Logo  
  | home | authors | calendar colophon | links | newsgroups | newsfeed | new | printer version |  
volume 4
juni 2001

Marten Toonder en de tijdgeest

 





  Een bespreking van Marten Toonder's autobiografie
  door Ger Tillekens
Previous
  Lange tijd hield Marten Toonder, de schepper van Tom Poes en Heer Bommel, zijn eigen persoonlijkheid verborgen achter zijn stripkarakters. De laatste jaren liet hij evenwel meer over zichzelf weten. Veel meer zelfs. Onlangs verscheen een omvangrijke autobiografie en daarin vertelt hij vrijuit over zijn kindertijd, over zijn jeugd in de jaren twintig, over de moeilijke oorlogsjaren en over het wel en wee van zijn gezin en zijn studio in de naoorlogse bloeiperiode van de Bommelstrips. Wat zegt zijn boek over de mens achter de striptekenaar?

1 Een vage herinnering. Wanneer zag ik Marten Toonder voor het eerst in levende lijve? Precies weet ik het niet meer, maar het moet ergens in het begin van de jaren zeventig zijn geweest. Vaag tussen andere herinneringen aan die woelige periode bewaar ik tenminste het beeld van een zaaltje in Den Haag waar een televisiedocumentaire werd vertoond over Toonder in Ierland. Op het projectiescherm stapte de schepper van Olivier B. Bommel en Tom Poes dwalend rond in een nevelig en nattig landschap. De sfeer leek zo authentiek, dat zelfs Toonder die niet op papier zou kunnen vangen. Dat dacht ik tenminste. Totdat in 1973 zijn verhaal verscheen over die filmopnames — de Krookfilm. Daar bleek het tegendeel: in zijn tekeningen kwam het Ierse landschap nog soppiger en vernevelder over dan op de film.
  Nog een herinnering is me van die gebeurtenis in Den Haag bijgebleven. Op het podium stond het bekende levensgrote, full-color display-figuur van Heer Bommel. Toen Toonder zelf een toelichting gaf, stond hij daar vlak naast en voor mijn geestesoog schoven hun beide figuren langzaam in elkaar. Toonder werd Bommel en Bommel werd Toonder. Dat was niet zo vreemd, want op de een of andere manier was de gelijkenis treffend.
2 Een dikke paperback. Vijfentwintig jaar later verscheen Toonder's eigen verhaal over zijn leven. Het is een lijvig werkstuk. In bijna 1200 bladzijden werd het geheel in 1998 door uitgeverij De Bezige Bij uitgebracht onder de simpele titel Autobiografie. Delen ervan verschenen echter al eerder. In 1992 publiceerde Toonder het eerste deel, Vroeger was de aarde plat, dat de periode tussen 1912 en 1939 bestrijkt. Een jaar later volgde het tweede deel, Het geluid van bloemen, over de oorlogsjaren tussen 1939 en 1945. En vier jaar later, in 1996, verscheen Onder het kollende meer Doo over de twintig naoorlogse jaren die Toonder in Nederland doorbracht. In 1998 kwam daarna nog een korte epiloog uit met de simpele titel Tera over zijn korte, maar gelukkige periode samen met Tera de Marez Oyens.
  Voor wie het niet wist: Tera de Marez Oyens was een bekend componist en muziekwetenschapper. Ze was de weduwe van de politicoloog en schrijver Menachem Arnoni. Toonder ontmoette haar een paar jaar na de dood van zijn vrouw Phiny Dick en ze beleefden samen een kortdurende, maar hevige romance. In de dikke paperback is Toonder's verhaal over die episode samengenomen met de drie andere delen. Ondanks de indrukwekkende omvang las ik het boek bijna achter elkaar uit. En weer betrapte ik me er al lezend op, dat de figuren van Toonder en Bommel meermalen dreigden samen te vallen.
3 Bedachtzaam en onbezonnen. Toonder was natuurlijk Heer Bommel niet. Opschepperig is hij, zo kunnen uit zijn levensverhaal opmaken, bijvoorbeeld allerminst. Als hij al een enkele keer naast zijn schoenen dreigt te gaan lopen, corrigeert hij zichzelf onmiddellijk. En anders deed zijn vrouw dat wel. Zelf heeft hij herhaaldelijk gezegd, dat er in zijn karakter zowel elementen van Bommel als van Tom Poes schuilgingen. Lezen we zijn levensverhaal, dan is daar iets bij voor te stellen. Het is de afstandelijke kijk van de laatste die de autobiografie overheerst.
