Logo  
  | home | authors | calendar colophon | links | newsgroups | newsfeed | new | printer version |  
volume 5
juni 2002

De koning van de weg

 





  Roger Miller tussen country en pop
door Bert Bossink
Previous
  De rock-'n-roll is ooit omschreven als de optelsom van de rhythm-and-blues enerzijds en de country-and-western anderzijds. De bijdrage van de country-and-western aan de rock-'n-roll is onbetwist, maar toch zijn beide stijlen altijd verschillend gebleven, ieder met een eigen publiek en met eigen hitlijsten. Enige beweging zat er echter wel in. Soms schurkte de country-and-western dichter tegen de rock-'n-roll, en later de rock-muziek, aan en soms verkoos het genre juist een meer eigen positie. Enkele zangers en songschrijvers bewogen zich op het raakvlak van beide genres en overschreden met wisselend succes de muzikale grenzen. Een van hen was Roger Miller, die in 1965 met zijn song "King Of The Road" een hit scoorde op zowel de pop- als de country-lijsten. Bert Bossink vertelt het verhaal van deze muzikale grensbewoner.
 
1 Gedreven door muziek. Hij was tekstschrijver zowel als zanger, gitarist zowel als arrangeur en componist, een humorist, een filmster, zelfs een klein beetje een filosoof: Roger Miller. In 1965 — hij was toen 29 jaar oud — werd de man een muzikale sensatie met zijn klassieker "King Of The Road" die door de Amerikaanse jukebox-industrie werd gekozen tot de jukebox-song van 1965. In de hoogtijdagen van de beatmuziek ging geen dag voorbij of je hoorde het nummer op de zeezenders — Radio Veronica, Radio Caroline, Radio Luxembourg, Radio London — en op de BBC, de AFN of waar dan ook. De autobiografische tekst van de song gaf aan dat Miller niet bepaald een gemakkelijk leven achter de rug had, maar ook dat hij zich daar doorheen had geslagen met een relativerend gevoel van zelfspot en een kenmerkend soort humor:
Trailers for sale or rent
Rooms to let, fifty cents
No phone, no pool, no pets
I ain't got no cigarettes
Ah but, two hours of pushin' broom
Buys an eight by twelve four-bit room
I'm a man of means by no means
King of the road
  Miller was bepaald geen popartiest, maar een typische "crossover"-artiest. Als zanger en componist sloeg hij een brug tussen de country-muziek — zijn eigen stijl — en de popmuziek en zodoende zowel het country- als het poppubliek bereikte. Op dat vlak was hij zeker niet de enige, maar hij deed het wel op zijn geheel eigen wijze en bovendien met veel succes. In de United States haalde hij tussen 1964 en 1979 maar liefst zevenendertig hits op de country-and-western-lijsten (zie: tabel 1). Niet minder dan vijftien van die songs scoorden — alle in de vijf jaar tussen 1964 en 1968 — eveneens op de pop-charts (zie: tabel 2).
  Roger Miller aan het begin van zijn muzikale loopbaan

Aan het eind van de jaren veertig en het begin van de jaren vijftig positioneerde Nashville zich meer en meer als het centrum van de country-muziek, waar de muzikanten in opnamestudio's samen dromden. Echt goed ging het echter niet met het eertijds zo populaire muzikale genre (Jensen, 1988). Country-radiostations werden langzaam aan verdrongen door de top-40-stations, die de meest verkochte platen draaiden. En, vanaf het midden van de jaren vijftig was dat steeds vaker rock-'n-roll en steeds minder country-muziek. Nashville's antwoord daarop luidde "crossover". Men zocht naar songs en een sound, waarmee artiesten zowel op de country-and-western-charts als op de pop-lijsten konden scoren. Dat leidde uiteindelijk tot de bekende Nashville Sound, waar iemand als Chet Atkins een belangrijke bijdrage aan leverde. Aan dit geluid zijn bekende namen verbonden zoals Eddy Arnold, Johnny Horton, Hank Locklin, Jim Reeves en Marty Robbins — hoewel met name Horton en Robbins ook uitstekende rock-'n-roll- en rockabilly-opnamen hebben gemaakt.

  In 1957 — een jaar nadat Elvis Presley de rock-'n-roll definitief vorm gaf — verdraaide Jim Reeves op verzoek van Chet Atkins zijn stem en ging een octaaf lager zingen waardoor je dat gepolijste en gladde Nashville-geluid kreeg — denk aan "Four Walls" of "He'll Have To Go". Wel mooi, maar ook heel soft! Daarmee ontstond de Nashville Sound en die was behoorlijk populair in de jaren tussen 1957 en 1971. Men noemde het ook wel pop-country, een mengeling tussen country- en popmuziek. Daarnaast had je verder nog de Bakersfield Country, afkomstig uit Californië, met namen als Buck Owens, Merle Haggard, Dwight Yokam, Wynn Stewart, die ook de richting van de popmuziek opging. De Everly Brothers, de Byrds en zelfs de Beatles zijn er door beïnvloed; denk maar aan "Act Naturally", gezongen door Ringo Starr. Miller behoorde echter tot geen van beide "scholen" — hij nam zijn platen ook niet op in Nashville. Hij behield zijn eigen stijl en zijn muziek werd nooit zo commercieel als de rest. Miller hield in zijn songs duidelijk vast aan zijn country-roots en schiep op basis daarvan een volkomen eigen stijl die duidelijk afweek van de rest en toch succesvol was. Enkel in zijn beginperiode maakte hij wat puurder country-werk voor Starday met "fiddle" — de bekende country-viool — en steel-gitaar. Zijn ritmes zijn erg vlot en aanstekelijk. Zijn teksten zijn — net als de uitspraken, waarvoor hij bij zijn collega's bekend stond — ad rem en getuigen van een vreemd soort, onderkoelde en volkse humor. Je hoeft maar een keer een Miller-nummer te horen, en het blijft meteen in je hoofd hangen.
  Wie was Miller? In ieder geval meer dan een jongen die enig succes had met een paar liedjes. In dit essay beschrijven we zijn leven, met het accent op zijn muzikale productie, en we beginnen bij het prille begin. Miller werd geboren op Forth Worth, Texas, USA op 2 januari 1936. Zijn kinderjaren waren niet bepaald, wat men zou kunnen noemen, gelukkig: al heel jong verloor hij zijn ouders. Hij werd dan ook grootgebracht op de boerderij van zijn oom in Erick, Oklahoma. Toen hij daarvoor oud genoeg was, ging hij naar school, ook al moest hij hiervoor in zijn eentje een weg van drie mijl afleggen. De eenzaamheid tijdens het lopen bestreed hij met het bedenken van teksten op melodietjes die hem onderweg te binnen schoten. Hij kreeg er plezier in en zette — naar verluidt — al op vijfjarige leeftijd zijn eerste teksten op papier. De eerste regels die hij toen schreef, ging over zijn moeder: "There's a picture on a wall / It's the fairest of them all / My mother." Miller zou vanaf die tijd songteksten blijven schrijven, zij het met doorgaans minder sentimentele teksten. In zijn teksten overheerst, zij wel altijd met een stevige portie relativerende humor, een thema dat psychologen mannelijke bindingsangst en romantici vrijheidsdrang noemen. Het ligt voor de hand dat het vroege verlies van zijn ouders daar stevig toe heeft bijgedragen.
  Toen Miller wat ouder werd, nam hij het besluit om te breken met de familietraditie van het boerenbestaan en een kans te wagen in de wereld van de showbusiness. Zijn eerste gitaar kocht hij met het geld dat hij verdiende met katoenplukken en met allerhande klusjes voor de Erick High School. De jonge Miller oefende en oefende op zijn gitaar en had al gauw het gitaarspel uitstekend onder de knie. Maar hij was niet tevreden. Hij ging opnieuw sparen tot hij genoeg geld had vergaard om een viool te kopen. Al zeer jong was hij dan ook zowel de gitaar als de viool meester. Omstreeks 1951, toen hij bijna vijftien jaar oud was, raakte hij erg onder de indruk van enkele nummers van de legendarische Hank Williams Sr. die hij op een feestavond waar hij ook zelf moest optreden, te horen kreeg. Hij begon Williams zelfs te imiteren met nummers zoals: "Jambalaya", "Hey Good Looking" en "Your Cheating Heart". Maar, al waren daarmee de eerste stappen gezet, hij was op dat moment zeker nog ver verwijderd van de populariteit die hij in het midden van de jaren in de wereld van de country- en de popmuziek zou verwerven.
2 In 1965 krijgt Roger Miller tijdens de Jimmy Dean Show van Frances Preston, de vice-president van BMI, de Billboard's Award uitgereikt voor "King Of The Road"

Een valse start. Midden jaren vijftig moest Miller in militaire dienst. Hij kwam bij de U.S. Army terecht, waar hij in zijn vrije tijd de manschappen van het Amerikaanse leger met zijn gitaar volop vermaakte. Hij vocht ook in de Koreaanse Oorlog, maar de sergeanten van het Amerikaanse leger bleken niet zo gecharmeerd van zijn muzikale interesses. Met één belangrijke uitzondering: een sergeant die ook nog eens de broer bleek te zijn van Jethro Burns — een van de leden van het destijds populaire duo Homer en Jethro, vermaard om hun humoristische parodieën op bekende country- en pop-hits zoals "That Hound Dog In The Window", een parodie zowel op Patti Page's "(How Much) Is That Doggy In The Window" en Presley's "Hound Dog". Later, toen Miller eenmaal een bekende naam was geworden, vervaardigde het duo, gevormd door Henry "Homer" Haynes and Kenneth "Jethro" Burns, overigens zelfs nog "The Ballad Of Roger Miller".

  De broer van Jethro Burns nam Miller mee naar de RCA-studio's. Omdat het duo Homer en Jethro in die tijd voor platenmaatschappij RCA Victor opnam, lukte het vrij gemakkelijk om daar met Chet Atkins in contact te komen. De ontmoeting had voor Miller echter geen goede afloop. Hij kwam zonder gitaar op de auditie, begon in een verkeerde toonhoogte te zingen, en toen Atkins met zijn dure Gretch-gitaar kwam aanzetten, speelde hij ook nog eens de verkeerde akkoorden. Atkins deelde Miller daarop mee, dat hij "eerst maar een beetje beter te voorschijn moest komen," en stuurde hem weg. Omdat hij van de muziek niet kon leven, nam Miller vervolgens een baantje bij de stadsbrandweer van Amarillo, Texas. Drie maanden na zijn indiensttreding werd hij echter alweer ontslagen, omdat men vond dat hij er met zijn hoofd niet bij was. Hij liep teveel te denken aan een carrière in de show-business dacht. Dat klopte ook wel en Miller besloot iets te zoeken dat dichter aanleunde tegen de wereld van de show-business. Hij vond en kreeg een baan als lift-bediende in een Nashville-hotel, waar hij al snel bekendheid verwierf als de "Singing Bellhop", de zingende liftbediende. Deze baan betekende voor Miller — bij toeval — de springplank naar de mooie showbusiness-carrière, waar hij al zo lang van droomde.
  In het hotel waar Miller als liftboy werkte, was de bekende country-and-western-zanger Ray "The Cherokee Cowboy" Price een regelmatige gast. Deze zanger was in de jaren vijftig ontzettend populair en scoorde de ene hit na de andere met nummers als "Release Me" en "Crazy Arms". Op een goed moment hield Miller hem aan, vertelde dat niet alleen zong, maar ook songs schreef en liet hem een demootje horen van zijn compositie "Invitation To The Blues". Ook vroeg hij meteen of Price misschien een baantje voor hem had. Het zat hem mee. Price zei, dat Miller wel lid kon worden van zijn band, de Cherokee Cowboys. Hij kon dan de tweede stem meezingen met zijn eigen compositie en fiddle en gitaar spelen. Zo ging Miller dus met Ray Price en zijn Cherokee Cowboys de studio in, waar ze voor het Columbia-label Miller's compositie "Invitation To The Blues" opnamen. Met enig succes. De plaat haalde in 1958 een zestiende plaats op de country-and-western-charts en bereikte daarnaast ook de Amerikaanse pop-charts, de Billboard Top-Honderd, waar "Invitation To The Blues" de 92e plaats op de top-honderd bereikte.
  I don't know why you cause me such pain
I just hope I'll never go through this much again
Lonely me, I don't know what to do
Received your invitation to the blues
  Met dit liedje laat Miller zien dat hij zich van meet af aan weinig laat liggen aan de verschillen tussen populaire genres. "Invitation To The Blues" is precies wat de titel aangeeft: een uitnodiging aan de country-and-western om het typische blues-gevoel te vertolken. Kenmerkend voor het country-gevoel is een nostalgisch verlangen naar het rustige leven in een kleine gemeenschap dat zowel op het verleden als op de toekomst wordt geprojecteerd, maar in het heden verloren is. Bij de blues is het tijdsperspectief doorgaans kleiner. Daar gaat het in de teksten doorgaans om het hier en nu, om vandaag, gisteren en morgen. Maar net als in de country-and-western gaat het om het gevoel dat er iets verloren is gegaan, dat moet worden hersteld. De blues is bovendien een stuk individualistischer. Meestal gaat het niet om de gemeenschap of een gezin, maar om het individu. In zijn "Invitation To The Blues" geeft Miller daar op een perfecte wijze uitdrukking aan.
  Dit eerste succesje betekende goede reclame voor Miller. Meer mensen kwamen langs met verzoeken om liedjes. Ook leidt het gebeuren tot vruchtbare contacten. Zo maakte hij omstreeks die tijd kennis met de voormalige deejay en songwriter-zanger Bill Anderson. Anderson had eerder al het nummer "City Lights" geschreven, waarmee Price — ook in 1958 en nog voor de opname van "Invitation To The Blues" — een nummer-één-hit behaalde op de country-lijsten en op positie 71 terechtkwam op de pop-lijsten van Billboard. Miller en Anderson waren het er over eens dat ze sterk genoeg waren in het schrijven van zo wel goede country- als popsongs en men besloot dan ook de krachten als songwriters te bundelen. Uit die samenwerking zouden grote successen voortkomen, zoals het nummer "When Two Worlds Collide". Maar daarover straks meer. In 1959 had Price nog een nummer twee country-and-western-hit "Heartaches By The Number" en ook op deze opname werd de tweede stem gezongen door Miller.
3 Roger Miller in de jaren vijftig

