Logo  
  | home | authors | calendar colophon | links | newsgroups | newsfeed | new | printer version |  
volume 4
oktober 2001

Televisie op de kabel en reclame op de televisie

 





  De publieke discussie over de toekomst van de televisie in 1964
door Hans Knot
Previous
  In het begin van de jaren zestig beschikten nog maar weinig mensen in Nederland over een televisietoestel. De huisgezinnen die wel in het gelukkige bezit waren van zo'n apparaat, zaten evenwel dagelijks aan de beeldbuis gekluisterd. Veel viel er overigens nog niet te zien, want de zendtijd bleef beperkt tot een paar uur per dag. Bovendien was er — tot in 1963 — nog slechts een enkel televisiekanaal beschikbaar. Bewoners van de grensgebieden met België en Duitsland hadden meer geluk. Zij konden ook de beelden ontvangen van stations in de aangrenzende landen. Met de kabel werd dat ook voor de rest van Nederland mogelijk, maar dat zou nog even duren. Pas in 1964 rondde de PTT een proef af met de zogeheten draadtelevisie. Dat het allemaal zo lang duurde, had onder meer te maken met de politieke angst voor de commerciële televisie. Hans Knot blikt terug op de discussies over dat alles uit het begin van 1964.
 
1 Een experiment met de kabel. Het Amerikaanse Seattle is de eerste plaats ter wereld waar televisiesignalen door middel van een "draad" werden verspreid. We moeten daarvoor terug naar 1940 toen het L.A. Parsons, een pionier op het gebied van het experimenteren met de distributie van televisiesignalen, lukte om het signaal van KRSC TV Channel 5 op te pikken en opnieuw te distribueren via een kabel, en daar tien aansluitpunten te voorzien van het televisiesignaal. In Nederland, waar in de jaren vijftig praktisch in elk huis wel een radio of een ontvangsttoestel voor de draadomroep stond, [1] waren nog bijna geen televisietoestellen te vinden. Het hele televisiegebeuren stond nog in de kinderschoenen. Toch wordt er nagedacht over de mogelijkheid van televisie over de kabel.
  In 1953 had de PTT met de Wet op de Draadomroep het monopolie verworven voor de aanleg, instandhouding, exploitatie en opruiming van draadomroepinrichtingen. Alle particuliere radiocentrales komen dat jaar in handen van het staatsbedrijf. Echt goed gaat het echter niet met de draadomroep. De groei lijkt uit de markt en de sttijgende welvaart maakt de gewone radiotoestellen voor iedereen toegankelijk. De PTT zoekt dan ook naar mogelijkheden om de markt voor de draadomroep uit te breiden. Vijf jaar later, in 1958, onderneemt het bedrijf in Den Haag een proef om televisie-programma's via de bestaande draadomroepkabels door te geven. Vanwege technische problemen is dat experiment echter geen lang leven beschoren. In 1960 overhandigt het bedrijf een rapport aan de toenmalige minister voor Verkeer en Waterstaat, Korthals. De directie van de PTT bepleit daarin de aanleg van een distributiekabelnet waarop in de toekomst televisiesignalen kunnen worden verspreid. Ook daarmee wordt een proef gedaan. In het begin van de jaren zestig zou een aantal huizenblokken in een wijk van Den Haag, het Bezuidenhout, op experimentele basis de televisiesignalen via draadverbindingen aangeleverd krijgen. Het experiment kreeg de naam CAS mee, een afkorting voor Centraal Antenne Systeem.
