangstelling en weldra waren er meerdere ondernemingen die zich met deze vorm van distributie gingen bemoeien. In het jaar 1932 stonden er in Nederland al 600 centrales geregistreerd. Acht jaar later, in het voorjaar van 1940, was dit aantal opgelopen tot 800. Naast de signalen uit Hilversum werd een toevoeging van buitenlandse signalen verzorgd, terwijl Den Haag de absolute primeur had van doorgifte van eigen programma's, ofwel een primitieve vorm van lokale radio. Men had van overheidswege in 1935 toestemming gekregen voor het verzorgen van een uur lang lokale uitzendingen, die in de avond tussen zeven en acht uur werden gebracht. Na de komst van de bezetter, in mei 1940, was het gedaan met het particulier initiatief van de distributiemaatschappijen en werd door de Duitse bezetter de PTT gelast de ondernemingen over te nemen.
3 Emaille reclamebord uit de jaren dertig

In handen van de PTT. De Draadomroep, zoals deze vorm van distributie aan particulieren vanaf dat moment werd genoemd, beleefde na de Tweede Wereldoorlog zijn hoogtijdagen. Op gezag van de bezetter hadden de Nederlanders immers hun radiotoestellen moeten inleveren. Diegenen die dat gedaan hadden, waren in de na-oorlogse dagen niet in staat direct een nieuw toestel aan te schaffen en vonden profijt bij het huren van het grijze kastje van de Draadomroep met de bijbehorende aansluiting op het lokale distributienet, waarvoor in het land tientallen distributiecentrales werden opgezet. Eerst drie en later vier keuzes waren er te beluisteren aan aangeboden signalen, waardoor het nieuws en het amusement toch van dichtbij in de huiskamer konden worden gevolgd.

Na de oorlog kwamen er zo tal van verdeelstations ofwel distributiekantoren voor het leveren van radiosignalen per draad bij. Toch rapporteerde de dagbladpers al na enkele jaren klagend dat Nederland achterbleef bij de initiatieven van meer moderne, particuliere bedrijven in het buitenland. In februari 1950 maakten verschillende kranten gewag van een achterstand van Nederland ten opzichte van andere landen, waar de kabelmaatschappijen hun afnemers meer luisterwaar voor hun geld leverden. Dat moet wel een teleurstellende mededeling zijn geweest voor de lezers. Zeker nu de aantallen luisteraars recordhoogten bereikten. En dat tegen de achtergrond van het feit dat Nederland vóór de Tweede Wereldoorlog als het ware een bakermat was voor de radiodistributie, en het feit dat veel Nederlanders in het buitenland, met name in Engeland, vanwege hun deskundigheid werden ingeschakeld om de uitrusting van centrales te verrichten.

  Terwijl men zich in Nederland alleen richtte op de vraag of in de toekomst de radiodistributie in handen moest blijven van de PTT, dan wel weer in handen zou moeten komen van particuliere bedrijven, zetten de particuliere bedrijven in andere landen zich schrap om de radiodistributie daar uit te bouwen tot modern geoutilleerde bedrijven met een maximum aan luistergenoegen voor het publiek. In Engeland, waar het aantal luisteraars naar radiodistributie vóór de oorlog ver bij ons achter bleef — 410.000 aansluitingen in Nederland tegenover slechts 270.000 in Engeland — ging het sinds de afloop van de Tweede Wereldoorlog snel opwaarts. De service bleek meer en meer populair. In 1950 was het aantal aansluitingen al meer dan verdriedubbeld tot ruim 900.000. In Nederland daarentegen werd in de jaren tussen 1945 en 1950 slechts een uitbreiding in aantal aansluitingen van 100.000 bereikt, hetgeen het totaal aantal aansluitingen op rond de half miljoen bracht.
  Ook op technisch gebied bleef men in die jaren in Nederland ver achter ten opzichte van Engeland. Daar werd direct naar de oorlog door een aantal grote bedrijven onderzoek gedaan naar de kwaliteit van de distributienetten en de ontvangstinstallaties. Al vrij snel werd tevens besloten zogenaamde kilowatt-versterkers te bestellen om de kwaliteit van ontvangst omhoog te brengen. Ook ontwierp men nieuwe schakelapparatuur. De tot dan toe gebruikte kabel met rubber- en papierisolatie bleek volgens de technici bij lange na niet voldoende om in de daarop volgende jaren te kunnen de distributie van deze nieuwe vorm van amusement te verzekeren. De Britten besloten daarom op grote schaal een vervangende soort kabel aan te leggen, hetgeen polytheenkabel werd.