De allereerste plaatopnamen. Eind 1958 kreeg Miller het steeds drukker. Hij ging ook als "fiddler" spelen in de band van George Jones en schreef ook een paar hits voor hem: "Tall Tall Trees", "Hearts In My Dreams" en "Nothing Can Stop Me". Verder ging hij ook nog fiddle spelen bij Minnie Pearl. Op een dag kreeg hij een vraag van de baas van Starday Records, Don Pierce, of hij "soms zin had om wat demo's te maken die op verschillende elpees zouden verschijnen." Miller reageerde daar positief op. De eerste song die hij voor Starday opnam was het nummer "Wrong Kind Of Girl". In verschillende interviews toonde Miller zich achteraf behoorlijk geërgerd over die oude Starday-opnamen, vooral omdat hij er in die tijd maar 35 dollar voor beurde — en dat terwijl die songs later op een reeks van labels steeds opnieuw uitgegeven zouden worden. Daarover zei Miller tijdens een interview voor het blad Country Music People van december 1973 in een terugblik het volgende:

  Interviewer: "Can you remember the first record you cut?"
  Miller: "Yes, it was called "Wrong Kind Of Girl" on Starday. I recorded a couple of things for them, and then I went in and recorded one of those eighteen top hits albums, and they have released it, and re-released it about ten times. I got thirty-five dollars for doing it. After Starday, I went then RCA and then Mercury and now CBS."
  De eerste uitgave van het Starday-materiaal is een elpee, getiteld The Country Side of Roger Miller (Starday SLP 318), die in 1964 verschijnt nadat Miller in bredere kring bekend is geworden. Dat album bevat niets anders dan de demo's die Miller eind 1958 en in de loop van 1959 opnam. We noemden al eerder de compositie "Tip Of My Fingers" van Bill Anderson die onder meer in 1964 werd opgenomen door P.J. Proby en waarmee Eddy Arnold in 1966 een hit scoorde. Op de plaat vinden we ook een cover van de eerste hit van Buck Owens, "Under Your Spell Again", uit 1959, en een cover van een oude hit van Web Pierce, "I Ain't Never". Op het album zingt Miller ook rock-'n-roll met een cover van de oude rockabilly-hit "Who Shot Sam" van George Jones uit datzelfde jaar 1959, compleet met een rammelende rock-'n-roll-piano. Bovendien waagt hij zich aan oude traditionals zoals het aloude succes van Carter Family uit de jaren dertig, "Jimmy Brown The Newsboy". Daarnaast zit in de verzameling een cover van een hit van Faron Young, geschreven door Roy Drusky uit 1959: "Country Girl". Gelukkig laat Miller op dit album ook wat van zijn eigen composities horen. Met een nogal onzekere stem, maar geheel in country-stijl — met felle steel-gitaar en fiddles — zingt hij: "Poor Little John", "Pillow", "Can't Stop Loving You", "Playboy" en "You're Forgetting Me". Deze elpee is echt een puur country-album en persoonlijk vind ik het nummer "You're Forgetting Me" getuigen van grote klasse, met die messcherpe fiddle, die loeiende steel-gitaar en dat hele aparte stemgeluid van Miller.
  De Starday-opnames duiken later ook op andere plaatsen op. Wanneer Miller in 1965 een wereldhit heeft met "King Of The Road", komt het CBS-label bijvoorbeeld op single met twee oude Starday-opnamen aanzetten: "You're Forgetting Me" / "Can't Stop Loving You" (CBS 1.945). Deze single heb ik nog steeds in mijn verzameling zitten. Ook op de Nederlandse radio viel het plaatje destijds te horen. Toen de single uitkwam hebben Joost den Draayer, Harry Knipschild en Gerard de Vries hem namelijk nog eens gedraaid op Radio Veronica. "Dit is een nieuwe single van Roger Miller ... uit de oertijd. Wat een primitieve muziek. Wat een verschil met zijn tegenwoordige hits zoals "King Of The Road"," zo zeiden de heren van Radio Veronica. De plaat werd in 1965 door Harry Knipschild zelfs nog genoemd in de country-and-western- en folk-rubriek van het blad "Teenbeat".
  Dat er enig verschil was in het geluid van de vroege en de latere Miller was overigens wel duidelijk. Zijn stemgeluid had zich in de tussentijd duidelijk ontwikkeld. In zijn latere nummers horen we zowel invloeden van de country-, de pop-, de easy-listening-, de rock-'n-roll als de vaudeville. Critici beschrijven zijn stem als een grote kracht in het pop- en folksong-genre. Miller interesseerde het zelf nooit als hij er door sommige critici van werd beschuldigd dat hij geen country-zanger zou zijn. Zijn antwoord luidde steevast:
  Interviewer: "How do you feel when someone says you aren't country?"
  Miller: "I don't care. I just want to write music and have it entertain people. I never aim in one direction and I don't worry about the direction. I just went out to entertain. I never cry I am country or I ain't country. I'm just what I am and that's [lachend] legendary ..."
4 Roger Miller, circa 1965

Songs voor Jim Reeves en Willie Nelson. Aan het eind van 1958 krijgt Miller het bericht, dat een van zijn nummers is opgenomen door Jim Reeves en met succes. Reeves haalt er een eerste plaats mee op de Amerikaanse country-and-western-charts en een nummer-95-positie op de pop-charts, de Billboard top-honderd. Het is het nummer "Billy Bayou", een nogal vrolijk swingend werkje met lekker gitaarwerk en een up-tempo ritme. Met de term "bayou", werden in Louisiana in die tijd de afstammelingen van de golf van Franse immigranten aangeduid — een bevolkingsgroep die ook een eigen muzikale stijl had, de cajun-muziek. Iets daarvan valt ook in het nummer "Billy Bayou" te horen. Niet alleen in dat nummer overigens. Ook in de tekst van het bekende "Jambalaya" van Hank Williams Sr bijvoorbeeld valt het woord "the Bayou" en is de invloed van de cajun-muziek merkbaar. Tijdens een interview, in 1967 verschenen op de elpee Yours Sincerely en drie maanden voor zijn dood opgenomen, draait Reeves "Billy Bayou" en vertelt daar het verhaal bij over een jonge man uit Louisiana, en zegt dat ze de mensen daar "cajun people" noemden en dat ze het tempo van het nummer daar leuk vinden. Dat klopt wel gedeeltelijk met het nummer, zij het dat Miller niet uit Louisiana afkomstig was maar uit dezelfde staat als Reeves zelf: Texas.

  In "Billy Bayou" gebruikt Miller de achtergrond van de "bayou" om op lichtvoetige wijze uitdrukking te geven aan zijn bindingsangst:

And one day in eighteen seventy-eight
A pretty girl walked through Bill's front gate
He didn't know whether to stand there or run
He wound up married 'cause he did neither one

Billy, Billy Bayou, watch where you go
You're walking on quicksand, walk slow
Billy, Billy Bayou, watch what you say
A pretty girl'll get you one of these days
  "Walking on quicksand," dat klinkt dreigend, en hoe het met Billy is afgelopen weten we niet. Miller zelf heeft intussen echter stevige grond onder de voeten. Na de hits van Ray Price en Jim Reeves laat ook Chet Atkins weer van zich horen. Miller krijgt van hem een telefoontje met de vraag om begin 1960 opnamen te komen maken in de RCA-studio's in Nashville. En Reeves laat hem in 1959 weten dat hij graag meer mooie nummers heeft voor zijn nieuwe elpee He'll Have To Go.
  Miller stapt in 1960 uit de Cherokee Cowboys van Ray Price en wordt opgevolgd door Willie Nelson. Miller raakt goed bevriend met Nelson en schrijft speciaal voor hem, in zijn RCA-tijd, het nummer "Sorry Willie", dat te vinden is op zijn RCA-Camden-elpee Tunes that Launched the Roger Miller Career (RCA Camden CAS-851) die pas in 1964 werd uitgebracht toen Miller net bekend was geworden met zijn gouden plaat "Dang Me". Nelson zelf krijgt overigens onder meer in 1961 en 1962 erkenning als songwriter met zijn hits voor onder meer Patsy Cline, "Crazy", en voor Jimmy Elledge, "Funny How Time Slips Away". Het laatste nummer werd in 1963 ook door Johnny Tillotson op de plaat gezet. Later horen we meer van Nelson, zoals in 1964 toen hij voor Roy Orbison de hit "Pretty Paper" componeerde.
  In 1962 haalde Nelson zijn eerste country-and-western-hits met onder meer "Touch Me" voor Liberty. In die dagen liep de man overigens nog rond in een keurig pak met flinke kuif. Pas in de jaren zeventig, toen hij zich van de Nashville Sound afkeerde, ging hij zijn haar lang dragen, samengebonden in de bekende paardenstaart en kreeg hij het imago van "outlaw." Samen met Waylon Jennings krijgt Nelson internationale erkenning, én als zanger én als schrijver van hits voor andere artiesten zoals Elvis Presley, Perry Como, Brenda Lee, Frank Sinatra en Stevie Wonder. Nelson is in dit bestek van belang, omdat het gerucht ging dat hij ook met Miller samen nummers zou hebben geschreven, die evenwel nooit zouden zijn uitgebracht. Waarschijnlijk is dat niet het geval. Feit is wel dat Nelson met Miller nog in 1982 voor het CBS-label de elpee Old Friends zou maken, waarop ook hun oude baas Ray Price te beluisteren valt. Het zou, in de jaren tachtig, een van de laatste hits van Miller worden.
5 Bladmuziek van "You Don't Want My Love"

Onder contract bij RCA. Had Miller rond 1958 na zijn mislukte poging om bij RCA platen te maken de moed opgegeven om daar nog een keer naar toe te gaan? Waarschijnlijk wel, maar toch komt hij er in 1960 terecht. Na het bemoedigende telefoontje van Chet Atkins over zijn nummer één country hit voor Jim Reeves "Billy Bayou", gaf Atkins hem de complimenten voor zijn manier van liedjes schrijven en zei: "Jim Reeves zoekt nog een paar nummers voor zijn nieuwe album "He'll Have To Go"." En, hij bood Miller zelf ook meteen een platencontract bij RCA aan. Miller accepteerde de uitnodiging. Eerder hadden zangers zoals Slim Whitman en Roy Orbison al pogingen ondernomen om via RCA hits te scoren, echter zonder veel resultaat. Miller deed het beter. In zijn RCA-periode nam hij maar liefst zo'n twintig nummers op waarvan er drie de country-and-western-charts bereikten: "You Don't Want My Love", "When Two Worlds Collide" en "Lock Stock And Teardrops".

  Tegen november 1960 haalt Miller voor het eerste de country-and-western-lijsten met zijn zelfgeschreven "You Don't Want My Love" dat het tot een vijftiende plaats brengt. In Europa kent niemand hem dan nog, maar toch wordt zijn plaatje, met op de B-kant het nummer "Footprints In The Snow", een paar keer op Radio Luxembourg gedraaid. Er waren toen, zo rond 1960, zelfs al enkele Nederlanders die Miller een keer in Nashville hebben ontmoet. Dat kunnen we tenminste opmaken uit een verhaal van Harry Knipschild — bekend van zijn radio-programma op Radio Veronica uit 1966 "Rock, Beat and R&B Hop", dat hij destijds samen met Joost den Draayer verzorgde, en schrijver van diverse artikelen in onder meer "Tuney Tunes", "Hillbilly Hayride" en "Teenbeat", waarvan Joost den Draayer mede-eigenaar was. In de "Teenbeat" van juli 1965 schreef Knipschild over Miller:
  "Toen Albert Meerholz van de Dutch Stickbuddy Club zo'n dikke vijf jaar geleden [1960] als vertegenwoordiger van het Nederlandse country-and-western-legioen radio WSM, de "Grand Ole Opry" en Nashville, het centrum van alles wat met Country & Western te maken heeft, bezocht, sprak hij ook even met Miller — toen eigenlijk nog volslagen onbekend voor hem. Hij had toen nog niets bereikt op grammofoonplatengebied en slechts enkele artiesten — zij het wel bekende figuren zoals Jim Reeves en Ernest Tubb — hadden een of meer Miller-songs op hun repertoire staan. Toch zou hij datzelfde jaar nog triomfen vieren met het al net eerder genoemde "You Don't Want My Love"."
  In Nederland was Miller kortom nog vrijwel onbekend. In Nashville kreeg men echter steeds meer belangstelling voor deze laconieke jongeman uit Forth Worth en de volgende single die hij samen met Bill Anderson schreef, het mooie "When Two Worlds Collide". De single met op de achterzijde "Every Which A-Way", haalde tegen juli 1961 zelfs een zesde plaats op de country-and-western-charts. Het nummer werd bovendien een echte klassieker, want na Miller hebben tientallen artiesten het op hun repertoire gezet — om er een paar te noemen: Jim Reeves, Rusty Draper, Dottie West en Jean Shepard. In 1969 werd het zelfs nog een postume Engelse top-twintig pop-hit voor Jim Reeves. "Killer" Jerry Lee Lewis maakte er zelfs in 1980 nog een hit van en bracht daarnaast een gelijknamige elpee uit onder de titel When Two Worlds Collide (Elektra 52213).
6 Miller's "King Of The Road" staat in Noorwegen op een eerste plaats volgens de Billboard van 3 juli 1965

Meer successen. Op het jaar 1961 kon Miller uiterst tevreden terugkijken. Een plaats op de top-tien-lijsten van de country-and-western betekende immers nog altijd een verkoop van honderdduizend singles. En Miller had dat jaar bovendien nog een aantal indirecte successen. Tegen het einde van 1960 neemt de Amerikaanse zanger Andy Williams, bekend van zijn vele tv-shows, het nummer "You Don't Want My Love" op, dat tot februari 1961 zo'n acht weken op de Amerikaanse Billboard-top-honderd zou staan. Het was een eerste erkenning van Miller als songwriter voor het grote publiek. De versie van Andy Williams haalde uiteindelijk de 64e plaats op de Amerikaanse top-honderd. Maar, er is meer. Ongeveer tegelijkertijd, zo rond eind 1960, neemt Jerry Lee Lewis voor het Sun-label de Miller-song "Home" op. Ook Jim Reeves vertolkt "Home" in 1961 — een opname die onder meer te vinden is op het gouden album He'll Have To Go (RCA Victor RD-27176) dat in 1962 verschijnt en aan het eind van de jaren zestig in Nederland voor fl. 7,90 als promotie-elpee in de handel komt (RCA Camden C-S 10194) en dan ook hier een gouden album wordt.