  In 1963 is het zover. Op een gemeentelijke opslagplaats in de wijk wordt een grote mast neergezet met de nodige ontvangstantennes en een bijbehorend verdeelstation. De straten worden opgebroken, kabels gelegd naar verdeelpunten en vandaar over de buitenmuren doorgetrokken naar de afzonderlijke huizen. De bewoners kunnen het tweede Nederlandse net, waarvoor de omroepen in datzelfde jaar een tijdelijke concessie krijgen, meteen bekijken zonder een nieuwe antenne aan te schaffen. In de loop van de tijd blijkt het mogelijk om via dit lokale net liefst zeven verschillende kanalen tegelijk door te geven. Niet alle kanalen worden overigens daadwerkelijk met programma's gevuld. Het gaat voornamelijk om testsignalen om te zien hoever het toekomstig aanbod kon worden opgevoerd, mocht dat — zo werd erbij gezegd — noodzakelijk zijn.
  Toch is de keuzevrijheid vergroot. De kijkers kunnen voor het eerst zelf bepalen of ze niet liever omschakelen naar een buitenlands programma. De bewoners van het Bezuidenhout kunnen bijvoorbeeld vanaf het begin van het experiment kiezen voor de Duitse televisie en ze maken van die mogelijkheid ook gretig gebruik. Vooral de grootschalige Duitse show-programma's lokken veel kijkers in de wijk — en later ook die van de aanpalende nieuwbouwwijk Mariahoeve — weg van de Nederlandse omroepen. Op 2 februari 1964, niet lang na de start van het experiment, openbaart de PTT een rapport over het experiment, met als conclusie dat er voor de "draadtelevisie" in Nederland een grote toekomst lijkt te zijn weggelegd. Hoewel ook toen al de bekende "coax"-kabel in gebruik was en in de volksmond de term "kabel" al in zwang was, sprak men nog officieel steeds van "draadtelevisie". Een tijd later pas zou die benaming — toen er werd overgegaan tot de bekabeling van bijna heel Nederland — definitief veranderen in "kabeltelevisie".
  Den Haag is overigens niet de enige plaats, waar de kabel in die tijd ingang vindt. Daarnaast waren er, ook al vanaf het begin van de jaren zestig, op diverse plaatsen in ons land zogeheten CAI's — Centrale Antenne Installaties — en GAI's — Gemeenschappelijke Antenne Installaties — in gebruik. Die voorzieningen maakten het mogelijk om een blok huizen te voorzien van slechts één ontvangstantenne. De ontvangen signalen werden dan met behulp van versterkers gedistribueerd naar de woningen in het betreffende woonblok of flatgebouw. De woningbouwverenigingen waren vaak verantwoordelijk voor de installatie en exploitatie. In 1964 waren op die manier in Noord- en Zuid-Holland al zo'n 200.000 huizen aangesloten op diverse CAI's. Een belangrijk motief voor de aanleg van de CAI's vormde de strijd tegen het "antennewoud" dat met de opkomst van de televisie op de daken van de Nederlandse huizen was verrezen. De onesthetische wirwar van masten en kabels was veel stadsbesturen een doorn in het oog. Bij aanleg van een CAI in een gebouw of een huizenblok werd er dan ook nauwlettend voor gezorgd, dat andere bestaande antennes werden verwijderd. Was eenmaal een CAI geïnstalleerd, dan werd vaak in het huurcontract vastgelegd dat de bewoner zelf geen nieuwe antennemast op het dak mocht bijplaatsen.
2 De aanleg van het Centraal Antenne Systeem in de Sillestraat in de Haagse wijk Bezuidenhout (1963)

