Logo  
  | home | authors | calendar colophon | links | newsgroups | newsfeed | new | printer version |  
volume 5
februari 2003

De Haagse wortels van de Nederlandse popmuziek

 





  Bespreking van:
  • Ton van Steen en Bert Bossink, Het Liverpool van Nederland. Zwolle: De Ruiter, 2002, (98 pagina's; ISBN 90-70037-46-7).
door Ger Tillekens
Previous
  Als het Liverpool van de jaren vijftig en zestig een Nederlandse tegenhanger had, dan was dat ongetwijfeld Den Haag wel. Die stad leverde een groot aantal bekende beatgroepen op, zoals de Livin' Blues, de Golden Earring, Groep 1850, Earth and Fire, de Motions, Q 65, de Sandy Coast, Shockin' Blue, de Shoes en de Tee Set. En, dit rijtje valt gemakkelijk uit te breiden, zo laten Ton van Steen en Bert Bossink zien in hun boek Het Liverpool van Nederland. Ger Tillekens, zelf geboren en getogen in de hofstad, las hun verhaal kritisch door.
 
1 Tweeduizend popbands. Zo rond het midden van de jaren zestig telde Den Haag zo'n tweeduizend popbands, waarvan er een paar honderd opereerden in de frontlinie van het Nederlandse muziekgebeuren. De vraag ligt daarmee voor de hand: "Was Den Haag in 1965 het Liverpool van de Nederbeat?" Zo formuleerde Dick Slootweg (1989: 21) het bijna vijftien jaar geleden in zijn boek De B-kant van de beat. Doorvragend voegde hij daar aan toe: "Zou het zonder de Haagse muziekhandel Servaas, die al die jongens aan hun gitaren en versterkers kon helpen, anders zijn geweest? En als Jacques Senf en Freddy Haayen er niet waren geweest, wat dan?" Hij bleef het antwoord schuldig. In zijn boek liet hij dat over aan de reeks artiesten die hij interviewde, maar die zelf ook geen definitieve verklaring konden verschaffen voor het succes van het regeringscentrum op het vlak van de popmuziek. Vorig jaar gaven Ton van Steen en Bert Bossink zonder meer een positief antwoord op die zelfde vraag, door hun pas verschenen boek de titel mee te geven "Het Liverpool van Nederland." Ze vonden dat al veelzeggend genoeg; een directe verwijzing naar Den Haag leek hen zelfs compleet overbodig.
2 Een kort historisch overzicht. Volgens Van Steen en Bossink was Den Haag in de jaren vijftig en zestig dus voor Nederland wat Liverpool in die tijd was voor Engeland. Om die stelling te onderbouwen vullen ze iets meer dan veertig pagina's van hun boek met een historisch overzicht. Dat voert ons van het prille begin van de rock'-n-roll in het midden van de jaren vijftig, via de beatexplosie in het midden van de jaren zestig, tot aan de opkomst van de flower power aan het eind van dat woelige decennium. Het verhaal begint kortom in de tijd waarin de popmuziek nog in haar kinderschoenen stond, het dagelijks leven nog werd beheerst door de zuilen en de jaarlijkse komst van Circus Toni Boltini voor de meeste Hagenezen nog een evenement was. Kort, maar met oog voor detail, beschrijven de auteurs hoe in het Den Haag van toen, naar het voorbeeld van de Shadows uit Engeland en de Ventures uit de Verenigde Staten, de Indorock opbloeide en overwaaide naar de Nederlandse jeugd. Het Rijswijkse jeugdcentrum Don Bosco, zo leren we, speelde bij die kruisbestuiving een belangrijke rol. De opkomst van de Indorock zelf verklaren Van Steen en Bossink overigens door te wijzen op de lichamelijke "expressiemogelijkheden" van de "Indische jongens," die groter zouden zijn geweest dan die van hun Nederlandse leeftijdgenoten. Dat lijkt me een ietwat achterhaalde stelling. Het feit dat de Nederlands-Indische opvoeding meer nadruk legde op het verantwoorden van gedrag en emoties — het zogeheten "soebatten" — is waarschijnlijk belangrijker geweest. Dat is namelijk ook een typisch element van de popmuziek (Tillekens, 1990: 214). Meer uitgebreid besteden de auteurs aandacht aan de eerste Haagse bands zoals Johnny and his Jumping Jewels, René and his Alligators, Willy and his Giants, The Crazy Rockers, The DesMounts, The Tornado's, The Black Albino's, The Javalins, The Eastern Aces en The Marlins.
3 Leden van de Plu op de Haagse kermis in het begin van de jaren zestig