  Die afstand zit in de relativerende schrijfstijl, maar komt ook in andere dingen naar voren. Het blijkt voor Toonder een soort levenshouding om zichzelf als van een afstand te bekijken. We zien dat bijvoorbeeld in de bedachtzame manier waarop hij als zestienjarige zijn eigen gevoelens analyseert toen hij met zijn buurmeisje — zijn latere echtgenote — op dansles ging. Hij vraagt haar voor een bal, maar ze bedankt voor de eer en slaat de uitnodiging af. Maar, dan komt ook de andere kant van Toonder's karakter naar voren. In een opwelling en zonder aan de complicaties te denken nodigt hij drie verschillende meisjes voor hetzelfde avondje uit. Gelukkig loopt het allemaal goed af en achteraf beseft hij dat zijn kwaadheid op Phiny hem tot zijn impulsieve gedrag heeft gebracht.
  Toonder leert er niet echt van. Ondoordachte beslissingen blijven een terugkerend verschijnsel in zijn leven. Even snel en onoverwogen neemt hij in die tijd — we zijn dan in de vrolijke jaren twintig — het initiatief om een scholierenvereniging op te richten om dansfeesten te organiseren. Even spontaan besluit hij aan het begin van de Tweede Wereldoorlog mede-firmant te worden van de Diana Edition om het bedrijf van zijn vriend Gottesmann veilig te stellen. En even gemakkelijk begint hij na de oorlog aan de riskante onderneming om een avondvullende tekenfilm te produceren.
  Tekenend in dit opzicht zijn ook de sporadische keren dat hij een woede-aanval krijgt, als kind en later bijvoorbeeld bij zijn eerste werkgever, de Rotogravure in Leiden, waarop hij ook spontaan ontslag neemt. Verder blijkt hij goed in staat, zoals hijzelf ook herhaaldelijk opmerkt, om problemen te verdringen. Net zolang, totdat ze zo groot zijn geworden dat het echt niet meer kan. Op al die punten lijkt hij in zijn gedragingen op Bommel. Dat geldt ook voor de afloop van zijn ondernemingen. Net als Bommel overkomt Toonder steeds van alles en nog wat. En, ook bij hem komt op onverwachte manieren alles meestal weer op zijn pootjes terecht.
4 Strips op de achtergrond. Stripliefhebbers zullen zich natuurlijk nieuwsgierig afvragen, of Toonder's biografie meer licht werpt op de oorsprong en ontwikkeling van zijn stripverhalen. Het antwoord op die vraag luidt zowel ontkennend als bevestigend. De feitelijke biografie stopt in 1966, het jaar waarin de familie Toonder naar het Ierse Greystone emigreert. De ongeveer dertig jaren tussen 1966 en het midden van de jaren negentig worden gladweg overgeslagen en in die tijd schreef Toonder nog een groot aantal verhalen. Het laatste Bommel-verhaal verscheen immers in 1986. Daarover vinden we dus niets in de autobiografie. Ook over de eerdere verhalen krijgen we betrekkelijk weinig informatie.
  De autobiografie gaat dan ook niet zozeer over Toonder als striptekenaar, maar vooral over Toonder als mens. Maar ook langs die lijn valt er genoeg te leren over zijn strips, want op de achtergrond zijn ze altijd aanwezig. Soms heel direct. We lezen in zijn biografie bijvoorbeeld hoe hij als kind al in 1918 kennismaakte met de Amerikaanse strip; waarom hij koos voor het beroep van tekenaar; over de opzet van de studio's in de oorlogsjaren. We lezen dat de keuze tussen tekst- en ballonstrip niet principieel was, maar voor een groot deel op toeval berustte. We krijgen uitgebreid te horen hoe Tom Poes aan zijn naam kwam. En terloops vernemen we dat hij het tekenen van stripfiguren niet persoonlijk van de Argentijnse striptekenaar Dante Quinterno leerde, maar via een incidentele ontmoeting met diens toenmalige Amerikaanse medewerker Jim Davis.
5 Echte Toonder-types. Meer indirect krijgen we nog wel meer informatie over de Bommelverhalen en hun karakters. Hoewel hij in zijn boek zelf herhaaldelijk het tegenovergestelde beweert, zijn Toonders herinneringen allesbehalve vaag. Hij blijkt vooral een goed geheugen te hebben voor een aantal opmerkelijke ontmoetingen. Ontmoetingen die opmerkelijk zijn, omdat het gaat om opmerkelijke, of in ieder geval merkwaardige personen. Voor de Bommelkenner is het is leuk om daarin de kenmerken en eigenschappen van latere personages te herkennen.