Een neutrale opstelling. De PTT wilde de concurrentie met de CAI's wel aan. Het rapport dat het bedrijf in 1964 over het experiment uitbrengt, slaat dan ook een optimistische toon aan. Volgens het rapport maakten de ontwikkelingen op het gebied van de draadtelevisie het mogelijk om elke Nederlandse stad van enige omvang te voorzien van een eigen televisieomroep. Zo zouden via regionale televisiestations plaatselijke concerten, toneeluitvoeringen, sportwedstrijden en gemeenteraadszittingen kunnen worden uitgezonden. Tevens meldde men dat er, technisch gezien, ook mogelijkheden waren tot reclame-uitingen. Politiek bezien, waren dat netelige punten. De invoering van lokale omroepen en — al of niet in combinatie — van reclame, werd door de verzuilde publieke omroepen met argwaan bekeken. En dat gold ook voor de politieke partijen, waaraan die omroepen qua "overtuiging" waren gelieerd.

  Bij de PTT dacht men dit probleem te kunnen oplossen met een neutrale opstelling. De Volkskrant van 3 februari 1964 meldde bijvoorbeeld dat de grote baas van de PTT, Professor Ir. G. Bast, die steeds was opgetreden als de man achter het experiment met de draadtelevisie, had verklaard dat de PTT de handen geheel zou aftrekken van de feitelijke exploitatie van de draadtelevisie. Hij gebruikte daarbij zelfs een strengere formulering dan in het rapport was neergelegd. Daar heette het, dat de PTT "in principe zich alleen met de transmissie zal bezig houden." Ter verduidelijking zei Bast in de krant het volgende: "Wij zullen alleen voor het transport van de programma's zorgen, voor de rest willen wij er helemaal buiten blijven. Wij kunnen een groot aantal omroepmogelijkheden ter beschikking van het land stellen, maar het gebruik daarvan is verder niet onze zaak."
  Niet iedereen was blij met die neutrale stellingname. Er werd zelfs daadwerkelijk over machtsmisbruik van het staatsbedrijf gesproken. De klare taal van professor Bast ging ook niet aan de leden van de Tweede Kamer voorbij. KVP (Katholieke Volks Partij) afgevaardigde Baeten, die tevens bestuurslid was van de KRO, zei: "Ik heb de indruk dat de directie van de PTT bekwaam manipuleert met technische mogelijkheden, zonder voldoende oog te hebben voor de juridische en culturele consequenties." Ook binnen de omroepen zelf heerste er de nodige ontstemming. De komst van de kabel met al haar keuzemogelijkheden, betekende voor hen dat ze met andere stations zouden moeten gaan concurreren om de kijkersgunst. Uit vrees daarvoor, richtten zij zich in hun kritiek onder meer op het punt van de auteursrechten. Dit omdat de omroepen toentertijd wel moesten betalen voor auteursrechten, terwijl de PTT tijdens de experimentele uitzendingen hiervan werd vrijgesteld — tenminste waar het ging om de uitzendrechten van buitenlandse programma's. Andermaal het Kamerlid Baeten, die in dit geval duidelijk twee petten op had: "Het doet op zijn minst vreemd aan dat de buitenlandse omroeporganisaties en uitvoerende kunstenaars bij relayering van hun programma's door Nederlandse omroeporganisaties wél vergoeding van rechten en kosten ontvangen, doch dat zij door heruitzending door een staatsmaatschappij, via een oneigenlijk centraal antennesysteem, in het geheel niets ontvangen."
  De ontvangstantenne van het Centraal Antenne Systeem in de Haagse wijk Bezuidenhout (1963)

Baeten was niet de enige, die het punt van de auteursrechten aangreep om de PTT te veroordelen. Ook het Kamerlid Kieft van de ARP (Anti Revolutionaire Partij) en tevens tweede voorzitter van de NCRV, klaagde, zonder in detail te treden: "Er is ontsteltenis in het buitenland en ik kan U zeggen dat het PTT-experiment in Europese kringen veel alarm heeft veroorzaakt." Maar Ir. Baten weerlegde die uitspraak meteen: "Er is geen ontsteltenis in het buitenland. Integendeel, er kwam een, speciaal aan ons experiment opgedragen televisieprogramma uit Duitsland met als titel Herzlich Willkommen. Zouden ze dan boos op ons zijn? Het is onzin dat de Nederlandse deelneming in de Eurovisie uitwisseling in gevaar zou komen door het centraal antennesysteem. De zaak van de auteursrechten is door de PTT juridisch verkend. Eigenlijk zou een uitspraak van de Hoge Raad nodig zijn."