  Op het album He'll Have To Go staat overigens ook het al eerder genoemde "Billy Bayou", "Home", en ook het nummer dat Reeves samen met Miller schreef "If Heartache Is Just The Fashion" — een song die door Miller zelf nooit op de plaat is gezet. Het schijnt dat Reeves rond deze tijd Miller op zijn kantoor in Madison ontboden heeft en dat het betreffende nummer, "If Heartache Is Just The Fashion", nog niet helemaal af was. Het verhaal wil, dat Reeves toen ter plekke de rest van de tekst en melodie heeft aangevuld. Van de Miller-compositie "Billy Bayou" bestaan overigens een paar honderd cover-versies. Enkele meer bekende zijn te vinden op de albums van Kitty Wells en Del Reeves: Kitty Wells Sings Songs Famous by Jim Reeves (Stetson Hat 3009) en Del Reeves Sings Jim Reeves (United Artists 3468). In het nummer "Home" geeft Miller overigens uitdrukking aan de andere kant van zijn zwerversdrang, het typische country-gevoel van heimwee naar huis, "going back home":
  I've been a traveller the most of my life
I never took a home, I never took a wife
Ran away young and decided to roam
But now I'd like to see my mama and my papa back home
  Naast "Home" stonden op het album He'll Have To Go van Jim Reeves nog eens twee Miller-composities, en bovendien nog eens "If Heartache Is Just The Fashion" dat Miller, zoals gezegd, samen met Reeves schreef. We kunnen wel stellen dat Reeves de beste promotor was van de composities van Miller. Hij bezorgde deze jonge talentvolle zanger-componist een hoop publiciteit. Reeves nam al met al maar liefst vijf Miller-composities op, waarvan er eentje — opgenomen in zijn RCA-tijd — pas in 1967 drie jaar na zijn dood werd uitgebracht op de elpee Blue Side Of Lonesome (RCA Victor LSP 3993). We hebben het dan over het nummer "I Catch Myself Crying", een nummer dat door Reeves zelf werd afgekeurd en dat in de tussentijd opgeborgen bleef in de kluizen van RCA.
  In 1961 scoorde daarnaast de uitstekende country-and-western-zanger Claude Gray een hit met het door Miller geschreven "My Ears Should Burn". Evenals Miller en Jim Reeves kwam ook Gray uit Texas. Hij was bovendien, net als Miller, een voormalige Korea-strijder. Met Miller's compositie behaalde Gray in 1961 een derde plaats op de country-and-western-charts. Het was de derde hit van Gray, die zijn eerste hit in 1960 scoorde met een compositie van Willie Nelson, "The Family Bible". Miller zelf nam "My Ears Should Burn" pas in de beginjaren zeventig op. Het verscheen op zijn Mercury-elpee A Trip in the Country (Mercury SR 61297).
  Uit de RCA-sessies van de jaren 1960-1963 stamt ook Miller's derde en laatste RCA-hit uit 1963, "Lock, Stock And Teardrops" met daarop de "talking steel-guitar" van Pete Drake en een opmerkelijke song: "It Happened Just That Way" — een song met een herhaald "yeah yeah", waarover later meer. Laat ik eerst iets meer vertellen over Pete Drake, door wie Miller zich tijdens zijn RCA-sessies op de steel-gitaar liet begeleiden. Drake was een nogal opvallende steel-gitarist die de bijnaam droeg van "Pete Drake And His Talking Steel-Guitar". Deze man was zijn tijd ver vooruit met allerlei technische snufjes. Zo had hij een apparaatje op zijn steel-gitaar ingebouwd, waarmee het instrument klonk als een soort metaal-achtige stem die antwoord gaf aan de refreinen van de opgenomen nummers in de instrumentale break tussen de zang-nummers. Dit effect kan men dus onder meer horen op "Lock, Stock And Teardrops", dat overigens slechts een positie bereikte als nummer 26 op de country-and-western-charts. Pete Drake leren we later kennen van zijn vele sessies als steel-gitarist met tientallen bekende artiesten zoals onder meer Elvis Presley en, niet te vergeten, Ringo Starr op diens country-album Beaucoups of Blues en de gelijknamige hitsingle uit 1970. Zelf zou Drake, net als Miller, in 1964 terecht komen op het Smash-label en zelfs een Amerikaanse top-honderd-hit scoren met het nummer "Forever" — op nummer 25.
  We noemden al eerder de RCA-Camden-elpee van Miller, Tunes that Launched the Roger Miller Career, uit 1964. Dit album bevatte, zoals gezegd de drie hits van Miller bij het RCA-label haalde: "You Don't Want My Love", "When Two Worlds Collide" en "Lock, Stock And Teardrops". Dit album met RCA-opnames leverde achteraf wel meer successen op. Het nummer "Hitchhiker" van deze sessies werd bijvoorbeeld rond 1966 veel gedraaid op de zeezender Radio Caroline — door deejay Don Allen — en op Radio Luxembourg. Op het album vinden we ook de eerste proefversie van het nummer "Fair Swiss Maiden", dat in 1962 een grote pop-hit zou worden voor Del Shannon. Sommige songs kwamen bovendien later via het Smash-label, waarvoor Miller in 1964 opnames gaat maken, boven water. Voor Smash, neemt hij bijvoorbeeld "You Don't Want My Love" opnieuw op, zij het met een andere titel. Het nummer heet dan plotseling "In The Summertime". En, ook "Fair Swiss Maiden" wordt in 1965 door Miller opnieuw opgenomen voor het Smash-label.
7 Smash maakt reclame voor Roger Miller in Billboard (1965)

Yeah, yeah ... Het overige RCA-materiaal van Miller komt pas eind 1966 uit op een tweede RCA-elpee The One and Only Roger Miller (RCA Camden CAS-903 stereo). Ook op deze elpee staan veel nummers die Miller later opnieuw zal opnemen voor Smash en, nog later, in 1970 zelfs voor Mercury, waaronder "I Know Who It Is (And I'm Gonna Tell On Him)" en het al eerder genoemde en door Jim Reeves afgekeurde "I Catch Myself Crying". Opvallend is verder het nummer "It Happened Just That Way" dat door Miller in 1965 ook opnieuw zal worden opgenomen voor Smash Records als B-kant van zijn hit-single "One Dying And A Buryin".

Het opvallende aan "It Happened Just That Way" is, dat het een "yeah yeah"-geluid bevat. Doorgaans gelden de Beatles als degenen die de "yeah yeah sound" introduceerden, zij het dat sommige popcritici de voorrang geven aan de Britse nummer-één-hit van de Everly Brothers, "Temptation", uit 1961, terwijl andere wijzen op het nummer "Chains" van Goffin en King in de uitvoering van meidengroep de Cookees uit 1962. Bij Miller valt rond dezelfde tijd iets soortgelijks te horen. In "It Happened Just That Way" zingt hij: "Ah yeah, ah yeah". Wel opvallend. Aangezien Ringo Starr altijd groot country-and-western-liefhebber is geweest — onder zijn voorkeuren vallen onder meer Buck Owens, Hank Snow en ... Roger Miller — vraag ik me af of de heren Beatles soms bij de laatste hun inspiratie voor het "yeah yeah"-geluid hebben geput. En misschien geldt dat ook wel voor de Everly Brothers ... De Everly Brothers hebben namelijk ook twee Miller-composities opgenomen. Eentje in 1972, op de fraaie elpee Pass the Chicken and Listen (RCA Victor LSP-4781 Stereo) — ook geproduceerd door Chet Atkins: "Husbands And Wives". Hetzelfde nummer werd overigens ook door Ringo Starr opgenomen op een van zijn elpees.

  Naast "Husbands And Wives" namen de Everly Brothers namen in de jaren zestig ook Miller's song "Burma Shave" op, die eveneens te vinden is op diens album The One and Only Roger Miller. De versie van de Everly's werd echter door platenmaatschappij Warner Brothers afgekeurd en in de kluizen gestopt om pas in 1977 te voorschijn te komen op het album The New Album (Warner Brothers WB 56415). "Burma Shave" lijkt op het eerste gezicht een doodgewoon reclame-spotje voor een of ander merk after-shave, maar is als song wel iets bijzonders:
  Way down yonder by the forks of the branch
The old sow whistled and the little pigs danced
Burma Shave Burma Burma Burma Shave
  Deze pastische op de radio-reclame is typische Miller-humor. Hij schreeuwt de tekstregel ook min of meer uit: "Burma Shave ..." De humor wordt ook vastgehouden op de hoes van de elpee The One and Only Roger Miller, die vermeldt: "Burma-Shave Reg. Pat. Of. by Burma-Vito Company Minneapolis, Minnesota, (for shaving products).
  De RCA-Camden-elpees bevatten ook allemaal leuke koortjes met een nogal vrolijk ritme in de meeste nummers. In het blad Nashville Sound van juni 1967 werd deze elpee nog besproken. Nashville Sound was indertijd tussen 1963 en 1969 het blad van de Nederlandse Jim Reeves Fanclub en die gaf in die tijd ook veel informatie over country-and western en popmuziek. Over het album vinden we in het blad de volgende regels:
  "Over het algemeen kunnen we zeggen een hele fijne plaat met een heerlijke rustige muziek die iets meer op pop-muziek lijkt dan op country-and-western. Zeker voor leden van onze club die meer naar de pop-side van Jim Reeves overhellen is dit een plaat die ze zeker eens moeten gaan beluisteren — The One And Only Roger Miller (RCA Camden CAS 903, fl. 10,00)."
  Over "Burma Shave" schrijft men verder:
  "Het is namelijk een reclame-song. U weet wel zo'n reclame-spot zoals we hier ze vaak genoeg voor Radio Veronica en dergelijke horen maar dan tot een leuk liedje uitgewerkt."
  In 1962 volgt voor Miller de grote doorbraak als songwriter, wanneer Del Shannon zijn song "The Swiss Maid" opneemt. Het resultaat is in Amerika goed voor een 64e plaats op de top-honderd, maar in Engeland haalt het nummer een tweede plaats op de Engelse hitlijsten. Het nummer blijft er maar liefst zeventien weken op staan. Ook in Nederland doet de plaat het goed, al heeft bijna niemand hier dan nog van Miller gehoord. Een jaar later wordt "The Swiss Maid" zelfs opgenomen door de Londense beatgroep Brian Poole en de Tremeloes. Het verschijnt op hun allermooiste elpee, Big Big Hits of '62 — The 22 Top Tunes of 1962 (Ace Of Clubs Mono ACL 1146). Daarmee bereikt Miller nu zelfs de Merseybeat-scene. Twee jaar later zullen de Swinging Blue Jeans uit Liverpool overigens ook twee hits van Miller opnemen — we komen daar nog op terug. "The Swiss Maid" wordt daarnaast in 1968 nog eens gecoverd door Frank Ifield en in 1974 zelfs door André van Duin onder de titel "Angelique" dat hier ook een flinke hit is geweest.
8 Een eerste plaats voor Roger Miller op de Fab 40 van Radio London van 25 april 1965 (klik op de afbeelding voor een groter overzicht)

Drummer uit economische noodzaak. Je zou denken dat Miller omstreeks 1962 redelijk kan leven van de royalty's van zijn songs en live-optredens ... niets is minder waar. Was hij aan het begin van 1960 gestopt als drummer bij Faron Young om zich meer te wijden aan het schrijven van songs. Uit bittere noodzaak, simpel omdat hij anders niet genoeg te eten heeft, neemt hij begin 1961 weer het baantje aan als drummer in Young's band zodat hij hierdoor redelijke kan leven. Als Miller eind 1963 Nashville voorgoed zal verlaten stopt hij ook meteen als drummer bij Faron Young.