  Na de Tweede Wereldoorlog brak de populaire muziek definitief door. Die muziek kwam uit Amerika en mensen wilden daar graag naar luisteren. Daarom trokken twee ingenieurs kriskras per auto heel Engeland door, op zoek naar plekken waar de beste ontvangst was voor radiosignalen uit Amerika, Canada, Frankrijk en Italië. Na drie weken van luisteren en meten, vonden ze dat de beste ontvangstmogelijkheden in het Zuid-Oosten van Engeland waren. Daar werden vervolgens veertig stalen masten geplaatst en een ontvangstinstallaties gebouwd. Hierin waren tevens voor die tijd de allernieuwste technische snufjes verwerkt. Eén der resultaten was dat men er in Engeland plots een vierde programma kon aanbieden. Men ontving de radiosignalen in Zuid-Oost Engeland en verstuurde de signalen, versterkt via telefoonlijnen, naar diverse distributiecentrales in het land. Alleen al het gegeven dat men een keur aan buitenlandse stations, verspreid over het vierde kanaal, kon gaan ontvangen, was voor velen reden een aansluiting te nemen op het distributiesysteem in Engeland.
  Toen de radiodistributie in Nederland voor de Tweede Wereldoorlog nog in particuliere handen was, bestond er ook al een dergelijk initiatief. In Amsterdam werden bijvoorbeeld het derde en vierde programma van de Draadomroep ontvangen in het ontvangststation, dat vlak bij de weg naar Haarlem lag. Maar na de oorlog was er niets over dan alleen een herinnering aan de internationale programma's. Ook de latere uitbreiding van het aanbod met een vierde programma werd in Nederland door gebrek aan verzorging en afwisseling geen succes. In Het Nieuws van de Dag van 24 februari 1950 meldde men zelfs, enkele jaren voordat de televisie in Nederland zou worden ingevoerd, dat Engeland definitief de leidende plaats van ons land had overgenomen. In Londen werd namelijk in een hotel, dat de beschikking had over meer dan duizend kamers, op elke kamer een televisietoestel geplaatst ter verpozing van de bezoekers. Ook daar werd het nut van polytheenkabel beproefd. De technici kwamen er zo achter dat het via het gebruik van dit type kabel mogelijk was om de hoogfrequentie-stromen van televisie- en geluidssignalen te verspreiden.
  Ook in een ander buurland, België, bleef de radiodistributie na de Tweede Wereldoorlog in particuliere handen en maakte men gebruik van de ervaring van de Nederlanders. Velen van hen bleven blijvend gevestigd bij onze zuiderburen. Vooral de hoofdstad Brussel en haar randgemeenten werden direct, onder Nederlandse leiding, aangepakt. Eerst werd een ontvangstnet gelegd in Anderlecht, gevolgd door Schaerbeek en Sint Josse Nood. Daarna was Evere gevolgd door andere randgemeenten aan de beurt, waarna het centrum van de agglomeratie Brussel werd aangepakt. In 1950 waren er alleen al in Brussel op die manier meer dan 10.000 huisgezinnen aangesloten op een modern distributienet. Het ontvangststation voor dit bedrijf was gevestigd op 16 kilometer ten zuiden van het centrum van de Belgische hoofdstad en wel tussen de toenmalige druivenkassen van het gehucht Duysburg. Bij de Belgen werd de radiodistributie ook bekend onder de noemer "radio zonder storing" en in Brussel had men, na invoering van het systeem, de keuze uit zes verschillende programma's.