3 Tussen twee vuren. De regering — in die tijd het confessionele kabinet Marijnen (1963-1965) — achtte het evenwel niet opportuun om in deze discussie mee te gaan. Het televisiebestel vormde op dat moment een netelig punt van politieke discussie. Ook de overheid hield zich daarom liever even op vlakte. In de Tweede Kamer legde minister Bot, de toenmalige verantwoordelijke voor Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, uit dat de zaken niet zo scherp gesteld moesten worden: "Het staat helemaal niet bij voorbaat vast dat voor de programma's, die via dit systeem worden doorgegeven, auteursrechten moeten worden betaald. De praktijk in andere landen, zoals Amerika en Canada, Duitsland en België en hun bestaande regelingen, wijzen in een andere richting. Internationaal gezien is het ook zo dat men de zaak binnen de draadomroep niet zo ver wil doordrukken dat men er toe over moet gaan tot de invoering van de betaling van auteursrechten."
  De regering zat tussen twee vuren. Tegenover de weerspannige omroepverenigingen, stonden diegenen die maar al te graag via de kabel aan de slag wilden gaan. Zo lag er bij het voornoemde ministerie al een aanvraag van de Hagenaar Nijhoff, die via de draadtelevisie van de PTT in die stad reclame-uitzendingen wilde gaan verzorgen. Hij was de eerste en de minister verwachtte dat er drommen mensen zouden volgen: "Het is ook mogelijk eigen streekuitzendingen, voor bijvoorbeeld plaatsen als Amsterdam, Rotterdam en Utrecht te gaan maken. De plaatselijke middenstand zal graag gebruik gaan maken van deze toekomstige mogelijkheid de klanten te kunnen benaderen. In theorie zouden we zelfs de keuze kunnen gaan maken tot invoering van reclame via de televisie of de radio."
  Met die laatste opmerking verwees de minister indirect naar het Tijdelijk Televisiebesluit van 1956, waarin de toestemming tot het uitzenden van reclame op de televisie aan de minister was toegewezen. Maar of het er van zou komen, het verzorgen van lokaal dan wel regionaal gerichte televisie uitzendingen — al dan niet met reclame — was nog lang niet duidelijk. Er was al veel politiek getob geweest, onder meer naar aanleiding van de Nota Reclametelevisie uit 1961. Begin 1964 was Van Aartsen, de minister van Verkeer en Waterstaat, nog druk doende om met een commissie, de zogenaamde Pacificatiecommissie, een rapport over dat onderwerp samen te stellen. Tot die tijd heerste er onzekerheid. En ook over de algehele invoering van het Centraal Antenne Systeem liet de overheid haar burgers in het ongewisse. De onzekerheid was groot en ook de directeur van de PTT geloofde niet in een snelle beslissing. Onder verwijzing naar het zogeheten Vervolgrapport Draadomroep (1963), zei hij: "We hebben vorig jaar al een tussenrapport gestuurd aan de regering en neem van mij aan dat het zeker niet voor de zomer van 1965 zal zijn, alvorens de politiek zo ver is gevorderd dat er een besluit kan worden genomen over de officiële intreding van draadtelevisie in ons land."
4 Stoute dromen. Van haar kant zag het staatsbedrijf wel mogelijkheden in zo'n landelijk systeem van kabeltelevisie. De kosten, voor een totale invoering van deze vorm van distributie in de Randstad, werden bestempeld als "niet duur". De investeringskosten per aansluiting op een dergelijk net in grote steden, werden begroot tussen de honderd en honderddertig gulden. Andermaal professor Bast namens de PTT: "De belangstelling van het publiek is veel groter dan wij in onze stoutste dromen hadden durven verwachten. Die interesse zal alleen nog maar groter worden als eventueel ook streekuitzendingen, via de draad, kunnen worden doorgegeven. Nederland heeft het voordeel dat sinds enkele jaren een zogenaamde standaardaansluiting mogelijk is. Hierbij kan niet alleen het telefoonsignaal worden doorgegeven, maar kan het systeem ook worden gebruikt voor doorgifte van signalen van het toekomstige centrale antennesysteem. De PTT kan ongeveer honderdduizend woningen per jaar op een landelijk centraal antennesysteem aansluiten."
  De PTT — dat was wel duidelijk — zou deze zaak niet alleen aankunnen. Bij elkaar genomen ging het immers om een investering van enkele honderden miljoenen guldens — en dat in bedragen van 1965. Men hoopte daarom ook op samenwerking met verzekeringsmaatschappijen, pensioenfondsen en woningbouwverenigingen, waarmee collectieve contracten zouden kunnen worden afgesloten voor de aansluiting van hele woonblokken op het systeem. De toekomstige kosten van een collectief abonnement zouden dan niet al te hoog worden. De PTT-topman verwachtte dan ook dat zo'n abonnement als een meerprijs in de maandelijkse huurafdracht zou kunnen worden doorberekend.
  Het Algemeen Dagblad (19 oktober 1963) inventariseert de risico's van commerciële televisie vanaf zee