  Toch is 1962 wel een heel aardig jaar voor hem ... we schreven al eerder over het nummer "When Two Worlds Collide" dat Miller samen met zijn collega-zanger-songwriter Bill Anderson schreef en waar hij in 1960 een hit mee had. het is werkelijk een prachtige song, waarin Miller zijn onvermogen om zich aan iemand te binden vergelijkt met een botsing tussen twee planeten:
Your world was so different from mine don't you see
We just couldn't be close though we tried
We both reached for heavens but ours weren't the same
That's what happens when two worlds collide
  Het nummer verschijnt in 1962 op de zeer fraaie elpee The Country Side of Jim Reeves, een jarenlang zeer goed verkopende elpee. Deze elpee behoort tot een van de zeven albums die na de dood van Reeves in augustus, september 1964 binnen een week de Engelse elpee top-dertig binnenkwamen en uiteindelijk ook goud werden.
  In 1977 had ik het genoegen om Bill Anderson persoonlijk te ontmoeten na zijn optreden in de Stadsschouwburg te Tilburg en na het optreden vroeg ik hem over zijn ervaringen met Miller en zijn contacten met Reeves. Anderson gaf mij hierop het volgende antwoord:
  "Roger en ik schreven inderdaad samen het nummer "When Two Worlds Collide" ... We waren al een keer bij Jim Reeves op kantoor geweest en hij had ook wat andere liedjes van mij beluisterd die hij wel aardig vond, maar niet geschikt om op te nemen ... Toen Roger zijn opname van "When Two Worlds Collide" liet horen, zei Reeves: Kijk, deze soort stijl hou ik het liefste aan; heb je meer van dit soort nummers? ... Ik gaf hem een paar composities van mezelf: "I Missed Me", "Losing Your Love", en nog een nummer. Tot mijn grote verbazing koos Reeves die nummers. Hij nam ze later op en het werden ook hits. Roger stond sip toe te kijken, omdat Reeves van hem alleen "When Two Worlds Collide" wilde hebben. Maar hij had nog een nummer bij zich, "I Catch Myself Crying", dat Jim wel leuk vond. Hij heeft het ook opgenomen, maar het kwam pas een paar jaar na zijn dood uit. Ik kende Roger al sinds 1955, want hij heeft met mij nog een paar jaar op een klein radio-station in Texas gewerkt als deejay. Nadat hij uit Nashville was vertrokken, heb ik hem nog wel een paar keer ontmoet. Zo heb ik onder meer in 1970 nog een interview met hem gedaan voor het blad Country Soung Round-up. Ook hebben we nog samen opgetreden in een tv-show en in enkele radio-programma's. Roger had de pest aan Nashville gekregen, omdat hij vond dat hij er niets bereikt had."
  Chet Atkins kreeg Miller ook niet zover dat hij hem tot zijn stal van Nashville Sound artiesten mocht rekenen. De Nashville Sound was ontwikkeld door Chet Atkins in 1957. En de eerste waarmee Atkins dat uitprobeerde was Jim Reeves. Hij liet Reeves, die tussen 1953 en 1957 zeer pittige up-tempo hillbilly-nummers bracht, compleet met swingende honky-tonk-piano, steel-gitaar, stevige bassen, in het zeer zoete "Four Walls" een octaaf lager zingen. Daarmee ontstond het zoetere en softere geluid dat bij het grote publiek enorm aansloeg. De achterkant van "Four Walls" bevatte het stevigere "I Know And You Know" met de rammelende piano van Floyd Cramer en een stevig basgeluid. Zelf vond ik dat veel mooier, maar het grote publiek koos helaas voor de veel softere Nashville Sound. Wel moet worden geconstateerd dat daarmee een brug werd geslagen tussen de pop- en de country muziek.
  Reeves werd beschouwd als de eerste crossover-artiest, een kruising tussen pop-muziek en country-and-western. Later volgden tientallen artiesten in dit genre, zoals Hank Locklin, Bobby Bare, Dottie West en Waylon Jennings. De muziek van Miller kunnen we echter niet onder de Nashville Sound scharen. Hoewel ook hij op het snijvlak opereerde van pop en country, had hij een volkomen eigen stijl, die sterk afweek van de Nashville Sound. Zoals Anderson aangeeft, voelde Miller zich ook als songschrijver niet in die omgeving thuis. Toen hij eenmaal bredere populariteit verwierf, ging hij er ook weg. Hij vertrok naar Californië en nam onder meer in Hollywood platen op en die hadden met Nashville niets meer te maken — hoewel sommige muzikanten die op zijn platen meededen daar wel vandaan kwamen.
9 Solo elpee van Roger Miller's gitarist Thumbs Carlile. Op de hoes kijkt Roger Miller vanaf de achtergond goedkeurend toe

Weg uit Nashville. In december 1963 verlaat Miller Nashville voorgoed en ontdekt hij de man die zijn nieuwe gitarist zal worden: Thumbs Carlille, die mede verantwoordelijk is voor de typische hit-sound van de songs die Miller van 1964 tot 1969 uitbrengt. Hoe ging dat precies? Miller kreeg eind 1963 een aanbod, toen zijn contract met RCA afliep om bij Smash Records platen te kopen maken. De producer Jerry Kennedy onderkende Miller's talent en bood hem volledige vrijheid van handelen bij het opnemen van zijn platen voor Smash Records. Miller zocht daarop twee zeer goede gitaristen die de sound die hij in zijn hoofd had, konden waarmaken. Op de bas vond hij Buddy Emmons, die later als steel-gitarist faam zou verwerven met zijn werk voor onder meer de Everly Brothers. Miller wenste echter voorlopig geen steel-gitaar meer op zijn platen. Via contacten met de bekende gitarist Les Paul, ontdekte hij toen de toen 33-jarige solo-gitarist Thumbs Carlille. Ken Carlille zoals de man officieel heette, verwierf zijn bijnaam omdat hij met zijn duim diverse trucjes op zijn elektrische gitaar kon uithalen. Les Paul die de bijnaam had van "Rhubarb Red" was met Carlille aan het experimenteren met gitaargeluiden in de Les Paul studio's in Mawah, N.J. Daar Carlille's contract met Les Paul net afgelopen was, nam Miller hem mee als vaste begeleider en verhuisde naar Denver.

  Ken "Thumbs" Carlille speelde vanaf zijn veertiende jaar al in diverse bandjes en had onder meer gewerkt voor Little Jimmy Dickens. Hij werkte daarnaast, tussen 1955 en 1957, onder meer mee aan de bekende tv-show van Red Foley, "The Ozark Jubilee". Van 1960 tot 1962 speelde hij met fiddler Wade Ray in een band in "The Golden Nugget", een bekende goktent in Las Vegas. Het unieke was, dat de man zijn Fender Telecaster plat op zijn knie legde en als een steel-gitaar bespeelde. Dit gaf een volkomen eigen sound, die men op de vele Miller-hits van 1964 tot 1969 kan horen. Hij gebruikte een Twin Fender Reverb versterker om zijn sound beter tot zijn recht te laten komen. Als Miller eenmaal brede populariteit geniet, mag Thumbs Carlille in 1965 zelf een elpee voor Smash records opnemen — alles natuurlijk geheel instrumentaal. Die elpee heet dan Roger Miller presents Thumbs Carlille (Smash Records MGS 27074). Zelf heb ik in Amerika ooit nog een promotie-exemplaar van het album op de kop kunnen tikken. Op de hoes kijkt Miller op de achtergrond goedkeurend, hoe zijn gitarist zijn gitaar bespeelt. Er staat overigens slechts een Miller-compositie, te weten "Engine Engine #9", op dit album. De rest van het vinyl is gevuld met eigen werkjes van Thumbs Carlille — zoals "Candy Girl" , "Bach To Bach" en "Mister Funk" — en klassiekers als "Caravan" van zijn oude baas Les Paul en "Yesterday" van de Beatles. Alles in Thumbs' geheel eigen stijl, met invloeden uit zowel jazz en bossa nova als de country-and-western.
  Eind 1963 tekent Miller een contract met Smash Records voor zeker vijf jaar. Kort daarop neemt hij zijn eerste Smash-single op, het bekende "Dang Me" met op de achterkant het vrolijke "Got 2 Again". Dit knettergekke plaatje, voorzien van ritmische gitaarbegeleiding en een tekst boordevol woordklanken, werd volgens de publiciteitsbronnen binnen vijf minuten geschreven en in dezelfde korte tijd opgenomen. Jerry Kennedy, zijn producer, zorgt er vervolgens voor dat Miller wordt uitgenodigd in diverse bekende Amerikaanse tv-programma's zoals de Johnny Carson Show, de Tennessee Ernie Ford Show, de Jimmy Dean Show, en de Andy Williams Show. Die grote show-programma's zijn op dat moment tomeloos populair en heel Amerika amuseert zich kostelijk met de humoristische zanger, die begeleid door de grappig ogende, op zijn schoot spelende gitarist Thumbs Carlille, zijn vrolijke songs "Dang Me" en "Got 2 Again" ten gehore brengt. Het betekent voor Miller de grote doorbraak. "Dang Me" — een onschuldige verbastering van de krachtterm "damn me" — is het eerste van een drietal succesvolle songs, waarin klankverbastering een belangrijke rol speelt. Veel critici vonden het maar een simpele, novelty-song, maar er zit toch wel meer diepgang in dan veel mensen denken.
  In "Dang Me" beoefent Miller de kunst van de "understatement by overstatement". Hij overdrijft en relativeert daarmee tegelijkertijd wat hij te zeggen heeft. En weer gaat het om zijn onvermogen om zich te binden en verantwoordelijkheid op zich te nemen:
Just sittin' around drinkin' with the rest of the guys
Six rounds we bought, and I bought five
And I spent the groceries and half the rent
I lack fourteen dollars havin' twenty seven cents

Dang me, dang me
They oughta take a rope and hang me
High from the highest tree
Woman would you weep for me
  Het succes van "dang Me" bleef vooralsnog beperkt tot Noord-Amerika. In Europa konden de platenwinkels het nummer nog niet aan de straatstenen kwijt. De enigen die hier in Nederland vertrouwen hadden in "Dang Me", waren mensen als Joost den Draayer, Harry Knipschild en Gerard de Vries op Radio Veronica, alsmede de deejays van Radio Luxembourg. Op dat laatste station werd de plaat heel wat keren gedraaid, vooral in de Engelse uitzendingen. Op Radio Veronica viel het nummer omstreeks juli en augustus 1964 te beluisteren in het bekende programma "Joost Mag Het Weten", waarin Joost den Draayer de Amerikaanse top-tien presenteerde. Dat was overigens ook de eerste keer dat ik zelf iets van Miller hoorde en ik was meteen totaal onderste boven van zijn sound. Daarmee begon ook mijn interesse voor zijn muzikale productie en in bredere zin voor de country-and-western-muziek. "Dang Me", dat verscheen in de reeks Favorieten-Expres — was de eerste single die ik van Miller kocht. Het plaatje met de zo kenmerkende hoes van de Favorieten-reeks heb ik nog steeds in mijn bezit.
10 De eerste gouden plaat van Roger Miller "Dang Me" uit 1964 kwam in Nederland uit in de reeks "Favorieten Expres"

Drie gouden platen. Jerry Kennedy, de producer van Smash Records, was bepaald niet dom. Tegelijk met Miller nam hij ook een aantal oude Sun-rockers als Jerry Lee Lewis en Charlie Rich mee naar het Smash-label. Ook daarmee had hij veel succes mee. Miller bleef echter niet achter. Zijn "Dang me" haalde in 1964 de eerste plaats op de country-and-western-lijsten en bleef daar liefst vijfentwintig weken op staan. Op de Billboard-top-honderd bracht de plaat het tot een zevende plaats met een notering van elf weken. De single was daarmee goed voor een miljoen verkochte exemplaren. Tegen het eind van 1964 kreeg Miller daarom zijn eerste gouden plaat. Kennedy zat echter niet stil en lanceerde, toen "Dang me" aan het zakken was, als opvolger direct "Chug-A-Lug", ook weer zo'n knettergek wijsje dat Miller in een paar minuten had geschreven. Zowel qua stijl als inhoud volgt het nummer zijn voorganger, zij het dat de context is verplaatst naar het scholierenbestaan:

Grape wine in a mason jar
Home-made and brought to school
By a friend of mine and after class
Me and him and this other fool
Decided that we'll drink up what's left
Chug-a-lug, so we helped ourselves
First time for everything
Umm, my ears still ring