Mersey-beat en flower power. Dan springt het verhaal over naar de jaren zestig. Ook nu krijgt de lezer weer een complete lijst voorgeschoteld van de belangrijkste personen, bands en instellingen, die verbonden zijn met de overgang van de rock-'n-roll naar de beat-muziek: The Golden Earrings, The Motions, Q65, Groep 1850, The Incrowd en The Tee Set. Ook het nieuwe netwerk van "beat-clubs" zoals Den Hout, De Horst en Club 1-9-2 van Jacques Senf wordt onder de loep genomen. De bespreking gaat verder met de opkomst van de flower power, de underground en de bijbehorende progressieve rock-muziek — een ontwikkeling waar alle bestaande groepen een flinke tik van mee kregen, en wat ook nieuwe groepen liet ontstaan. Belangrijk in dit verband blijken de R&B Connection, The Incrowd met haar afsplitsing After Tea, Illinois, vanaf 1968 Shockin' Blue met zangeres Mariska Veres en daarnaast vanzelfsprekend vanaf 1969 de symfonische rockformatie Earth and Fire, waarin Jerney Kaagman als lead-zangeres fungeerde. Daarmee blijkt ook het hoogtepunt te zijn bereikt. De Haagse groepen vieren triomfen, krijgen zelfs de nodige aandacht in Amerika en dat betekent ook het begin van hun Amerikaanse avonturen. De Golden Earrings maken daar een toer en Shockin' Blue scoort in 1970 met de song "Venus" een opvallend sterke Amerikaanse hit. Dan is het echter ook min of meer afgelopen, zo valt uit het verhaal op te maken. De "underground"-beweging trekt zich binnenskamers terug. In het Scheveningse uitgaansleven verdringen de discotheken de poppodia en nemen deejays de plaats in van popartiesten. En daarmee is het verhaal van Den Haag als bakermat van de Nederlandse popmuziek beschreven.

4 Een subculturele basis. Op de achtergronden van de Haagse ontwikkelingen gaan Van Steen en Bossink helaas niet al te diep in. Toch valt er uit hun overzicht een aantal zaken te lichten die bij het een en ander een belangrijke rol hebben gespeeld. De eerste betreft het publiek en de artiesten. De Haag, zo blijkt uit hun beschrijvingen, was in de jaren vijftig een typisch Nederlandse stad met een sterke wijkgebonden cultuur, waarbinnen allerlei subculturen konden opbloeien. De modernisering van de samenleving leidde ertoe dat de jongeren uit de lagere milieus — in een stad als Den Haag ook veel kinderen van lage ambtenaren — hun eigen, meer commercieel gerichte variant gingen vormen van hun oudercultuur. Naar het voorbeeld van films als Rock around the clock veranderden ze in nozems. Als relatief grote stad bood Den Haag voldoende ruimte voor de opkomst van meerdere groepen, zoals de Plu — voornamelijk bestaand uit "Indo's" — en "bullen" of nozems. Belangrijk blijkt ook dat deze groepen, mede door de mobiliteit die hun "buikschuivers" hen verschaften, elkaar konden ontmoeten op gemeenschappelijk terrein zoals de randen van het Scheveningse strand. Het zijn deze groepen, die de belangrijkste basis vormden voor de groei van de rock-'n-roll. Daar was, zoals onder meer de publicaties van Mutsaers (1989), Tillekens (1990), Labree (1993) en De Leeuw e.a (2000) laten zien, echter wel meer over te vertellen geweest dan Van Steen en Bossink doen. Datzelfde geldt voor die latere Haagse variant op de subcultuur van de "artistiekelingen", de "kikkers", die de belangrijkste publieksmotor vormden achter de opkomst van de beatmuziek.
5 Een Haagse "kikker" in vol ornaat en met de bijbehorende Puch in het midden van de jaren zestig