Om het publiek warm te maken voor zijn denkbeelden, was de PTT ook niet wars van verre visioenen. Opmerkelijk in dit verband is de vroege vorm van betaaltelevisie, die professor Bast in gedachten had. Hij was van mening dat het mogelijk zou zijn bij elk televisietoestel een soort van muntautomaat te plaatsen, waarbij bepaalde kanalen zouden kunnen worden bekeken. Hier moest dan extra voor worden betaald: "Een mooie manier om de lokale sport te bevoordelen, immers een plaatselijke distributiemaatschappij zou er toe over kunnen gaan wekelijks een voetbalwedstrijd van de plaatselijke vereniging, tegen betaling, te gaan uitzenden. Een soort van wasmunt kan dan het beeld voor de bewoners zichtbaar maken."

  De optimistische vooruitzichten van de PTT waren echter niet aan de regering besteed. Die had op dat moment ook wel andere zorgen aan het hoofd. De aarzelende houding van de overheid ten aanzien van reclame op beeldbuis, had geleid tot een aantal creatieve, particuliere initiatieven. Daarover was sinds eind 1963 ook al het een en ander in de pers geschreven. Veel hadden de journalisten daarbij besteed aan de plannen van een aantal Nederlanders om voor de kust van Noordwijk een kunstmatig eiland te verankeren. Dit eiland zou worden gebouwd in Ierland (Cork) en op het platform zouden zowel een radio- als een televisiezender worden geïnstalleerd. Het geheel zou worden geëxploiteerd onder de naam REM (voluit: Reclame Exploitatie Maatschappij). De onderneming zou weliswaar pas in september 1964 van start gaan. Maar aangezien de woordvoerder van de REM, Brandel, veelvuldig de publiciteit zocht en ook de diverse kranten de activiteiten van de REM nauwgezet volgden, werden ook de beheerders van de eerder voornoemde CAI's wakker geschud. De meeste van hen zagen de zenderuitbreiding evenwel niet zitten.
5 Commentaren in de pers. Begin februari 1964 meldde een woordvoerder van een CAI, in één van de grote steden van de Randstad, al dat zijn onderneming de centrale antenne-installatie in de woningen beslist niet in orde wenste te brengen voor de ontvangst van de toekomstige "reclamezender" uit zee. Dat had overigens ook niet gekund, want het was nog onbekend op welk kanaal de nieuwe zender zou gaan uitzenden. Het was een vraag die Brandel niet wilde beantwoorden. En ook dat leverde weer stof op voor commentaren in de pers: "De chaos op het gebied van de antennes voor de televisie-ontvangst wordt met de dag groter. Niemand weet op welk kanaal de reclamezender in zee in de loop van de zomer zal gaan zenden. Gevolg is dat niemand de antenne thuis, of de centrale antenne-installatie, al gereed kan gaan maken voor ontvangst. Met andere woorden: hoe langer meneer Brandel wacht met het geven van het antwoord op de vraag die velen bezig houdt, des te kleiner maakt hij — zeker in de beginperiode — het aantal kijkers naar zijn betaalde zender." Maar Brandel en de zijnen kozen voor een speciale antenne, die extra moest worden gekocht en aangesloten dienden te worden in de op de antennemast. Via een reclamecampagne in de dagbladpers wist men toch later vele kijkers te trekken. Vrijwel dagelijks waren in die tijd ingezonden brieven, dan wel redactionele opmerkingen, te lezen over de toekomst van de CAI, de reclamezender en een eventueel Tweede Televisienet.
  Het REM-eiland in aanbouw

Zo kwam er uiteraard commentaar op de weigering van de CAI-woordvoerder om de centrale antenne-installatie aan te passen, wanneer REM TV van start zou gaan. In diverse plaatsen in Oost-Nederland wensten de CAI's in het begin niet het signaal van Duitse stations over te zetten, waarna massaal protest uitbrak en men alsnog overstag ging. Daaruit, zo schreven de kranten, viel een les te leren: "Geen exploitant zal zich waarschijnlijk kunnen veroorloven de installatie te laten zoals zij is, en dus niet te zorgen dat zijn abonnees ook naar deze zender zullen kijken. Hij zou, gezien de ervaringen in het oosten van het land, het risico lopen dat de mensen, ondanks het verbod in hun contract zelf antennemasten op hun dak te mogen aanbrengen, dit toch zullen gaan doen. Daarna voor politieagent spelen bleek in het oosten van het land in de praktijk onuitvoerbaar. Gezien het gegeven dat er binnenkort ook beslist zal worden over een eventueel tweede net, zal de technische vakhandelaar het druk gaan krijgen met het aanleveren en plaatsen van twee nieuwe ontvangstantennes bij de verschillende gezinnen."