Chug-a-lug, chug-a-lug
Make you wanna holler: hi-de-ho!
Burns your tummy, don't ya know
Chug-a-lug, chug-a-lug
  In Amerika was de single "Chug-A-Lug", met de achterkant "Reincarnation", weer goed voor een derde plaats op de country-and-western-lijsten. Op de Billboard-top-honderd bereikte het een negende plaats met een notering van dertien weken, wat resulteerde in een tweede gouden Miller-plaat. In Nederland maakt de song vooralsnog weinig los. Hoewel Joost den Draayer dit soort platen op Radio Veronica blijft draaien, wordt het hier geen hit. En dat terwijl iedereen op straat het liedje meezingt, omdat het zo'n knettergek en vrolijk deuntje is ... In de Verenigde Staten is dat wel anders. Daar begint de Miller-rage nu echt los te barsten om in 1965 tot ongekende hoogte te stijgen.
  Vanzelfsprekend haast verschijnen er van "Dang Me" diverse cover-versies, onder meer van Buck Owens en de Buckaroos — te horen op de elpee I Don't Care (Capitol ST 2186) — en van Johnny Rivers op het prachtige live-album Rockin' with Johnny Rivers Live at the Whisky a Go Go" (Sunset SLS 50157). Een reeks andere artiesten neemt het nummer op hun elpees op. Hit-successen riepen in die tijd daarnaast vaak een reactie op in zogenaamde "answer-songs". Dat overkomt ook Miller's "Dang Me". In dit geval gaat het om Ruby Wright — de dochter van Kitty Wells en Johnny Wright die eerder al, in 1960, van zich liet horen met een ode aan de verongelukte Buddy Holly, de "Big Bopper" en Ritchie Valens onder de titel "Three Stars". Haar antwoord op Miller's "Dang Me" heet "Dern Ya" en is goed voor een dertiende plaats op de country-and-western-lijsten.
  Als vervolg op zijn twee succesvolle singles verschijnt in 1964 Miller's eerste elpee. Dit album, Roger Miller Featuring "Dang Me" and the New Hit "Chug-A-Lug" (Smash 6336638), is een waar meesterwerk. De eerste elpee van Miller bevat twaalf eigen composities waaronder de hits "Chug-A Lug" en "Dang Me" natuurlijk niet ontbreken. Ook de B-kant van "Dang Me": "Got 2 Again" staat op het album. De meest opvallende stijlkenmerken zijn de teksten, doorspekt met een al humor, het felle gitaarspel van Miller's gitarist Thumbs Carlille en Miller's wilde manier van zingen. Ik herinner me dat in 1966 Don "Daffy" Allen op Radio Caroline een country-and-western-programma verzorgde. Hij presteerde het om van het album zes weken achter elkaar het nummer "That's Why I Love Like You I Do" te draaien. Ik vond het geweldig. Weken liep ik naar de platenhandelaar om de plaat te bemachtigen, maar de goede man kon mij niet helpen, omdat ik niet wist dat het een elpee-track was. Pas in 1970 slaagde ik erin om deze elpee uit Amerika te importeren. Helemaal zonder zat ik in de tussentijd overigens niet. In een danstent in Den Bosch, genaamd "Le Perequit", hadden ze een jukebox met daarin een 33 cm mini-elpee met zes tracks van dit Dang Me-album. Die plaat heeft bij elkaar zeker wel vijf jaar in die jukebox gezeten en we hebben, als we daar op stap gingen, deze mini-elpee helemaal grijs gedraaid op die mooie Seeburg Jukebox. In Amerika na de twee gouden singles haalt deze elpee van Miller ook weer goud. Miller sluit 1964 daarmee af met twee gouden singles en een gouden elpee.
 
  Het jaar daarop ontvangt Miller daarvoor ook officiële erkenning uit de country-and-western-hoek. Tijdens het "NARAS Academy Banquet" in 1965 krijgt hij van de Amerikaanse muziekindustrie maar liefst vijf onderscheidingen toegekend, te weten:
 
  1. Beste Country & Western Single van 1964 "Dang Me"
  2. Beste Country & Western Album van 1964 "Dang Me" / "Chug-A-Lug"
  3. Beste Country & Western Uitvoering van 1964 Mannelijk: "Dang Me"
  4. Beste Country & Western Song van 1964: "Dang Me"
  5. Beste Nieuwe Country & Western Artiest van 1964: Roger Miller
  Het zijn ook niet de minste onderscheidingen. De prijzen van de NARAS — de National Academy of Recording Arts and Sciences, die in 1957 werd opgericht — gingen toen nog naar "de beste ..." (vul maar in). Tegenwoordig heten ze "Grammy Awards". Van de zes beschikbare onderscheidingen voor het country-jaar 1964 gingen er dus toen vijf naar Miller. Er is slechts een onderscheiding die Miller niet kreeg, namelijk die voor de beste nieuwe country-and-western-zangeres. Die prijs werd geïncasseerd door Dottie West voor haar nummer "Here Comes My Baby".
  Inmiddels staat de productie niet stil. De opvolger van "Chug-A-Lug" is, nog in 1964, het nummer "Do-Wacka-Do". Weer een woordverbastering — "Do what you've got to do" — met dezelfde sfeer en ook alweer in dezelfde knettergekke stijl als de twee voorgangers. Iedereen amuseert zich kostelijk bij het horen van deze plaat met op de achterkant "Love Is Not For Me", die onder meer gedraaid wordt in "Tijd voor Teenagers" van Herman Stok en op Radio Veronica, Radio Luxembourg. Niettemin scoort Miller in Nederland nog steeds geen hit. In Amerika lijkt een zekere verzadiging op te treden. De plaat haalt daar maar net een vijftiende plaats op de country-and-western-lijsten en krap een eenendertigste plaats op de Billboard-top-honderd. Miller haalt er net geen miljoen verkochte platen mee. Bij Smash hebben ze er echter geen probleem mee. Ze vragen Miller om met wat anders te komen en dat doet hij dan ook. Hij schrijft zijn meest verkochte en bekendste compositie: "King Of The Road", een autobiografisch nummer, dat refereert aan de tijd waarin hij een zwervend bestaan leidde en peukjes van de straat moest oppikken om wat te roken te hebben.
  In Amerika staat "King of the Road", dat in 1965 met op de B-kant "Atta Boy Girl" wordt uitgebracht, wekenlang als nummer éen op de country-and-western-lijsten en ook elders, in landen als Noorwegen, Singapore en de Filippijnen, stijgt de plaat naar een eerste plaats. In Amerika is het Miller's grootste hit, want daar wordt de plaat nummer vier en weer een gouden plaat. Miller snapt er weinig van: "Wat, al die onderscheidingen voor mij ... zo goed ben ik echt niet ... er zijn veel betere zangers dan Roger Miller. Maar leuk is het wel en het is internationale erkenning voor mijn persoon als componist en zanger." Aan die internationale erkenning werkt Miller overigens ook zelf actief mee met een grote tournee door Engeland die begin 1965 start. Tussendoor treedt hij op in tientallen tv-shows. Dat helpt en ook de zeezenders dragen hun steentje bij. Inmiddels is na Radio Caroline ook Radio London in de lucht verschenen en daar wordt Miller enorm geplugd. Het gevolg laat zich raden. Op de Radio London Fab Forty behaalt Miller een eerste plaats. Ook op de officiële Engelse hitparade wordt "The King Of The Road" ook nummer één met een notering van vijftien weken. Dan verschijnt Miller's naam ook in Nederland eindelijk in Veronica's top-veertig en de Muziek-Expres-top-tien.
11 Hot Country Albums in Billboard, 25 september, 1965 (klik op de afbeelding voor een groter overzicht)

Cover-versies. Smash Records gooit er weer een elpee tegenaan: The Return of Roger Miller, featuring "King Of The Road" and "Do-Wacka-Do" (Smash MGS 27061). Ook deze elpee wordt ook weer goud. Op de country-and-western-lijsten staat het album wekenlang op nummer één. Uiteindelijk wordt de elpee van deze positie verdreven door de man waar Miller vroeger liedjes voor schreef en die inmiddels overleden was, namelijk Jim Reeves. Op de The Return of Roger Miller vinden we onder meer een nieuwe versie van "In The Summertime", beter bekend als "You Don't Want My Love" uit Miller's RCA-tijd en een hit voor Andy Williams in 1960. Daarnaast vinden we ook het nummer "You Can't Roller Skate In A Buffalo Herd" op dat Smash Records pas in 1966 op single zal uitbrengen. Opnieuw steekt Miller in zijn "In The Summertime" het blues-gevoel in een country-jasje:

  In the summertime
When all the trees and leaves are green
And the redbird sings, I'll be blue
'Cause you don't want my love ...
  "King Of The Road" wordt al snel een echte klassieker. Al tegen het eind van 1965 zijn er maar liefst driehonderd cover-versies van de song opgenomen door een reeks bekende artiesten zoals Miller's Smash-collega Jerry Lee Lewis, die het nummer in 1965 opneemt op zijn elpee Country Songs for City Folks (Philips 843.460 BY). Dit voorbeeld wordt gevolgd door de Liverpoolse Mersey-beatgroep de Swinging Blue Jeans die ook nog "Chug-A-Lug" opnemen op hun elpee Hey Hey Hey Hey — The Swinging Blue Jeans Live aus den "Cascade-Beat-Club" in Köln (Elektrola SME 83.927), waarmee de muziek van Miller zelfs de Merseybeat heeft bereikt. Andere uitvoeringen zijn bijvoorbeeld die van Dean Martin, Pat Boone.
  In Nederland wordt overigens een speciale versie van het album The Return of Roger Miller uitgebracht onder de titel King of the Road (Fontana International Stereo 858.022 FPY). Deze uitgave wijkt geheel af van de Amerikaanse versie. Het album bevat bijvoorbeeld ook Miller's hits uit 1966 en 1967 als "Walkin' In The Sunshine", "Home" en "Husbands And Wives". U begrijpt het al: deze elpee wordt pas eind 1967 in Nederland uitgebracht. Maar, even terug naar 1965. Miller's succes houdt aan, als de volgende single "Engine Engine #9" weer een hit wordt: nummer zeven op de Amerikaanse top-tien van de Billboard-poplijst en nummer twee op de Amerikaanse country-and-western-lijsten. Ook op Radio London verwerft het nummer hit-status. In 1965 maakt Miller verder onder meer de prachtige single "One Dyin' And Buryin'" — met op de B-kant zijn vrolijke al eerder gemaakt RCA-opname "It Happened Just That Way", de song met het "yeah yeah"-geluid. De song bereikt een vierendertigste plaats op de pop-lijsten, maar komt op de country-and-western charts gelukkig nog in de top-tien terecht. In Engeland staat het nummer nog even genoteerd op Radio London's Fabulous Forty. Van de volgende single, "Kansas City Star" / "Guess I'll Pick Up My Heart And Go Home", zou je verwachten dat de hoog in de USA Top-Tien terecht kwam, maar nee hoor, slechts een eenendertigste plaats.
  Na "King Of The Road", "Engine Engine #9", "One Dyin' and a Buryin'" en "Kansas City Star" brengt Miller in 1965 nog een vijfde nummer uit: "England Swings" met op de B-kant "Good Old Days". Miller schreef de song tegen het eind van 1965 ten hij weer eens in Engeland moest zijn voor televisie-optredens en radio-interviews. Bij zijn bezoek aan Londen raakt hij diep onder de indruk van de Big Ben, de Engelse politie-agenten, en de atmosfeer rond Carnaby Street. Hij verwerkt die belevenissen in het nummer "England Swings" dat eind 1965 in Amerika alweer een de achtste plaats haalt op de Amerikaanse pop-lijst en op de country-and-western-charts een zevende plaats bereikt. In Engeland zelf komt het nummer op een vijftiende plaats in de hit-lijsten terecht. Ook van dit nummer verschijnen er overigens heel wat cover-versies, onder meer van Connie Francis. Vanaf "Engine Engine #9" verschijnen alle genoemde hits in 1965 op een derde Smash-elpee met de toepasselijke naam The 3rd Time Around. Nog hetzelfde jaar volgt een compilatie-elpee meer de laatste successen de elpee: Golden Hits of Roger Miller die de zesde plaats op de elpee top 200 haalde en alweer een gouden plaat opleverde in 1966.
  De gouden plaat voor Golden Hits of Roger Miller is maar een van de prijzen die Miller over 1965 in de wacht sleept. Tijdens de achttiende conferentie van de jukebox-industrie in 1966 wordt hij bijvoorbeeld verkozen tot "Top Jukebox Artiest van 1965". Van "King Of The Road" zijn dan drie miljoen stuks verkocht en de plaat blijkt in Noord-Amerika de meest gedraaide jukebox-plaat van 1965 te zijn. Zelfs de Beatles en de Rolling Stones moeten Miller voor zich dulden. Voor deze prestatie ontvangt Miller in april 1966 een jukebox-award. In het zelfde jaar staat Miller over 1965 genomineerd voor maar liefst negen NARAS-Awards. Uiteindelijk zullen er zes stuks naar Miller gaan. Zo wordt bijvoorbeeld "King Of The Road" gekozen tot liedje van het jaar 1965 en als de beste country-and-western single van 1965. Miller zelf wordt verkozen tot "country-and-western-man" en tot songwriter van het jaar. Het Nederlandse blad Muziek Expres was in de persoon van correspondent Jan Storm stemgerechtig lid van de toen opgerichte "Country & Western Music Academy" en in die hoedanigheid aanwezig bij de uitreiking van de onderscheidingen aan de genomineerde artiesten. Collega Buck Owens kreeg onder meer ook twee onderscheidingen als "bandleader" en "mannelijke top-zanger van het jaar". In de Muziek Expres van mei 1966 staat nog een foto van het gebeuren, waarop Miller door zijn eerste vrouw wordt gefeliciteerd, terwijl Bob Sherman van de Sherman Brothers toekijkt. Miller moet onderhand een aparte kamer in zijn huis inrichten om alle onderscheidingen en gouden platen op te hangen.
  In 1965 verschijnt er, als reactie op Miller's "King Of The Road", ook weer een antwoord-song, gezongen Jody Miller en getiteld "Queen Of The House". Het is een meesterlijk product, goed voor een vijfde plaats op de Amerikaanse country-and-western charts en een twaalfde plaats op de pop-lijsten. De verkoop levert deze zeer goede zangeres daarnaast een gouden plaat op. De helft van de royalty's ging overigens weer naar Miller, omdat die de originele melodie van het nummer bedacht had. Miller wordt ook goed op de hak genomen door het komische duo Homer en Jethro in "The Ballad Of Roger Miller". Del Reeves doet op zijn live-album Del Reeves Live in Concert (Sunset SUS-5279) met een Walter-Brennan-stem een impersonatie van Miller in "Chug-A-Lug".
12 Op 2 januari 1966 staat "England Swings" op de eerste plaats in de Billboard Top 40 Easy Listening

In het spoor van Elvis Presley. In 1966 volgt nog een reeks fraaie nummers zoals "Husbands And Wives", het al eerder genoemde "You Can't Roller Skate In A Buffalo Herd" en "My Uncle Loved Me But She Died". Miller's vierde single is een onverwachte cover van Elvis Presley's "Heartbreak Hotel", die slechts goed is voor een plaats op nummer 55 van de country-and-western-lijsten. In 1956 toen Miller erg arm was, was er een nummer dat hij op zichzelf vond slaan. Het gevoel van eenzaamheid, het alleen op weg zijn: die elementen vond hij in de plaat "Heartbreak Hotel" van Elvis Presley. Miller liep al jaren met het idee rond om dit nummer nog eens op te nemen. Hij wilde er echter een meer humoristische versie van maken. Wat hij ook deed. Helaas waren de echte, oude country-and-western-fans in 1966 nog steeds nog steeds niet in het reine met Presley omdat hij — net als Carl Perkins en de Everly Brothers overigens — met zijn hits ook de country-and-western-lijsten had weten te halen. Volgens hen was het de schuld van Presley dat bepaalde country-and-western-zangers een flinke scheut rock-'n-roll bij hun muziek moesten doen en er rockabilly opnamen van moesten maken om nog enig succes te hebben. Denk aan Marty Robbins, Johnny Horton, Little Jimmie Dickens en Faron Young. Presley werd destijds beschouwd als de man die de pure country-muziek de nek had omgedraaid. Om die reden werden zijn platen ook van de country-and-western-lijsten geweerd. Ze zouden daar pas in 1968 weer opduiken.