  Zo komen we al na veertig pagina's in het boek iemand tegen die verdacht veel weg heeft van Pee Pastinakel en die zichzelf ook, als afkorting voor Peregrinus, Pee noemt. In Terpen Tijn blijken elementen te zitten van de schilder Eterman, die in de biografie een heel bijzondere plaats inneemt. En zo zijn er nog tal van figuren die als inspiratiebron lijken te hebben gediend voor Toonder's stripfiguren. Het zijn niet alleen die ontmoetingen. Toonder interesseert zich al jong voor het spiritisme en leest geestdriftig de werken van Madame Blavatsky. Toeval heeft in zijn leven altijd betekenis. Geloof in synchroniciteit — het idee dat toeval de vorm is waarin het lot zich uit — maakt een integraal deel uit van zijn levensvisie. En ook de uitwerking van die gedachte valt moeiteloos in de Bommelverhalen terug te vinden.
  Het typische Toonderiaanse Nederlands van de Bommelverhalen duikt in de autobiografie overigens slechts sporadisch op. Af en toe valt er een enkel woord, zoals "aarzelig" in plaats van aarzelend, dat associaties wekt met de kenmerkende schrijfstijl van de stripverhalen. Geregeld komen we wel het karakteristieke woordje "zodat" tegen, op dezelfde manier als in de Bommelstrips. Net zoals daar gebruikt Toonder dat woord regelmatig om gebeurtenissen uit het verleden een extra betekenis te geven voor het heden.
  Zo schrijft Toonder bijvoorbeeld ergens: "Het is dan ook eigenaardig dat zijn woorden bleven hangen, zodat ik ze nu nog kan opschrijven." Het verschaft de zin iets mysterieus. Het klinkt alsof die woorden ooit speciaal werden uitgesproken om pas later vermeld te woorden. Dat is typisch Toonder. Verder schrijft hij zijn zinnen in een mooi, maar onopvallend Nederlands. Behalve dan wanneer bepaalde ontmoetingen worden beschreven. Dan is zijn kenmerkende woordenschat overvloedig aanwezig. Dat blijkt dan terecht. Want, het lijkt erop dat juist deze ontmoetingen, die Toonder zo goed in zijn geheugen staan gegrift, niet alleen een belangrijke voedingsbodem zijn geweest voor een aantal Bommel-karakters, maar ook voor hun kenmerkende vocabulaire.
6 De harde werkelijkheid. Een levensverhaal is geen stripverhaal en dat geldt zeker voor de autobiografie van Toonder. Stripverhalen hebben doorgaans een happy end. Dat geldt ook voor de Bommel-saga. De schrijver beloofde weliswaar in de documentaire van 1973, dat hij Bommel aan het eind van de serie, net als Tolkien's Bilbo, naar de "grijze eilanden" van de Ierse mythologie zou laten vertrekken, maar deed dat uiteindelijk niet. Zoals bekend liet hij zijn held in het huwelijk treden met zijn buurvrouw Doddeltje. Dat was het einde van het verhaal. In het echte leven gaan die dingen anders.
  Bij Toonder zelf worden het begin en einde van zijn verhaal bepaald door meer dramatische gebeurtenissen: het overlijden van zijn vrouw Phiny en de dood van tweede echtgenote Tera. Er zijn meer zwarte episodes in het leven van Toonder. De lezer wordt in die gebeurtenissen meegetrokken, doordat Toonder zijn leven schetst als een rechtlijnige geschiedenis. Hij beschrijft alles heel direct, zoals hij het toen zag en beleefde. Enkel in het laatste deel zwenkt de verhaallijn kortstondig heen en weer tussen zijn leven toen in Nederland en nu in Ierland.
  Die manier van schrijven maakt het boek ronduit verhelderend en op veel punten ook aangrijpend. Dat geldt zeker voor het tweede deel, waarin Toonder verhaalt over de donkere oorlogsjaren. Hij vertelt daar de geschiedenis van de tekenfilm naar het verhaal van Tom Poes en de Laarzenreuzen. Centraal staat daarbij de studio die hij met geld van de Duitse firma Degeto van de grond wist te tillen en die, met medeweten van de betrokkenen, vooral bedoeld leek om een groeiend aantal medewerkers uit de handen van de Duitse bezetters te houden. Het hele gebeuren, compleet met de romantiek van vriendschap en de tragiek van verraad, roept directe associaties op met "Schindler's List".
7 Een visie op verhalen. Tijdens de oorlog rolt Toonder daarmee in het verzet, niet uit politieke overtuiging, maar nogal argeloos als gevolg van allerlei toevallige omstandigheden. En, natuurlijk vanwege zijn impulsieve aanleg en niet te vergeten zijn levenshouding. Al jong heeft de man namelijk al een grote afkeer tegen elk geloof in sociale categorieën als natie en volk. Voor hem bestaan er slechts individuen, personen. Het is een overtuiging die in en door zijn oorlogservaringen enkel en alleen sterker wordt.