4 Personeelsfoto van de ENCR uit 1929 met in het midden Adrianus Baulig

Protesten en problemen. In Nederland bleef de distributie van signalen in handen van de staat middels de PTT. Nadat de bezetter in februari 1941 de particuliere centrales onder toezicht stelde, werd er in 1945 door de toen nog in Londen zetelende regering een besluit genomen waarbij het onttrekken van de distributiemaatschappijen aan particuliere organisaties onwettig werd verklaard. Tevens werd gesteld dat, zodra de bevrijding van ons land totaal zou zijn, de centrales weer in handen zouden komen van particuliere eigenaren. Toch bleef het na de bevrijding allemaal bij het oude, dus een distributiesysteem in handen van de PTT. De voor de oorlog ingestelde Bond van Exploitanten van Radio Centrales, de B.E.R.C., begon in maart 1950 een strijd om de rechten van hun leden hersteld te krijgen. In de daaraan voorafgaande jaren had het merendeel van de leden echter een grote fout begaan door bepaalde bedragen, toegewezen door de regering, te aanvaarden. Daardoor hadden zij zich in feite akkoord verklaard met de overname van de distributie door de staat. Hadden zij die betaling geweigerd dan had men juridisch gezien meer kans gehad om weer op particuliere basis te kunnen functioneren.

  Ook de luisteraars zelf hadden overigens zo hun aarzelingen over de terugkeer van de particuliere maatschappijen. In Het Kompas, een plaatselijke uitgave in Amsterdam, stond in maart 1950 bijvoorbeeld een ingezonden brief, waarin eerdere opmerkingen van de juridische adviseur van de B.E.R.C. werden aangehaald. Deze adviseur, prof. mr. H.J. Jellema, had verklaard dat middels een enquête 85% van de leden van de distributienetten er voor waren dat de PTT niet langer de distributie zou verzorgen en dat de verspreiding derhalve weer in handen moest komen van de particuliere centrales. De schrijver van de ingezonden brief, waarvan helaas de naam niet kon worden achterhaald, wenste de hooggeleerde op onjuistheden te wijzen: "Een dergelijke enquête heeft òf in het geheel niet òf in zeer beperkte schaal plaatsgevonden en is zeker niet maatgevend. Immers, hoe kan het anders dat noch wij persoonlijk noch verschillende andere onzer relaties, die aangesloten zijn op radiodistributie, iets van deze enquête hebben gemerkt. Overigens zeggen deze onderzoeken ons niets, want alles hangt af van hoe de beschrijving der vragen geformuleerd zijn en hoe de beschrijving der voorgeschiedenis en nasleep is geschied."
  De schrijver van de ingezonden brief vervolgde cynisch met: "Laten we aannemen dat wij zijn overgeslagen, dan nóg moeten wij eerst zelf zien, dat de man uit het volk; daarmee bedoelen wij een ieder met een inkomen, dat maar nèt genoeg is, een voorkeur zou uitspreken voor iets, dat hem ontegenzeggelijk veel duurder zou kosten, want daar komt het op neer als de centrales zouden terugkeren." De schrijver van de brief had op dat punt uiteraard gelijk. Immers bij teruggang van de distributie van de signalen door particuliere ondernemingen zou winst moeten worden gemaakt. De PTT lag op dat moment met haar huurprijs voor een ontvangstkastje en het doorgeven van het signaal op slechts fl. 24,00 per jaar per aansluiting.
  Dat neemt niet weg dat er zeker wel onvrede heerste over de programmering van de Draadomroep in Nederland. Een ander artikel uit 1950 maakt bijvoorbeeld het ongenoegen duidelijk over de programmering op de dag van de verjaardag van de toenmalige prinses Beatrix: "Het miste elk aspect van een werkelijk nationaal gebeuren. Men zocht het in hoogdravende muziek, terwijl dit programma dat via twee zenders en twee kanalen van het distributienet werd uitgezonden, toch eigenlijk nationaal in de ware betekenis van het woord moest zijn. Het gehele volk wil namelijk opgetogen zijn bij zo'n nationaal feest, maar dan moet men niet aankomen met programma-onderdelen, die er met zijn haren zijn bijgesleurd. Is men onze echte Nederlandse volksliederen vergeten? Hebben wij niet onze Koninklijke Militaire Kapel, onze Koninklijke Marine en een keur van variété artiesten zoals Lou Bandy en Henriëtte Davids, hebben wij niet een keur van orkesten zoals de Skymasters en het Metropole orkest of het Orkest Zonder Naam? Geef bovendien tussendoor reportages van de viering in verschillende plaatsen en je hebt uiteindelijk inderdaad een nationaal programma voor het gehele volk."