  Om die reden ondervond ook Miller's versie van "Heartbreak Hotel" de nodige weerstand. Van de Amerikaanse country-and-western-deejays vertikte een aantal het om de single — met op de achterzijde het nummer "Less And Less" — op hun stations te draaien. Blijkbaar vonden ze het al erg genoeg dat ze dat negen jaar eerder al het origineel hadden moeten draaien. De populaire radio-stations hadden er duidelijk geen moeite mee. Joost den Draayer, Jan van Veen, Gerard de Vries, Tineke, zij allen draaiden de plaat in Nederland toch wel een paar keer per dag. Bij de trouwe fans van Elvis Presley werd Miller's cover overigens enthousiast ontvangen, maar door alle negatieve publiciteit kwam Miller's uitvoering van "Heartbreak Hotel" niet hoger dan nummer 84 op de Billboard-top-honderd.
  Ondanks alle negatieve publiciteit rond "Heartbreak Hotel" bereikt Miller bij Smash in 1966 een van de hoogtepunten uit zijn carrière, te weten de elpee Words and Music by Roger Miller (Smash 27075). Van de songs op het album is het fel bekritiseerde "Heartbreak Hotel" het enige nummer, waarvan de "credits" niet kloppen met de albumtitel. Voor de rest is het allemaal eigen werk. Op de plaat vinden we "Invitation To The Blues", de hit die Miller in 1958 voor Ray Price schreef, evenals "Home". Beide songs heeft hij nu zelf opgenomen en dat is een complete verrassing. Natuurlijk is er ook weer "Husbands And Wives" — want zonder hits verkopen albums in die tijd nog niet. Met daarnaast enkele zeer fraaie nummers zoals "Train Of Life" dat als B-kant werd gebruikt van de single-uitgave van "You Can't Roller Skate In A Buffalo Herd". Verder vinden we op het album onder meer "Working Girl" en "Every Which A-Way" — alweer zo'n oude RCA-song die opnieuw is opgenomen. De waardering voor de elpee is van meet af aan groot. Op de albumhoes wordt Miller door de bekende popjournalist Johnny Mercer vergeleken met componisten als Walter Donaldson, Irving Berlin of Hoaggy Carmichael. Miller is bijzonder blij met die erkenning. Men vergelijkt zijn schrijfstijl ook met die van A.P. Carter van de Carter Family die in de jaren dertig onder meer de song "Wabash Cannonball" schreef — een echte traditional waarvan vele versies vertolkt werden zowel binnen de popmuziek als de country-and-western en de folk.
  De vergelijking blijkt toepasselijk. In 1966 haalt de uiterst populaire Eddy "The Tennessee Plowboy" Arnold een man die al vanaf 1946 platen maakte voor RCA en voor wie Miller als klein jochie al veel respect had, de Amerikaanse top-honderd met Miller's compositie "The Last Word In Lonesome Is Me". De plaat is goed voor een veertigste plaats op de pop-lijsten en voor een tweede plaats op de country-and-western-charts. Via die route vindt de song zijn weg weer naar andere artiesten zoals Dottie West — te weten op het album Dottie Sings Eddy (RCA Victor LSP-4154). En, zelfs oude rockers nemen dit nummer op, waaronder Gene Vincent. Zijn versie is te vinden op de witte elpee Gene Vincent: Rhythm in Blue (Blue Cap Records BC-2-11-35) die op blauw vinyl is geperst. In de liner notes wordt overigens gesuggereerd het betreffende nummer in 1959 zou zijn opgenomen ... Natuurlijk geheel onjuist, want Miller schreef dit nummer pas eind 1964. Op een latere officiële elpee van Gene Vincent waarop dit nummer ook weer voorkomt, wordt uiteindelijk 1965 als jaar van opname opgegeven. Hoe het ook zij, de muziek van Miller wordt overal goed ontvangen, zelfs bij oude rockers als Jerry Lee Lewis en Gene Vincent.
13 In 1966 wordt Miller eindelijk gesignaleerd in de Nederlandse pers, met als tekst bij de foto: "Nieuw is de talentvolle Country & Western stem van Roger Miller. Reden voor het feest: twee eigen liedjes hoog-in-de-hits: "King Of The Road" en "Engine, Engine". Fijn plaatje ook voor uw eigen disco-fuif!"

Terug naar de country. Hoewel het verzamelalbum Golden Hits of Roger Miller in 1966 de zesde plaats op de elpee-top-200 haalt en Miller alweer een gouden plaat oplevert, worden de hitsuccessen stilaan wat kleiner — mede vanwege het bekritiseerde "Heartbreak Hotel". Het fraaie "Husbands And Wives" haalt nog wel een 26e plaats op de Billboard Top-Honderd en een vijfde plaats op de country-and-western-charts maar daarna komt de klad er een beetje in. Het ijzersterke album Words and Music ... brengt het bijvoorbeeld slechts tot een 108e plaats op de elpee-top-200. De B-kant van "Husbands And Wives", "I've Been A Long Time Leaving", haalt ook een dertiende plaats op de country-and-western-charts, maar blijft op de pop-charts bubbling under de top-honderd. Het blijft steken op een 103e plaats (zie: tabel 3). Dit is mede te wijten aan het feit dat Miller's oude platenmaatschappijen, zoals RCA en Starday gedurende dat jaar een groot aantal singles op de markt brengen met oud werk, waardoor er een overvloed aan Miller-platen ontstaat. Die RCA-platen werden voor de tweede keer weliswaar geen hits, maar ze waren wel te horen op Radio Luxembourg en op Radio Caroline, waar deejay Don Allen ze nogal eens op de draaitafel legde.

  Ook op de zeezender Radio Dolfijn — de naam van het station was inmiddels veranderd in Radio 227 — viel in 1967 oud werk van Miller te beluisteren. Deejay Look Boden verzorgde in die tijd iedere middag een uur lang een prachtig country-and-western-programma dat, voorzover ik me goed herinner, "Country & Western Style" heette. Boden presteerde het om iedere dag in iedere uitzending een plaat van Miller te draaien. In dat jaar haalde "Billy Bayou" zelfs een week lang de top-vijftig van Radio 227. Een vreemde zaak, want deze plaat is in Nederland nooit als single uitgebracht en het nummer verscheen hier voor het eerst op het album Words And Music .... Ik vermoed dan ook dat Boden hiervoor verantwoordelijk was. Hij draaide namelijk ook "Hasta Luego" van Hank Locklin nogal vaak en ook die plaat kunnen we voor slechts een week op een van de top-vijftig-lijsten van Radio 227 aantreffen. Het is dus waarschijnlijk dat Boden Miller's nummer gewoon voor een week op de Fab. 50 van Radio 227 heeft gezet. Mogelijk gebruikte hij voor zijn programma een Amerikaanse promotie-copy op single.
  Naast Words and Music ... maakt Miller in 1967 nog een van zijn betere werkjes: een single met het oersterke en zeer vrolijke "Walking In The Sunshine" dat een en al vrolijkheid uitstraalt en op de achterkant het nummer "Home", dat hij in zijn begindagen schreef voor Jim Reeves en Jerry Lee Lewis. Deze plaat haalt de Billboard-top-honderd, maar bracht het teleurstellend genoeg maar tot een 37e plaats en een zevende plaats op de country-and-western-charts. De tekst van het nummer geeft inzicht in het geheim van Miller's relativerende humor: de kracht van de verbeelding. Ook als het leven niet leuk is, kan je altijd nog doen alsof het dat wel is:
La la la la la dee oh
Whether the weather be rain or snow
Pretending can make it real
A snowy pasture, a green and grassy field
  De gelijknamige elpee die tal van goede songs bevat, haalt slechts een 118e plaats en blijft hangen onder de elpee-top-honderd. Het is duidelijk te merken, dat de belangstelling voor Miller's muziek aan het afnemen is. De opkomst van nieuwe muziekstijlen als flower-power en underground is daar niet vreemd aan. De psychedelische muziek verdringt de oudere stijlen. Niet alleen Miller, maar ook veel andere artiesten hebben daar in 1967 last van, zelfs Elvis Presley. Voor het eerst in zijn carrière slaagt hij er niet in om een nieuwe single — "Big Boss Man" — de Britse top-vijftig binnen te loodsen. Ook zijn "Judy" blijft onder de magische grenslijn steken.
  Binnen het domein van de country-and-western blijft de belangstelling voor crossover-artiesten als Little Jimmy Dickens, Eddy Arnold, de Stattler Brothers, Jim Reeves, Del Reeves, David Houston, en Buck Owens en natuurlijk Roger Miller, echter bestaan. Veel van hen richtten zich dan ook weer op hun traditionele achterban. Zelfs Presley keert in 1967 terug naar zijn roots en ruimt op zijn album Clambake plaats in voor enkele country-and-western-nummers, zoals "Just Call Me Lonesome" en "Singing Tree". Hij wordt daarbij begeleid door dezelfde steel-gitarist, Pete Drake, die in de jaren tussen 1960 en 1963 Miller bij zijn RCA-opnamen terzijde stond. Ook oude rockers als Gene Vincent maken country-and-western-opnamen. Jerry Lee Lewis, de oude Smash-collega van Miller, doet in 1968 hetzelfde en maakt de ene nummer één country-and-western-hit na de andere. Charlie Rich, destijds ook op het Smash-label, volgt het voorbeeld pas in de loop van de jaren zeventig.
14 Amerikaans single-hoesje uit 1967 met het thema van de fim "Waterhole #3"

Filmmuziek en easy-listening. Miller probeert het nog op enkele andere fronten. In 1967 werkt hij bijvoorbeeld mee aan de soundtrack van de film "Waterhole #3", een Paramount-film met Carrol O'Connor, Margaret (Maggie) Blye, Claude Akins, Timothy Carey en Joan Blondell. Miller heeft alle muziek voor de film geschreven die ook op album verschijnt. Voluit luidt de titel van de betreffende elpee: Roger Miller Sings the Music and Tells the Tale of Waterhole #3 (Code of the West) (Smash MGS 27096). De hoes vermeldt als ondertitel nog: "From the Paramount Picture starring: James Coburn in Blake Edwards' production Waterhole #3."

Het is echte filmmuziek, die bewerkt is door Dave Grusin en Robert Wells. De laatste is ook verantwoordelijk voor de monologen die Miller op deze soundtrack inspreekt. De film zelf is meer een comedy dan een western. Het draaiboek gaat over een goudroof, een slechte bandiet (Coburn) met een hart van goud die er vandoor gaat met de dochter (Blye) van de sheriff (O'Connor) en meer van die dingen. Met deze productie is Miller ver van de country-and-western muziek verzeild geraakt en alleen de titelsong kan het etiket country-and-western nog waarmaken. De op single uitgebrachte versie van "Ballad Of Waterhole #3" is dan, jammer genoeg, de eerste grote flop voor Miller ... het nummer haalt slechts een 27e plaats op de country-and-western-charts en niet eens de Billboard-top-honderd. De plaat blijft steken op de 102e plaats en is dus niet meer dan een bubbling under-hit. Zelf lukte het mij pas een aantal jaren geleden de complete soundtrack op elpee te bemachtigen en dan nog als promotie-copy op een wit Smash-label. Ik vraag me af, of deze elpee wel ooit officieel verschenen is, want zelfs op de elpee-top-200 staat geen enkele notering vermeld.