  En plotseling mengden de Katholieken zich, in maart 1964, andermaal in de discussie. Dit keer waren het de leden van het Katholiek Maatschappelijk Beraad die zich publiekelijk uitlieten over de vraag of "wel of geen reclame op de televisie" moest komen. Binnen het Katholiek Maatschappelijk Beraad waren allerlei andere Katholieke organisaties, zoals de Katholieke Werkgevers, de KNBTH, de Katholieke Middenstandsbond en de Nederlandse Katholieke Vrouwenbond, vertegenwoordigd. Er wordt een soort compromis naar voren gebracht. Men acht de toelating van reclame aanvaardbaar, mits het gebrachte televisieprogramma gevrijwaard blijft van commerciële invloeden. Het Bestuur van het Katholiek Maatschappelijk Beraad was tot deze conclusie gekomen naar aanleiding van een rapport, over de toekomst van de televisie, dat was samengesteld door een commissie binnen het Beraad: "... een gemeenschappelijk standpunt kon worden geconcludeerd na diepgaand overleg, waarbij duidelijk de verschillende wijzen van benadering in de onderscheiden organisaties naar voren kwamen." Het KMB onthield zich evenwel van een standpunt over de meest wenselijke vorm van reclametelevisie.
6 Een geheime nota. Moest er een onafhankelijke commercieel station komen, of moest reclame worden ingevoerd in de programma's van de bestaande omroepen? Op dat punt wrong de schoen natuurlijk het meest. Al in 1961 legden de omroepverenigingen in een geheime nota aan de regering hun ideeën voor over de eventuele invoering van reclame op de Nederlandse televisie vast. De nota werd in februari 1961 bij de Tweede Kamer ingediend. Het rapport was geheim, maar toch werd het in maart 1964 even aangehaald toen bekend werd dat minister Bot de Nederlandse Televisie Stichting (NTS) had gevraagd hem voor 15 juli van dat jaar een plan voor te leggen voor de invoering van de reclame op de televisie. Het verzoek was gekomen naar aanleiding van een oriënterend gesprek, dat op 25 maart van dat jaar plaatsvond met het bestuur van de NTS. De omroepbestuurders ontvouwden toen hun denkbeelden over de reclame in de televisie, maar deze bleken echter allerminst vast omlijnd. De minister gaf daarop zijn voorlopige reacties, zonder daaraan dwingende consequenties te verbinden. Minister Bot wilde vervolgens, dat de NTS met een nauwkeurig voorstel op tafel kwam. Daarin moest concreet worden aangegeven hoe volgens degenen die toen de televisie-uitzendingen verzorgden, reclameboodschappen in de televisieprogramma's konden en moesten worden geïncorporeerd.
  Spotprent in De Tijd, 19 augustus 1964

Het rapport zelf is altijd geheim gebleven. Er mag evenwel worden aangenomen dat het rapport het idee behelsde om een orgaan voor exploitatie van de reclame in het leven te roepen. In dit orgaan zouden, behalve de omroepen ook andere belanghebbenden, met name de tijdschriftuitgevers (NOTU) en de adverteerders (VEA), moeten zijn vertegenwoordigd. Het verzoek van Minister Bot leverde overigens nog een reactie op in de pers. Een woordvoerder van de NTS liet weten dat de organisatie, mede gelet op het feit dat de minister voor 15 juli 1964 antwoord wenste, haast had met de invoering van reclame op de televisie en bovendien snel wilde overgaan tot het oprichten van een tweede televisienet in Nederland. Hoogstwaarschijnlijk moet deze uitlating worden gezien als een gevolg van de angst dat het toekomstige REM-project daadwerkelijk vele kijkers zou kunnen wegtrekken bij de programma's die door de omroepverenigingen werden uitgezonden.