  De Draadomroep leek zo ten dode opgeschreven. In 1960, tien jaar later al, wist de katholieke Volkskrant te melden dat de Draadomroep, in de toenmalige vorm, geen rendabele aangelegenheid was en dat er geen toekomst meer zat in dit PPT-monopolie. Dit werd trouwens ook niet noodzakelijk geacht gezien in februari 1960 een rapport werd gepresenteerd door de PTT aan de toenmalige minister voor Verkeer en Waterstaat, Korthals. De directie van de PTT sprak zich uit voor de voorkeur van de aanleg van een distributiekabelnet waarop in de toekomst televisiesignalen zouden kunnen worden verspreid. Dit zou dan eventueel ondersteund kunnen worden middels signalen van een aantrekkelijke draadomroep. De verspreiding van televisie via kabel werd in het rapport dan ook Draadtelevisie genoemd. Men stelde in het rapport dat het eventueel aanvaardbaar was dat dit nieuwe net zou worden geëxploiteerd in samenwerking met particulieren. Maar er klonken ook negatieve berichten door in het rapport. Men stelde dat, mocht er niet op de nieuwe voorstellen in worden gegaan, de exploitatie van de Draadomroep een onvermijdelijk verlies voor 1960 zou opleveren van liefst 5,7 miljoen gulden, terwijl voor 1961 dit bedrag nog eens met 6,3 miljoen gulden zou oplopen. Een voor die tijd enorm hoog bedrag.
  Men stelde dat de distributie van Draadtelevisie een monopolie moest blijven van de PTT terwijl de verdere exploitatie in handen zou moeten komen van particuliere bedrijven. Samenwerking, aldus de schrijvers van het rapport, zou kunnen worden verkregen middels het oprichten van draadtelevisie-ondernemingen, waarin de PTT telkens aandeelhouder zou moeten worden. Met het aanbod van draadtelevisie, dat voor de toekomst hogere winstpercentages verzekerde, zou het systeem ook voor de exploitanten in de particuliere sector aantrekkelijker kunnen worden.
  In terugblikken lijkt het er soms wel op, dat elke Nederlander destijds in het bezit was van een ontvanger van de Draadomroep. Niets is minder waar. In het jaar 1960 bleek slechts 20% van de Nederlandse huisgezinnen aangesloten. Het aantal aansluitingen was sinds de Tweede Wereldoorlog vrijwel gelijk gebleven en dreigde sinds het midden van de jaren vijftig definitief te gaan dalen. Daartegenover stond dat over dezelfde periode steeds meer huishoudens een radiotoestel aanschaften. In 1955 stonden er al zo'n twee miljoen van die apparaten geregistreerd. Het ging economisch beter, er was meer geld en daarmee verviel de behoefte aan de goedkope vorm van radiodistributie. Verder was ook de introductie van nieuwe techniek debet. De mogelijkheid tot de ontvangst van kwalitatief uitstekende FM-signalen via een antenne verschafte de luisteraars een alternatief. Daarnaast ging men de radio op andere manieren gebruiken.
  De handzame draagbare radio's — transistorradio's — die in de daaraan voorafgaande jaren voorzichtig op de markt waren geïntroduceerd, droegen ook hun steentje bij aan de ondergang van de Draadomroep. De Nederlander luisterde niet alleen naar de radio in de ruimte waar het ontvangsttoestel was geplaatst, maar nam de draagbare radio mee naar andere ruimten en bovendien buitenshuis. Bovendien was het mogelijk voor de bezitters van de transistorradio naar veel meer stations te luisteren. Zowel via de AM als de FM kon worden afgestemd op tientallen stations. Vanaf 1960 kwamen daar voor de jeugd nog tal van mogelijkheden bij middels de ontvangst van de signalen van de diverse popstations die vanaf schepen en forten voor de Britse en Nederlandse kust hun uitzendingen gingen verzorgen en enorm populair werden. De transistorradio leek voorgoed het grijsblauwe kastje met bruin binnenhart, ofwel de Draadomroep te vervangen, hoewel de PTT nog vele jaren met verlies deze vorm van radiodistributie zou blijven exploiteren.