  Miller zit niet bij de pakken neer. Hij neemt een nummer "Little Green Apples" op. De song is dit keer niet door hemzelf geschreven, maar door Bobby Russell en zal een van de meest gecoverde nummers van de eindjaren zestig worden. Miller is wel de eerste artiest die het opneemt en "Little Green Apples" komt in 1967 als nummer 39 op de Billboard-top-honderd en als nummer 6 op de country-and-western-charts. Eindelijk is Miller weer terug in top-tien van de country-and-western-charts. In Engeland brengt het nummer hem, zo rond maart en april 1968, weer terug op de Britse top-twintig: het nummer haalt de 19e plaats om in de maanden april en mei nog twee keer weer terug te keren in de top-vijftig. Na Miller zullen nog tientallen artiesten dit nummer opnemen, zoals O.C. Smith, Frank Sinatra en Glenn Campbell. De tekst van dit nummer is een fraaie lofzang op de kleine dingen van het gewone alledaagse leven:
  And I wake up in the morning with my
Hair down in my eyes and she says: hi
And I stumble to the breakfast table while
The kids are going off to school: goodbye
And she reaches out and takes my hand and
squeezes it and says: how you feeling, hon?
And I look across at smiling lips that
warm my heart, and see my morning sun
And if that's not loving me
Then all I've got to say:

God didn't make the little green apples
And it don't rain in Indianapolis in the summer time
And there's no such thing as Dr. Seuss
Or Disney Land and Mother Goose, no nursery rhymes
God didn't make the little green apples
And it don't rain in Indianapolis in the summer time
And when myself is feeling low
I think about her face and go and ease my mind
  In het kielzog van het succes van "Little Green Apples" op de Britse eilanden, bereidt Miller een een grote tournee voor. In de maanden maart en april wordt dat, verlucht met vele foto's, aangekondigd door de bekende Engelse popkrant Record Mirror. Daar komt evenwel niets van terecht. Op 27 april 1968 laat de Record Mirror weten, dat "de tournee van Roger Miller is afgelast vanwege een schietongeluk." Tijdens een schietongeluk — of het nu een jachtpartij of een schietoefening was; niemand die het precies schijnt te kunnen vertellen — ging het geweer van Miller af waardoor hij zichzelf in de hand schoot. Miller's hand was zo zwaar beschadigd dat hij met spoed naar het ziekenhuis werd getransporteerd waar hij een aantal operaties onderging. Hij wist toen niet zeker of hij zijn hand ooit weer kon gebruiken. Zijn manager liet weten, dat "Roger weer naar Engeland zou komen, als hij fit genoeg was ..." Helaas, zijn fans moesten vijf jaar wachten voor het zover was, want pas in 1973 maakte Miller weer een Engelse tournee.
  De hand van Miller herstelde zich wel, zodat hij na een jaar of wat weer gitaar kon spelen. Toch lijkt de gebeurtenis hem muzikaal te hebben beïnvloedt. Zijn muziek wordt rustiger en als in 1968 de nieuwe elpee A Tender Look of Love verschijnt, blijken de tracks pure easy-listening te bevatten. Natuurlijk staan er wel enkele nummers op die naar country-and-western neigen, zoals de hit "Little Green Apples" en "Tolivar", maar Miller waagt zich daarnaast aan nummers als "By The Time I Get To Phoenix", "Honey", "Gentle On My Mind", "The Twelfth Of Never"en "My Elusive Dreams". Allemaal heel mooi, maar zijn stijl lijkt totaal te zijn veranderd. Ook de vormgeving wijkt af van de conventies van de pop- en country-muziek. In Engeland verschijnt deze elpee op het Mercury-label onder de titel Little Green Apples (Mercury SMCL 20129) met een vrolijk kijkend Miller zittend naast een gitaar met vallende groene appels.
15 Bladmuziek "King Of The Road"

Een song van Kris Kristofferson. Pas in 1969 herstelt de stijl van Miller zich als hij een prachtige nieuw album uitbrengt, kortweg getiteld Roger Miller (Mercury International Stereo 134.577 MFY). Het is een juweel van een plaat met ijzersterke hits als "Me And Bobby McGee" en "Vance". De meest succesvolle song is weer door iemand anders geschreven. Op Miller's kantoor meldt zich eind 1968 een jonge songwriter, Kris Kristofferson, die het betreffende nummer samen met de oude producer van Roy Orbison, Fred Foster, in elkaar had gezet. Miller die zich zijn slechte tijd als songwriter herinnert, besluit deze jonge songwriter een kans te geven en neemt dit nummer van Kris Kristofferson op. "Me And Bobby McGee" — daar hebben we het over — haalt de top-tien van de country-and-western-lijsten, maar blijft op de poplijsten steken op nummer 122. Onbegrijpelijk, mede gezien de latere successen die andere artiesten met dit nummer boekten. Van de elpee Roger Miller haalt de voordracht "Vance" verder ook nog net de Billboard-top-honderd. De song komt daar op nummer 80 en haalt een vijftiende plaats op de country-and-western-charts.

  Miller was de eerste artiest die de songs van Russell en Kristofferson opnam en die dit soort nieuwe nummers daarmee een kans gaf. Tijdens een tournee door Engeland wordt hem hier een vraag over gesteld. Dat was in 1973 tijdens het Internationale Country Festival in het Wembley Stadion.
  Interviewer: "When you were with Mercury you seemed to be one of the first to record Kristofferson songs?"
  Miller: "Yeah, I had the first recording of "Me And Bobby McGee" and it was one of the first Kris had recorded. I had the first record on a lot of things like that: "Little Green Apples", "Ruby Don't Take Your Love To Town", a lot of those things."
  Nadat Miller het nummer heeft geïntroduceerd, zal "Me And Bobby McGee" door honderden artiesten gecoverd worden. Iedereen die zich zanger noemt heeft het in die tijd op zijn repertoire staan. Een jaar later zal het nummer grote bekendheid krijgen als het in 1971 een postume hit wordt voor Janis Joplin, die er de eerste plaats op de USA Top-Honderd mee haalt. En in 1972 zal Miller's oude collega Jerry Lee Lewis er ook weer een hit mee scoren op het Mercury-label.
  In de jaren 1968 en 1969 scoort Miller zijn laatste hits op de pop-lijsten in Engeland en Amerika. Met de elpees gaat het nog even iets beter. De elpee Roger Miller haalt volgens Billboard in Amerika toch nog een 163e plaats op de elpee-top-200. Vanaf 1970 komen echter ook de elpees van Miller niet meer op de Amerikaanse pop-charts voor. Vanaf dat jaar verschijnt zijn naam enkel nog op de country-and-western-hitlijsten. De laatste hit-elpee is het negende langspeelalbum Roger Miller 1970 (zie: tabel 4). Die plaat bereikt terecht nog de hitlijsten, want het is een ijzersterke elpee met prachtige nummers zoals de hit "Tom Green County Fair", die de country-and-western-top-dertig haalt. Daarnaast telt het album ook weer een mooie song van Kristofferson, "Jody And The Kid", alsmede "Mystery Train", de oude Sun-hit van Elvis Presley. Het echec van de cover "Heartbreak Hotel" uit 1965 is inmiddels vergeten en nu is iedereen wel enthousiast over het nummer. In kringen van de country-and-western zowel als de pop wordt deze elpee heel goed ontvangen. Minder goed vergaat het Miller's singles op de pop-charts. Zijn nummers worden steeds minder gedraaid op de pop-stations en het gevolg is geen noteringen meer voor Miller. Zelfs op de bubbling under-charts zal hij enkel nog een keer in 1973 genoteerd staan met het nummer "Open Up Your Heart".
  Op elpeegebied maakt Miller evenwel in 1970 nog een prachtige elpee, A Trip in the Country (Mercury SR 61297), waarop hij pure country-and-western maakt, begeleid op de steel-gitaar door Buddy Emmons, op de gitaar door Harold Bradley en Charlie McCoy, op de bas door Bob Moore en op fiddle door Tommy Jackson. Het is een terugkeer naar zijn begintijd en zo hebben we Miller sinds zijn Starday- en RCA-periode niet vaak meer gehoord. Dit valt in Engeland zo op, dat hem tijdens zijn tournee in 1973 daar de volgende vraag over wordt gesteld:
  Interviewer: "What suprised me was the album you did on Mercury, A Trip to the Country. I enjoyed it, but it wasn't what you were doing at the time?"
  Miller: "Well, I thought something unique for me to do. It wasn't a very succesful album, but we took Buddy Emmons and went down there ... incidentally did you notice the good work Buddy Emmons did on that album? He really did some stuff. We talk about Buddy a lot, I guess a lot of people are aware that he works for me, and has been for five years playing bass. I hired him because he plays a good bass, and I needed a bass player, and it's a plus in anybody's cap having Buddy Emmons around him. He does an excellent job, and we are trying to work more steel into the show, because it's a shame it's going to waste."
  Interviewer: "What do you play in the States, do you play Country Package Shows?"
  Miller: "No, I haven't played a Country Package Show since 1965. I play hotels, and concerts of my own. Television, rodeos and fairs. I would kinda like to play a Country Package Show, because I had a lot of fun with those people. It would give me the chance to kinda visit with some of them."
  Interviewer: "Would you agree that the country audiences are the most faithfull anywhere?"
  Miller: "Yes, definitely. Pop is kind of fickle a little bit, while the country fan, once you've had had a hit ... they'll never forget you."
16 Gail Davies en Roger Miller (1975)

Sorry folks .... Vergeten doen de country-fans hem zeker niet. Dat neemt toch niet weg, dat ook Miller's hits op de country-and-western-charts in de beginjaren zeventig steeds kleiner worden. de song "Tomorrow Night In Baltimore" brengt het in 1971 nog tot nummer elf, maar "Loving Her Was Easier" uit het zelfde jaar nog maar tot nummer 28. "Rings For Sale" uit 1972 reikte op zijn beurt niet hoger dan nummer 42. Zoals Miller ook vertelt in het betreffende interview, had hij sinds 1965 geen echte binding meer met de country-and-western-muziek en trad hij nooit meer op voor country-and-western-festivals. Dat deed hij voor het eerst pas weer in 1973 in Engeland. Hij was ook wel heel duur geworden. Zelf heb ik in die tijd vaak geprobeerd contact met Miller te krijgen en daarbij bleek dat hij in die tijd onder de hoede zat van impresario Jerry Weintraub uit Hollywood. Niet alleen gaf Weintraub berichten voor Miller soms gewoon niet door, hij rekende bovendien onbetamelijk hoge prijzen voor optredens. Om die reden hebben we Miller ook nooit in Nederland gezien tijdens een of ander country-and-western-festival. Zo ontbrak Miller bijvoorbeeld eindjaren zeventig bij Tros Country in het Ahoy Sportpaleis, omdat zijn gage te hoog was voor de Nederlandse organisatoren.

  In 1973 gaat het even iets beter. In Engeland wordt Miller — mede vanwege zijn bezoek aan dat land — in het begin van dat jaar op de BBC 2 gekozen tot artiest van de week en de hele week lang hoort de luisteraar ieder uur een van zijn nummers. Miller verhuist bovendien van label. Na bijna negen jaar onder contract te zijn geweest bij Mercury Records (Smash) tekent hij een overeenkomst met Columbia Records — CBS in Nederland. Dan stijgt opeens weer de belangstelling voor zijn muziek en de eerste nieuwe single voor Columbia, "Open Up Your Heart", brengt het weer tot de country-and-western top-vijftien en haalt in Amerika zelfs weer een 105e plaats, bubbling under de top-honderd-hits van Billboard.
  De nieuwe single "Open up your heart" komt niet alleen. Het nummer is afkomstig van Miller's nieuwe elpee Dear Folks Sorry I Haven't Written Lately (CBS S. 65777). Inderdaad had Miller zelf al een paar jaar geen liedjes meer geschreven, maar met de komst van deze meesterlijke elpee blijkt het oude vuur weer helemaal terug. Het nummer "Qua La Linta" — de B-kant van de single — is bijvoorbeeld een Mexicaans-klinkend liedje, compleet met Mexicaanse trompetten. "Whistle Stop" is een vrolijk fluitnummer met veel lol en gein en wordt ook nog een klein hitje. Absolute uitschieter is het nummer "The Day I Jumped Down From Uncle Harvey's Plane", dat een krankzinnig verhaal vertelt over iemand die niet in een vliegtuig durft te stappen en dan met een parachute eruit wordt gegooid en midden in een kippenhok terecht komt. Veel aandacht kreeg deze elpee destijds op Hilversum III in het Vara-programma "Nashville" van Wim Bloemendaal. En ook in Tros-Country horen we een paar nummers van dit album net als bij Karel van der Kemp in "It's Country Time" bij Radio Veronica. Vergeten is Miller in Nederland dan beslist nog niet. Op het hitfront gebeurt er evenwel niet veel meer. In 1974 heeft Miller nog een piepklein country-and-western-hitje met het CBS-nummer "Our Love" — op nummer 44 — en met "Whistle Stop" — op nummer 86 — beide afkomstig van het CBS-album. In 1975 volgt nog een piepklein hitje "I Love A Rodeo", goed voor een 57e plaats. In 1976 haalt Miller in Amerika echter geen enkele notering op wat voor hitparade dan ook. Het contract met CBS is dan voorlopig van de baan en Miller tekent een nieuw platencontract met het Windsong-label waarop de best heel aardige plaat "Baby My Baby" in 1977 een hit oplevert op de country-and-western-charts — op nummer 68. In 1978 is er weer geen hit en het wordt steeds stiller rond Miller.
  Eindelijk verschijnt er dan in 1979 een nieuwe Miller-elpee Making a Name for Myself (20th Century Fox T-592) die echter alleen in Amerika uitkomt. Deze elpee bevat allemaal eigen composities van Miller, waarbij hij voor het achtergrondkoortje gebruik maakt van zangeressen als Patti Brooks en Kim Carnes en tevens van Brian Russell, die zelf platen maakte voor het Rocket-label van Elton John. Tenminste drie nummers zijn herkenbaar als echte Miller-songs: "Please The Crowd", "Disco Man" en "The Opera Ain't Over Till The Fat Lady Sings". Het nummer "The Hat" is zondermeer het sterkste nummer van het album en het is ook een van de kleinste country-and-western hits die Miller ooit heeft gehad in zijn hele carrière. De song haalt nummer 98 op de country-and-western top-honderd met een notering van twee weken. Het is tevens definitief de laatste hit van Miller op de Amerikaanse country-charts. In 1980 en 1981 scoort Miller geen hits meer. Het blijft akelig stil rond zijn persoon. Maar dan komt Miller nog een keer ijzersterk terug met een van zijn mooiste elpees sedert jaren.
17 Roger Miller en Faron Young rond 1974

Vrienden van vroeger. Helemaal verdwenen is Miller niet. Af en toe duikt hij nog eens op, soms op de meest onverwachte plaatsen. Zo worden eindjaren zeventig en beginjaren tachtig tientallen Muppet Shows op zowel de Belgische, de Nederlandse en de Duitse TV herhaald. En wat zien ik tot mijn grote verbazing in een van die shows? Jawel, een optreden van Miller. Beginjaren tachtig wordt er bij de Veronica Omroep Organisatie een tv-show uitgezonden, getiteld "John Denver and Friends" en een van die vrienden is weer Miller die samen met Denver en Glen Campbell aan het musiceren is. Het levert een mooie samenzang op tussen Denver en Campbell. Dezelfde show wordt ook op België en de Duitse ZDF uitgezonden. Via via kwam ik later nog in het bezit van een live optreden van Miller "At Gilley's" waar veel bekende artiesten optraden en die waarschijnlijk iets later is opgenomen.