  Het plan, dat de omroepen dienden te maken, stond trouwens los van de taken van de Pacificatiecommissie. De opdracht aan deze commissie had een veel wijdere strekking. Deze commissie werd onder meer geacht advies uitbrengen over de bezetting van een tweede televisienet. Behalve problemen, die verband hielden met de uitzendingen van reclameboodschappen, moest zij ook tal van andere zaken betreffende uitzendingen over het tweede net bestuderen, zoals de vraag of ook andere instanties, dan de bestaande omroepverenigingen, uitzendingen via dat net zouden moeten kunnen verzorgen.
7 Een gebrek aan intellectueel niveau. Ook in wetenschappelijk kring bleek men zich in het jaar 1964 ernstige zorgen te maken over de televisie. Ditmaal ging het echter noch over reclame, noch over de kabel. Nee, het intellectuele niveau van de televisie liet te wensen over. Zo luidde tenminste de conclusie van een congres over "Televisie", dat in januari 1964 in Eindhoven werd gehouden. De bijeenkomst was georganiseerd door de Sociëteit Cultureel Centrum en omgeving, dat haar tienjarig bestaan vierde. Een forum, onder voorzitterschap van niemand minder dan Mr. J.M.L.Th Cals, constateerde dat intellectuelen slecht vertegenwoordigd waren bij de televisie, "... zowel voor als in de beeldbuis." Dat lag volgens de wetenschappers aan het verschil tussen het niveau van de intellectuelen en dat van het televisie-aanbod. Daarom viel er, zoals ze het zelf formuleerden, "nog steeds een aversie bij deze bevolkingsgroep te constateren om zich met de uitschakeling van hun rijke scala van menselijke functies en mogelijkheden in de categorie der 'simpele kijkers' te laten inschakelen." Simpel gezegd, het televisie-aanbod had te weinig intellectueel niveau.
  Cartoon van Opland in de Volkskrant, 28 februari 1964

Het forum had daarvoor ook een oplossing bij de hand. Binnen de NTS en de omroepen zouden meer academici in dienst moeten worden genomen, "teneinde de graad van deskundigheid der geboden voorlichting ter verhogen." Het forum was wel zo goed om direct daarbij te waarschuwen om geen wonderen te verwachten. Het aannemen van meer wetenschappelijke medewerkers zou niet betekenen dat de intellectueel zijn bureaustoel zou inruilen voor een ligstoel: "Heel wat academici zullen bereid moeten zijn zich in de ogen van de clan in de televisie te deballoteren, alvorens de grondeloze diepte der aversie is bereikt. Immers er is geen toestel dat zo totaal van elk snob-appeal is gespeend als juist dit monument der gestegen welvaart. In zijn poging iedereen, ook de ongevormde, 'in' te doen zijn, ligt de oorzaak van zijn totale 'uit' zijn. Eerst wanneer het gehele scherm door doctorandi in bezit zal zijn genomen, zullen dezen ertoe overgaan zichzelf een toestel aan te schaffen," aldus het Forum tijdens het congres in Eindhoven. Ook dat soort geluiden viel kortom in 1964 nog te horen, al vormde het niet langer het centrum van het publieke debat over de televisie. Pas bij de entree van de TROS in het televisiebestel — denk aan de zogeheten "vertrossing" — zou dit thema weer naar voren komen. Maar zover was het nog lang niet.