  De anti-fascistische houding van Toonder berust daarmee op een vorm van romantisch individualisme. "Je moet het bestaan van vele mogelijkheden erkennen, anders word je een fanaat die zich gelukkig voelt in een schreeuwende horde; dat heb ik al vroeg begrepen", zo formuleert hij het zelf. Het is hetzelfde thema dat steeds in zijn stripverhalen terugkeert en dat hij in zijn autobiografie als zijn visie op die verhalen onderbouwt.
  Toonder beschrijft zichzelf als een romanticus, die in verhalen vlucht wanneer de problemen van het echte leven hem te groot worden. Het is voor hem een vorm van escapisme en het plezier daarvan gunt hij ook aan zijn publiek. Een boodschap hebben zijn verhalen niet; ze moeten vooral plezier bieden. Daarin ziet hij ook hun belangrijkste functie. Maar, de betekenis van de romantiek van zijn bedenksels reikt voor hem verder. Zijn verhalen kunnen escapisme bieden, omdat ze ook laten zien hoe het anders kan en welke dingen in het leven echt belangrijk zijn. En, volgens Toonder zijn dat vooral de kleine dingen van het leven. Daarmee komt de inzet van zijn verhalen overeen met zijn levensfilosofie, waarin geld geen rol speelt en geluk bestaat, zoals hij het zelf formuleert, uit "little moments of happiness". Daarom hebben zijn verhalen in zekere zin toch een boodschap, die we zouden kunnen bestempelen als het belang van de kleine romantiek van het dagelijks leven.
8 De tijd van Toonder. Volgens de meester zelf valt er daarmee uit zijn verhalen iets te leren. Daarom toonde Toonder zich ook hoogst verontwaardigd over het einde van de Bommelverhalen in het NRC. De serie had van hem eindeloos mogen worden herhaald. Ook voor de oplettende lezertjes van nu hadden de verhalen nog voldoende leerzaams in huis, zo meende hij. Het is de vraag of hij daarin gelijk heeft. Toegegeven, de avonturen van Heer Bommel en Tom Poes waren beter tegen de tijd bestand dan die van bijvoorbeeld Kapitein Rob. De zeilende held van Pieter Kuhn, wiens avonturen van eind 1945 tot begin 1961 in het Parool verschenen, was typerend voor de "lange" jaren vijftig. Toonder rees daar met zijn verhalen bovenuit. Afgezien van zijn tekentalent en verhalend vermogen, speelde zijn thematiek daarbij een belangrijke rol. Die maakte het hem mogelijk om in zijn verhalen te anticiperen op de omslag van de denkwereld van de jaren vijftig naar die van de jaren zestig.
  De avonturen van Heer Bommel en Tom Poes zijn wel eens omschreven als een serie fabels over de evolutie van de moderne wereld. In zijn algemeenheid klopt die stelling. Op de keper beschouwd is die omschrijving echter duidelijk te breed. Strips hebben immers altijd iets te doen met de tijd waarin ze worden geschreven. De reikwijdte van stripverhalen beperkt zich meestal tot een of twee decennia. Ja, decennia kunnen zelfs uitstekend worden getypeerd aan de hand van de krantenstrips die binnen die periode populair zijn. Voor de jaren zeventig waren het bijvoorbeeld strips als Charlie Brown en Oerm, die kritisch uiting gaven aan de tijdgeest. Voor de jaren tachtig waarin de populaire cultuur dominant werd kunnen de strips van Hein de Kort model staan. En op het nieuwe moralisme van de jaren negentig geeft Peter de Wit's maffe psychiater Sigmund een treffend commentaar.
  Voor al deze periodes kunnen ook andere namen worden genoemd, maar het is moeilijk voorstelbaar hoe Heer Bommel en Tom Poes zich deze nieuwe vormen van humor hadden kunnen eigen maken. Nee, tijdloos zijn Toonder's stripfiguren bepaald niet. Ze behoren duidelijk tot de twintig jaren na de oorlog. Maar, voor die periode waarin traditie plaats moest maken voor moderniteit, bieden ze ook het beste dat de stripwereld kon leveren.