5 Programmakiezer uit 1933

Het einde en een nieuw begin. Vanaf de jaren zestig neemt de aandacht voor de draadomroep af, ook in de politiek. In 1964 besluit de Tweede Kamer om de draadomroep geleidelijk op te heffen. Maar zo ver is het dan nog niet en af en toe gebeurt er ook nog wat. In 1971 vaardigt het kabinet bijvoorbeeld de zogenaamde Kerstbeschikking Kabel uit. Uitzendingen via de draadomroep moeten voortaan eerst toestemming hebben van de Minister van CRM. Dit besluit wordt genomen omdat de burgemeester van het Limburgse Melick-Herkenbosch de in een van zijn gemeenten aanwezige draadomroep-inrichting — met 34 aansluitingen — gebruikte om uitzendingen van de gemeenteraad te verzorgen. De draadomroep zal dan nog slechts enkele jaren bestaan. In 1974 kwam de eerder gememoreerde Adrianus Baulig te overlijden, hij woonde toen in Deventer en had van de PTT te Zwolle eind 1972 een officieel schrijven ontvangen waarin werd meegedeeld dat de verdeling van signalen via draad, ofwel de Draadomroep, per 1 januari 1973 officieel zou worden opgeheven.

  De verdeelcentrales van de PTT, zoals die in verschillende gemeenten stonden opgesteld, werden gesloten. Op 31 januari 1975 werd het laatste net, in Delft, buiten gebruik gesteld. Op zeer kleine schaal, met als voorbeeld de gemeente Zoetermeer, werd intussen overgegaan tot verspreiding van televisie en radiosignalen via de zogenaamde CAI's, de Centrale Antenne Installaties, hetgeen niet veel later het startsignaal zou zijn voor de verkabeling — eerst op kleine schaal — van Nederland. Opmerkelijk was dat deze particuliere onderneming in Zoetermeer, die deze Centrale Antenne Installatie exploiteerde, meteen de tot dan toe geldende regel van doorgave van signalen verzorgd door staats- dan wel publieke omroepen, doorbrak. Men besloot namelijk in 1973 ook het FM-signaal van Radio Noordzee, dat vanaf een schip voor de Nederlandse kust haar programma's verzorgde, over te zetten op het lokale kabelnet.
  Ons land was met de invoering van de CAI's andermaal een voorloper want in andere landen, waar de Draadomroep een vorm van luisteren was, werd deze pas later afgeschaft. Pas enkele jaren geleden was het Rediffusion, de onderneming op het eiland Malta, die als laatste in Europa werd opgeheven. De laatste tien jaren weten we niet meer anders dan dat er vele signalen gehaald kunnen worden via de kabel en er via hetzelfde medium zelfs razendsnel kan worden ge-internet. Nederland heeft de hoogste bekabelingsgraad in Europa en dat had Adrianus Baulig in 1924 zeker niet kunnen vermoeden toen hij als eerste Europeaan met de distributie van signalen via draad begon.
  De kabel heeft overigens onbedoelde neveneffecten gehad. Een wel zeer opmerkelijke is, dat in 1973 een toenmalige piraat, Radio Leiden met presentator Leon Keezer, plotseling wist in te breken op het distributiesysteem van de CAI in Zoetermeer. Nederland stond open voor andermaal een nieuwe vorm van radio, landpiraten via de FM, die in een later stadium commercieel zouden gaan werken en de voorganger zouden worden van de lokale legale radio, die uiteindelijk in het midden van de jaren tachtig een feit zou worden. Een ander mogelijk neveneffect van de kabel is het voortbestaan van de kerktelefoon. Zoals we hierboven schreven is de kerktelefonie vooral bedoeld voor ouderen, zieken en invaliden, die fysiek niet in staat zijn de kerk te bezoeken. Eind vorig jaar leek er een plotseling een abrupt eind te komen aan deze vorm van auditieve dienstverlening. De kerktelefonie leek de dupe te worden van de nieuwe telecommunicatiewet, die een liberalisering van de markt voor telefonie beoogt. Volgens deze wet mogen bedrijven deze vaste verbindingen niet onder de kostprijs verhuren.