Begrijpende volwassenen. Een tweede factor, zo kunnen we tussen de regels door uit het boek van Van Steen en Bossink opmaken, waren de ouders. De meeste zagen de rock-'n-roll en de bijbehorende kleding bepaald niet zitten. Sommige van hen bleken echter wel het nodige begrip te hebben voor de nieuwe leefstijl van hun kinderen en hun fascinatie voor de nieuwe muziek zelfs aan te moedigen. Opmerkelijk veel van de jonge artiesten hadden, naar het lijkt, dergelijke ouders. Van Steen en Bossink wijzen bijvoorbeeld op de vader van George Kooymans die hem zijn eerste en knap dure elektrische gitaar cadeau gaf, en de ouders van Mariska Veres die zelf al een carrière achter de rug hadden in de populaire muziek. De moeder van Bojoura, zo kunnen we daaraan toevoegen, was zangpedagoge en gaf onder meer zangles aan George Kooymans van de Golden Earrings. Er was daarnaast, zo komt uit het verhaal van Van Steen en Bossink naar voren, nog een opvallende groep die, zowel letterlijk als figuurlijk, ruimte gaf aan de nieuwe jeugdcultuur. Dat waren de katholieke paters, kapelaans en pastoors. Het jeugdcentrum Don Bosco, dat door de Salesianen van Don Bosco werd gerund, is hierboven al genoemd. Maar ook in de vele parochiekerken van Den Haag bleken kapelaans en pastoors bereid om ruimte te maken voor jongeren. Met de opkomst van de beatmuziek lieten ze hen in de parochiezaaltjes "jeugdsosen" organiseren, waar bandjes konden optreden, en ook stelden ze vaak de kelderruimte onder de kerk beschikbaar als repetitieruimte. Op dit punt vertonen de Haagse ontwikkelingen overigens een opvallende overeenkomst met die in Volendam, waar de kerk ook een stimulerende rol speelde.

6 Ontmoetingsplekken. Over de motieven van de Haagse clerus om meer ruimte te geven aan de jeugd, maken Van Steen en Bossink ons helaas niet veel wijzer. Wilden de priesters de jongeren op deze wijze voor de kerk behouden, zochten ze muzikanten voor hun "beatmissen", of hadden ze — zoals Pluymen en Dieleman ooit suggereerden (Tillekens, 1990: 139-147) — vanuit hun theologische achtergrond gewoon meer gevoel voor de veranderende tijdgeest dan veel ouders? Hoe het ook zij, zij boden jongeren de gelegenheid om elkaar op eigen voorwaarden te ontmoeten en die factor — de derde die uit het boek van Van Steen en Bossink naar voren komt — speelde ook in meer algemene zin een belangrijke rol. De Haagse wijken, zo blijkt uit hun verhaal, telden vele verzamelplekken waar jongeren elkaar konden ontmoeten. Het is opvallend dat de straatnamen en wijken die Van Steen en Bossink noemen, zonder uitzondering aan de "verkeerde" kant van de Laan van Meerdervoort liggen. Het zijn de wijken die gekenmerkt werden door een echt straatleven. Van belang, zoals eerder gezegd, was daarnaast het Scheveningse strand als een gemeenschappelijk ontmoetingspunt. Bovendien beschikte Den Haag over een oudere traditie van typisch stedelijke huwelijksmarkten, georganiseerd rond dansscholen en danszalen, waarvan sommige zoals de dansschool van John Herder aan de Waldeck Piermontkade, al vroeg ruimte gaven aan de rock-'n-roll. Ook de populaire rolschaatsbanen, waar opgroeiende jongens en meisjes elkaar in die tijd konden ontmoeten, speelden een belangrijke rol zoals we kunnen zien aan het voorbeeld van de Rolschaatsbaan Zuiderpark waar Willy Wissink al vroeg rock-'n-roll-concerten organiseerde.
7 Jerney Kaagman, de zangeres van Earth and Fire, hier gekleed naar het voorbeeld van Grace Slick van de Jefferson Airplane