9 Tussen traditie en moderniteit. De wereld die Toonder in zijn stripverhalen schetst is die van het knusse Rommeldam, het symbool voor het rustige vooroorlogse Nederland, dat continu dreigt te worden overvallen door de ontwikkelingen die de economische en technische vooruitgang met zich meebrengt. Het is een stilering van de wereld waarin Toonder zelf opgroeide en die hij in zijn autobiografie prachtig beschrijft. Het vertegenwoordigt de traditionele kant van zijn verhalen en van zijn persoonlijkheid.
  Daartegenover staan de meer moderne elementen. Zoals hij aangeeft, beschrijven zijn verhalen de strijd tussen goed en kwaad. Maar, zijn helden zijn niet de directe protagonisten van dat principiële conflict. Heer Bommel is het voorbeeld bij uitstek van de passieve held. Onvermijdelijk raakt hij verdwaald in gebeurtenissen die buiten hem staan en als hij een bijdrage levert aan de oplossing van problemen, dan is dat vaak onbedoeld. Net als Toonder zelf wordt hij niet gestuurd door ideologieën, maar door eerlijke bedoelingen en een gevoel voor rechtvaardigheid. Daarmee vertegenwoordigt hij de kleine romantiek van Toonder.
  In de jaren zestig werd die vorm van romantiek tot een meer algemeen verschijnsel, een teken van een nieuwe tijd. Met zijn verhalen anticipeerde Toonder daarop en becommentarieerde en begeleidde hij de veranderingen. Tussen de regels door geeft zijn autobiografie aan, waarom hij die rol kon spelen. Om de tijdgeest te kunnen relativeren, moet je er immers boven staan of er in ieder geval zelf geen deel van uitmaken. Voor Toonder gaat dat sterke mate op. Al van kinds af aan lijkt hij buiten de wereld te staan. Vervreemd, zo vertaalt hijzelf aan het begin van zijn levensverhaal het Engelse woord "uncanny". Hij maakte daar, zo leert zijn levensbeschrijving, een hanteerbare manier van leven van. Ook in dat opzicht was hij daarmee modern, voordat die levenshouding meer algemeen ingang vond.
10 Toch een beetje Bommel. Met zijn in tekst en tekeningen gegoten relativeringsvermogen heeft Toonder zelf actief aan de veranderingen van de jaren vijftig en zestig bijgedragen. Zijn verhalen waren inderdaad leerzaam. Letterlijk leerden ze hun lezers de waarden van de kleine romantiek die besloten lag in zijn levensvisie. Daarmee gaf Toonder uiting aan de tijdgeest of beter gezegd de geest van een veranderende tijd. In veel opzichten komt Toonder uit zijn boek naar voren als een lid van de vooroorlogse generatie. De wereld waarin hij opgroeide en die hij in zijn biografie zo nauwkeurig beschrijft is een andere wereld dan die waarin we nu leven. In dat opzicht lijkt hij toch een beetje op Bommel: een heer van stand.
  Maar in veel andere opzichten blijkt Toonder gewoon zich zichzelf: een complexe persoonlijkheid die heel wat minder simpel is dan zijn stripfiguren. Iemand die enerzijds een sterke neiging heeft te vluchten in verhalen, maar die anderzijds midden in de gebeurtenissen staat. Wat hem — en zijn stripverhalen — bij de tijd bracht en hield — en ook dat maakt zijn levensgeschiedenis overduidelijk — is zijn afschuw van grote ideologieën en bureaucratisch machtsmisbruik. Ook hier speelden zijn oorlogservaringen, zoals hij zelf aangeeft, een belangrijke rol.
  Zelf was Toonder van mening dat de geest van verandering die tijdens de oorlog in het verzet leefde, na de bevrijding ten onrechte in de kiem was gesmoord. In de culturele revolutie van de jaren zestig zag hij een poging van de jeugd om die veranderingen alsnog te realiseren. Niet op zijn manier, maar toch ... hij had er begrip voor en toonde dat in zijn verhalen. In zijn levensverhaal laat hij zich daarover nadrukkelijk uit. Daarmee was hij destijds een van die volwassenen met relativeringsvermogen die wel eens omschreven worden als belangrijke culturele overgangsfiguren tussen de jaren vijftig en zestig. Tegen die achtergrond vormt zijn autobiografie een waardige pendant van zijn stripverhalen. En net als die verhalen is het boek de moeite van het lezen meer dan waard. Het brengt zijn tijd, Toonder's tijd, op een treffende manier tot leven.
   
Previous
  Deze bespreking werd oorspronkelijk gepubliceerd in het Stripschrift, 2000, 32, 7, 14-19. De documentaire waarvan in de eerste alinea sprake is, werd — zo wist iemand me onlangs te vertellen — in 1973 vertoond in het Haagse Bzztôh-theater.
  2001 © Soundscapes