  Hoewel KPN Telecom — de voormalige PTT — niet langer de enige aanbieder is van telefoondiensten, gaf de Opta, de toezichthouder op de post- en telecommunicatiemarkt, het bedrijf vorig jaar juli toestemming om de tarieven voor kerktelefonie slechts lichtelijk te verhogen. De abonnementsprijs ging met 3 procent omhoog. De prijs kwam daarmee op 6 gulden en acht cent per maand. Dat was niet kostendekkend, maar vanwege het sociale karakter van de kerktelefonie ging de Opta met dit tarief akkoord. De Opta had namelijk het idee dat er voor de markt voor kerktelefonie geen belangstelling van concurrenten bestond. Kabelfoon, een kabelbedrijf uit het Westland, bestreed dat en maakte bezwaar, waarop de Opta het kabelbedrijf in het gelijk moest stellen. Kerktelefonie moest ineens kostendekkend zijn en dreigde daarmee voor de klanten onbetaalbaar te worden. Dat leidde op zijn beurt weer tot het nodige politieke rumoer, tot in de Tweede kamer toe. Er wordt nu hard gewerkt aan een oplossing. Zo wordt er inmiddels druk wordt gestudeerd op de mogelijkheden van digitale kabelverbindingen voor het volgen van kerkdiensten op de computer. Er hebben zelfs al enige experimenten plaatsgevonden, onder meer met MP3. Daarmee is een van de meest nieuwe vormen van draaddistributie straks mogelijk de redding voor een van de oudste.
6 Het bekende luidsprekerkastje van de PTT-Draadomroep uit de jaren vijftig

Recente cijfers over de kabel. De draadomroep kan — we zeiden het al aan het begin van dit artikel — worden gezien als een vroege voorganger van het huidige kabelsysteem dat in vele landen van Europa, na het niet aanslaan van de veel kleine CAI's, vanaf de begin jaren tachtig met succes werd geïntroduceerd. In veel landen verliep de invoering van de bekabeling met gepaste snelheid. Andere landen, waaronder Italië en Groot-Brittannië, volgden trager, mede vanwege de bodemgesteldheid waardoor het graven van de kabelgleuven erg moeilijk bleek. Inmiddels bijna twintig jaar na de invoering van de eerste kabelnetten groeit de kabelinfrastructuur in Europa meer en meer. We geven hieronder nog enkele cijfers.

  Het aantal digitale aansluitingen — de meest moderne vorm van signaaloverdracht — lijkt met meer dan 1,5 miljoen woningen misschien nog niet zo hoog. De verwachting is evenwel dat dit aantal de komende jaren enorm zal stijgen. In maar liefst 89,7 miljoen woningen in 22 landen van Europa is namelijk al een kabelaansluiting aanwezig. Bij dit aantal wordt overigens ook Israël — vanwege het lidmaatschap van de European Broadcasting Union — meegeteld. In meer dan tweederde van deze markt is de bekabeling al in meer dan de helft van de huisgezinnen aanwezig. In vijf van de landen ligt de kabelpenetratie inmiddels zelfs boven de 90 procent. De hoogste graad van bekabeling wordt bereikt door België en Nederland: in beide landen komt de penetratie van de kabel boven de 95 procent uit. In Duitsland ligt het percentage op 68 procent en opmerkelijk is de opmars in de laatste jaren van Groot-Brittannië waar het percentage aansluitingen nu op 51 procent uitkomt. In Frankrijk is 35 procent van de huisgezinnen op de kabel aangesloten.
  Als het gaat om het absolute aantal kabelaansluitingen komt Duitsland op de eerste plaats met 22 miljoen huizen. Dat is ruim drie keer zo veel als in Nederland, waar 6,1 miljoen woningen op de kabel zijn aangesloten. In Groot-Brittannië ligt dit aantal op 3,2 miljoen. Italië staat op de laatste plaats, met slechts 65.000 gezinnen die van de kabel gebruik kunnen maken. Als het gaat om de inkomsten wat betreft de maandelijkse bijdrage die moet worden betaald, dan haalt ook Duitsland de eerste plaats met een bedrag van liefst 3,36 miljard Euro, gevolgd door Groot-Brittannië met 1,37 miljard Euro. Nederland haalt slechts 6,25 miljoen Euro binnen, terwijl de Belgische kabelmaatschappijen in 1999 3,74 miljoen Euro incasseerden. Dit komt mede doordat de maandelijkse bijdrage in onze landen veel lager ligt dan in andere landen. Het ligt in de verwachting dat door de toepassing van de kabel voor meer functies — waaronder grootschalige snelle breedband-internetverbindingen — er in de komende jaren meer geld zal binnenkomen en dat ook het aantal kabelnetten nog drastisch zal worden uitgebreid.
   
Previous
  De foto's bij paragraaf 2, 3, 4, 5 en 6 zijn afkomstig uit het Museum voor Communicatie in Den Haag.
  2000 © Soundscapes