Een sociale infrastructuur. Al die elementen wijzen op het belang van een al wat oudere traditie op het vlak van de populaire cultuur, die zich al voor de Tweede Oorlog in Den Haag had ontwikkeld. Die traditie speelt ook mee in een vierde belangrijke factor die van Den Haag een echte popstad maakte. Dat is de menselijke kant van de muzikale infrastructuur van de stad, gevormd door concertorganisatoren, impresario's en zo meer. Te denken valt aan iemand als Paul Acket, die niet bang was voor "Amerikaanse toestanden" en in de Haagse Dierentuin een van de eerste rock-'n-roll-concerten organiseerde, en die later ook de nodige teenagershows voor zijn rekening nam. Acket zou met zijn concerten en het blad "Muziek Express" ook een belangrijke rol spelen bij de overgang naar de beatmuziek. Hij was zeker niet de enige of de eerste. Ook bij de opkomst van de Indorock, speelden Haagse impresario's met contacten in Duitsland een belangrijke rol. Zij waren het immers die de groepen ervaring lieten opdoen in Duitsland. Verder waren er ook de eigenaren van muziekwinkels als Gerritsen en Servaas en die van platenzaken als Bolland en Caminada, die ontmoetingsplaatsen schiepen voor muzikanten en managers, en daarmee de mogelijkheden openlegden voor contacten met platenlabels als Polydor. Van Steen en Bossink noemen het allemaal wel, maar gaan er niet al te diep op in. Ook gaan ze voorbij aan het feit, dat de Haagse groepen, op zich genomen, niet al te oorspronkelijk waren. Veel van de "vernieuwingen" werden ontleend aan buitenlandse trends — en ook op dat vlak speelden impresario's met een goede neus voor wat "in" was, een belangrijke rol.

8 Een brede basis. Het is de vraag of de auteurs terecht stoppen bij het eind van de jaren zestig. Toegegeven, de aanvankelijke voorsprong van Den Haag was duidelijk afgenomen. Toch had ik graag meer gelezen over instellingen als het Paard van Troje, de Haagsche Beatnach en Pop in het Park. De rest van het boek is evenwel gevuld met bijlagen, waaronder enkele adviezen van Haagse muzikanten aan beginnende popmuzikanten, een interview uit 1989 met leden van de groep Smear Campaign, en aanhangsels met de top-tien van Haagse hits, van de meest bekende groepen en hun discografieën. In de overdonderende hoeveelheid namen wordt enige ordening gebracht door een index. Aan het eind van het boek staan nog enkele kleine fotootjes afgedrukt. Jammer genoeg zijn het er maar een paar, en dan nog enkel van artiesten. Het beeld van de stad Den Haag zelf — als de omgeving waarin "het" gebeurde — blijft daardoor rijkelijk abstract. Mogelijk nog spijtiger is de afwezigheid van een literatuurlijst. Verwijzingen in de tekst ontbreken, ook naar het eerdergenoemde werk van Slootweg. In dit geval is dit wel terecht, want van diens waardevolle informatie wordt nergens gebruik gemaakt. Het positieve antwoord dat Van Steen en Bossink impliciet op de vraag van Slootweg geven, wordt echter, al met al, wel onderbouwd. Hun overzicht maakt duidelijk dat Den Haag in de jaren vijftig en zestig aan alle voorwaarden voldeed om een vooraanstaande positie in de Nederlandse popmuziek te verwerven. Het was waarschijnlijk ook niet anders geweest zonder muziekhandel Servaas, Jacques Senf of Freddy Haayen. Er was, zo laten Van Steen en Bossink zien, een veel bredere basis. Een omvang van veertig pagina's schiet evenwel duidelijk te kort om de diepte daarvan goed te peilen en alle belangrijke elementen systematisch aan de orde te stellen. Een aanzet daartoe geeft het boek echter wel en voor wie het allemaal van veraf of van dichtbij heeft meegemaakt, zijn er volop leuke aanknopingspunten te vinden voor het ophalen van herinneringen. Het boek kost € 15,- en is te bestellen bij de reguliere boekhandel of via het e-mail-adres van de Stichting Media Communicatie.
   
Previous
  Literatuur
 
  • Labree, Rob (1993), Rock-'n-roll in rood-wit-blauw. Amsterdam: SPN / Jan Mets, 1993.
  • Leeuw, Kitty de, Sjouk Hoitsma, Ingrid de Jager en Peter Schonewille (2000), Jong! Jongerencultuur en stijl in Nederland, 1950-2000. Zwolle: Waanders, 2000.
  • Mutsaers, Lutgard (1989), Rockin' Ramona. 'n Gekleurde kijk op de bakermat van de nederpop. Den Haag: SDU, 1989.
  • Slootweg, Dick (1989), De B-kant van de beat. Den Haag: SDU, 1989.
  • Tillekens, Ger (red.) (1990), Nuchterheid en nozems. De opkomst van de jeugdcultuur in de jaren vijftig. Muiderberg: Coutinho, 1990.
   
Previous
  2003 © Soundscapes