8 De komst van de REM. Hoe ging het verder? Voor de kust van Noordwijk wordt begin juni het kunstmatig platform verankerd waarvandaan in het tweede helft van 1964 Radio Noordzee en niet veel later, vanaf 12 augustus, TV-Noordzee hun uitzendingen zullen beginnen. [2] De programma's worden niet via de kabel doorgegeven door de PTT en, ondanks hun kabelaansluiting, klimmen veel bewoners van het Haagse Bezuidenhout weer het dak op om de speciale REM-antenne te installeren. Ze zijn niet de enigen. In diezelfde maand zet de Pacificatiecommissie al haar activiteiten tijdelijk stil, zonder een rapport bij de regering op tafel te leggen. De leden van de commissie laten minister Bot weten dat zij niet weer aan het werk zullen gaan voordat de bewindsman zijn standpunt over de REM duidelijk heeft gemaakt. Hun redenering is, zij onder druk van de komst van de REM, niet in vrijheid hun mening kunnen vormen over de toekomst van de televisie en de eventuele invoering van reclame. Het kabinet moest eerst duidelijk laten zien wat het wilde en hoe het dacht over deze "piraterij" op radio en televisie.
  Wat niet letterlijk door de commissieleden werd gezegd, maar waar het eigenlijk wel op neer kwam, was dat men eigenlijk niet weer aan het werk wenste te gaan voordat zowel de REM als Radio Veronica, dat al vier jaar actief was vanaf internationale wateren, uit de lucht waren gehaald. De politiek, dat was duidelijk, zag het allemaal niet zitten — met uitzondering dan van de VVD. Daar was men positiever ingesteld op het punt de uitzendingen vanaf internationale wateren. Mevrouw Haya van Someren-Downer verklaarde bijvoorbeeld in een radio-uitzending, naar aanleiding van het besluit van de commissie, dat het een normale zaak was dat de uitzendingen vanaf zee werden verzorgd: "Iets wat in dit land niet wordt toegelaten, terwijl er blijkbaar toch behoefte aan is, dient men te legaliseren, zelfs als het illegaal buiten de grenzen gebeurt." Maar, de VVD had het niet voor het zeggen. De Nederlandse regering maakt snel een wetje, waarmee de uitzendingen worden verboden. De REM zal op 17 december gedwongen worden om haar uitzendingen te stoppen.
De regering kan echter niet meer om de zaken heen en zal met een goed alternatief moeten komen. Men probeert het. Zo wordt op 1 oktober 1964 het tweede net definitief toegewezen aan de zendgemachtigden. Verder wordt de zendtijd officieel uitgebreid tot 52 uur. De reclame op de televisie komt er ook. Aan het eind van 1964 wordt dan toch het rapport gepubliceerd van de Pacificatiecommissie. Daarin adviseert de commissie om etherreclame toe te staan. Dat gebeurt uiteindelijk ook, al zal het kabinet Marijnen in 1965 nog over deze kwestie struikelen. [3] En, ook de instelling van CAI's gaat gedreven voort in Nederland. De antennes verdwijnen massaal van de daken. Tot het aanleggen van een landelijk kabelnet, wat de regering honderden miljoenen guldens zou hebben gekost, is het overigens nooit gekomen. In 1965 verlaat de overheid het standpunt dat uitsluitend de PTT hiervoor zorg moet dragen. Middels plaatselijke initiatieven komen er in het begin van de jaren zeventig de eerste kabelnetten — de eerste wordt, naar verluidt, in 1971 in Goirle in gebruik genomen — die zich vervolgens landelijk verspreiden. Tegenwoordig is Nederland het best bekabelde land ter wereld.
   
Previous
  Noten
1. Zie hiervoor: Hans Knot (2000), "Radio door een draadje. De draadomroep in voor- en tegenspoed." In: Soundscapes, 2000, 3 (autumn). Return to text
2. Zie hiervoor: Hans Knot (1998), "Van REM naar TROS. De geboorte van de commerciële televisie in Nederland." In: Soundscapes, 1998, 1 (spring). Return to text
3. Zie hiervoor: Hans Knot (2000), "Rumoer om de reclame. De moeizame invoering van de radio- en televisiereclame in Nederland (1951-1967)." In: Soundscapes, 2000, 3 (spring). Return to text
   
Previous
  Geraadpleegde bronnen
 
  • De Volkskrant, jaargang 1964.
  • Het Parool, jaargang 1964.
  • Maandblad De Katholieke Werkgever, 1964, 2.
  • NTS Infobulletin, 1964.
  • Staatsbedrijf der Posterijen (1963), Telegrafie en Telefonie (1963), Vervolgrapport draadomroep: centraal antenne systeem. Den Haag: Staatsbedrijf der Posterijen, Telegrafie en Telefonie, 1963.
  • Televizier, 7 november 1964.
  En verder diverse omroep- en overheidsdocumenten uit het Nederlands Audiovisueel Archief, Hilversum, en het Archief van het Freewave Media Magazine.
   
Previous
  De foto's bij paragraaf 2.1 en 2.4 zijn afkomstig uit het Museum voor Communicatie in Den Haag.
  2001 © Soundscapes