  Dan, in 1982, komt een van de allermooiste Miller-albums uit: Willie Nelson and Roger Miller: Old Friends (CBS 85785) Met deze elpee keert Miller weer terug bij zijn vorige platenlabel CBS Records. Met de hulp van zijn oude vriend Willie Nelson en zijn oude baas Ray Price maakt Miller zijn come-back op de country-and-western-lijsten. Voor het album heeft Nelson met Miller de allerbeste studio-musici uit Nashville uitgekozen, zoals steel-gitarist Jimmy Day die ooit nog eens met Elvis Presley op de Louisiana Hayride Show in 1954 optrad. Op de gitaar horen we topartiesten als Grady Martin — ook al bekend van sessies met onder meer Elvis Presley — en ook Miller en Nelson zelf schitteren met fraai gitaarwerk. Op de mandoline is er de bekende muzikant Johnny Gimble en op de keyboards Miller's oude vriend, de bassist en steel-gitarist Buddy Emmons. Het zijn inderdaad vrienden van vroeger; de meeste kennen elkaar nog uit de jaren vijftig. Voor deze elpee togen Miller en Nelson voor een keer weer naar Nashville. Ze maakten daar opnames in de Moman's Recording Studio. Maar, omdat de beide heren nog steeds een hekel hadden aan de Nashville Sound, werd een ander gedeelte opgenomen in de Federnales Recording Studio te Spicewood, Texas.
  Op deze elpee staan prachtige nummers. Een daarvan is de titelsong "Old Friends". Dit nummer viel al eerder te beluisteren op het album Making a Name for Myself, echter in een tamelijk zwakke versie. Het duet dat Miller dit keer opneemt in een prachtig arrangement, samen met Nelson en Price, wordt echter een van zijn allermooiste nummers sedert jaren. Deze versie van "Old Friends", met de stemmen van Price en Nelson, die ook het achtergrond-koortje verzorgen, van Toni Wine en Miller zelf, is een waar meesterwerkje. De oude RCA-hit die Miller in de beginjaren zestig voor Nelson — "Sorry Willie" — schreef, krijgt met Nelson zelf nu een nieuwe en mooiere behandeling. Ook de eerste hit die Miller in 1958 schreef voor Price, "Invitation To The Blues", klinkt nu heel anders en dit keer zit zijn oude baas Price in het achtergrondkoor van Miller in plaats van omgekeerd. Daarnaast vinden we op het album het nummer "When To Worlds Collide", waarmee Jim Reeves in 1962 en 1969 succes boekte. Het is, geloof ik, al de derde versie die Miller zelf van dit nummer opneemt. Het schijnt toch wel een van zijn favoriete nummers te zijn. Ook het oude B-kantje van zijn wereldhit uit 1965, "Kansas City Star", het overgevoelige "I'll Pick Up My Heart (And Go Home)" is voor het album opnieuw bewerkt. Nieuwe nummers zijn onder meer "When A House Is Not A Home" en "Aladambana". De stem van Miller past perfect bij het eigen geluid van Nelson. Het is jammer, dat Price slechts in een enkel nummer uitgebreid te horen is.
  De nummers van Old Friends worden korte tijd behoorlijk gedraaid op diverse zenders, maar na 1982 wordt het weer bijzonder stil rond Miller. We moeten het voortaan doen met optredens voor radio en televisie. Wel ontdek ik dat van een aantal daarvan in Amerika live-elpees worden gemaakt, bedoeld voor Amerikaanse radiostations. Zo kom ik eindjaren tachtig in het bezit van de radioshow "Starring Roger Miller in Concert at Billy Bob's Texas Forth Worth". De complete show, die in Amerika werd uitgezonden door ABC Radio Networks, bestaat maar liefst uit drie elpees. Het is een prachtig live-concert, opgenomen en uitgezonden op 19 juni 1982, en heel veel ingevoegde Amerikaanse commercials. We horen een zeer actieve Miller grappen maken en met steun van een sterke begeleidingsgroep vele hits presenteren. Even pakt hij zelfs zijn oude beroep als fiddler weer op in "Orange Blossom Special". Te koop is het album overigens niet. Op de plaat staat duidelijk "For radio play only, not for sale."
18 Label van een promotie-album met onder meer verder nooit uitgebrachte live-opnamen van Roger Miller

Het einde van de weg. Waarom het na 1982 rond Miller zo stil is geworden, horen we pas later als hij in 1992 op 56-jarige leeftijd aan kanker overlijdt. Zijn gezondheid schijnt in het midden van de jaren tachtig zeer verslechterd te zijn, zodat hij ook niet veel meer optrad. Was hij niet ziek geworden en had hij langer geleefd, dan had hij ongetwijfeld nog veel goede platen kunnen maken. Misschien had hij dan ook in Nederland even veel aandacht gekregen als bijvoorbeeld in Engeland, waar hij vijf — en op Radio London zelfs zes — hits scoorde (zie: tabel 5 en tabel 6).

Hoewel Miller in de periode 1964-1969 in Nederland zeker een veel gedraaide radio-artiest is geweest, heeft hij hier slechts een enkele hit gescoord, te weten "King Of The Road". Dit nummer haalde in mei-juni 1965 een 14e plaats op Veronica's top-veertig met een notering van negen weken. Op de Muziek Expres-top-vijftig kreeg het in juli 1965 een lichtelijk hogere notering. Het steeg toen van nummer 33 naar nummer 10. Op Radio 227, het voormalige Radio Dolfijn, stond daarnaast, we zeiden het hierboven al, ook "Billy Bayou" een week lang op de Radio 227 Fab. 50 van 25 juni 1967. Niet veel, al met al. Voor zover mij bekend zijn er ook slechts vijf Nederlandse artiesten geweest die een Miller-cover hebben opgenomen. Ik noemde eerder al André van Duijn, die in 1974 met zijn "Angelique" een cover maakte van "The Swiss Maid". Eerder al namen Rob de Nijs en zijn Lords in 1965 een Nederlandstalige single-versie op van "King Of The Road" (Decca AT 10148). In 1974 bracht de Nederlandse country-zanger Ben Steneker met de Lowland Singers het album Country & Western (CNR 541.629) uit met enkele Miller-composities. Zijn voorbeeld werd twee jaar later, in 1976, gevolgd door het duo Herman en Angie — oftewel Herman van Keeken en zijn vrouw Anneke — met de elpee When Two Worlds Collide (Pink Elephant PE 877.093-G). Tot slot zong Freddy Casby — oftewel Fred Limpens, die destijds als producer bij Johnny Hoes werkte — de song "Billy Bayou" in voor zijn album Tribute to Jim Reeves (Sky 19046-SL Stereo-Mono).

  In Nederland vond het werk van Miller kortom weinig erkenning, en dat voor iemand die zo veelzijdig was. De man schreef zelfs ooit een Kerstliedje, "Old Toy Trains", dat onder meer te vinden is op de elpee That Christmas Feeling (Capitol SM-2978) van Glen Campbell. Mogelijk werd Miller in Nederland te laat ontdekt — op het moment dat de country-muziek door de concurrentie van de opkomende beat- en popmuziek naar de marges van de muziekwereld werd verdrongen. Toch blijft het vreemd, omdat juist de stijl van Miller zo goed aansloot bij het nieuwe pop-idioom en ook daarover valt, op het eind van dit verhaal, nog een vraag over te stellen.
  Hoe slaagde Miller erin om op zijn geheel eigen wijze de muzikale grenslijnen te overschrijden tussen pop- en country-muziek? Voor een definitief antwoord op die vraag schiet dit verhaal te kort. Daarvoor zullen Miller's songs, zowel muzikaal als tekstueel, nader moeten worden onderzocht. Toch kunnen we, op basis van het voorafgaande, wel enkele eerste aanknopingspunten vinden. Een daarvan ligt ongetwijfeld in het uptempo-ritme, dat veel van Miller's succesvolle liedjes kenmerkt. Zijn keuze voor snellere ritmes sloot naadloos aan bij de eerste ontwikkelingen in de opkomende Britse popmuziek, die niet voor niets betiteld werd als beat-muziek. Een tweede overeenkomst zit in tenminste een deel van de teksten. Veel van Miller's songs behandelen het thema van de problematische man-vrouw-verhouding. Ze gaan niet zozeer over het verlangen naar een vaste verhouding, als wel over verstoorde relaties. Ook die thematiek hebben Miller's song gemeen met veel popsongs uit de jaren vroege jaren zestig. En dan is er ten derde, natuurlijk, nog de relativerende humor en zelfspot waarmee Miller dat onderwerp in zijn songs aan de orde stelde. Ook die humor maakte intregraal deel uit van de jeugdcultuur waaraan de popmuziek uitdrukking gaf. En, hoewel die humor zijn liedjes in de ogen van velen tot "novelty-songs" reduceerde, was juist dat achteraf misschien ook wel zijn meest belangrijke bijdrage aan zowel de pop- als de country-and-western-muziek.
   
Previous
  Bronnen:
  Behalve uit eigen herinneringen aan Roger Miller en interviews met Roger Miller zowel op plaat als radio is voor dit verhaal geput uit de volgende tijdschriften:
  • Billboard, jaargangen 1964-1982.
  • Country Song Round-Up, augustus 1991.
  • Hillbilly Hayride, jaargangen 1960-1963.
  • Muziek-Expres, jaargangen 1965-1967.
  • Nashville Sound. Magazine van de Nederlandse Jim Reeves Fanclub, jaargangen 1963-1969
  • Teenbeat, jaargang 1965.
Over de ontwikkeling van de Nashville Sound schreef Joli Jensen eerder in dit tijdschrift:
  • Jensen, Joli (1988), "Genre and recalcitrance. Country music's move uptown." In: Tracking: Popular Music Studies, 1, 1, lente 1988; herdrukt in: Soundscapes, 3, 3, herfst 2000.
Previous
  Discografie:
 
  • Single 1960: "You Don't Want My Love" / "Footprints In The Snow" (RCA Camden)
  • Single 1961: "When Two Worlds Collide" / "Every Which A-Way" (RCA Camden)
  • Single 1963: "Lock, Stock And Teardrops" / "It Happened Just That Way" (RCA Camden)
  • Single 1964: "Dang Me" / "Got 2 Again" (Smash)
  • Single 1964: "Chug-A-Lug" / "Reincarnation" (Smash)
  • Album 1964: Roger Miller Featuring "Dang Me" and the New Hit "Chug-A-Lug" (Smash)
  • Single 1964: "Do-Wacka-Do" / "Love Is Not For Me" (Smash)
  • Album 1964: The Country Side of Roger Miller (Starday)
  • Album 1964: Tunes that Launched the Roger Miller Career (RCA Camden)
  • Single 1965: "King Of The Road" / "Atta Boy Girl" (Smash)
  • Single 1965: "You're Forgetting Me" / "Can't Stop Loving You" (CBS)
  • Album 1965: The Return of Roger Miller, featuring "King Of The Road" and "Do-Wacka-Do" (Smash MGS 27061)
  • Single 1965: "Engine Engine #9" / "The Last Word In Lonesome Is Me" (Smash)
  • Single 1965: "One Dyin' And Buryin'" / "It Happened Just That Way" (Smash)
  • Single 1965: "Kansas City Star" / "Guess I'll Pick Up My Heart And Go Home" (Smash)
  • Album 1965: The 3rd Time Around (Smash)
  • Single 1965: "England Swings" / "Good Old Days" (Smash)
  • Album 1965: Golden Hits of Roger Miller (Smash)
  • Single 1966: "Husbands And Wives" / "I've Been A Long Time Leaving" (Smash)
  • Single 1966: "You Can't Roller Skate In A Buffalo Herd" / "Train Of Life"(Smash)
  • Single 1966: "My Uncle Loved Me But She Died" / "You're My Kingdom"(Smash)
  • Single 1966: "Heartbreak Hotel" / "Less And Less" (Smash)
  • Album 1966: The One and Only Roger Miller (RCA Camden)
  • Album 1966: Words and Music by Roger Miller (Smash)
  • Single 1967: "Walking In The Sunshine" / "Home" (Smash)
  • Album 1967: Roger Miller sings the Music and Tells the Tale of Waterhole #3 (Code of the West) (Smash)
  • Single 1967: "Ballad Of Waterhole #3" / "Rainbow Valley" (Smash)
  • Single 1967: "Little Green Apples" / "Our Little Love" (Smash)
  • Album 1968: A Tender Look at Love (Smash)
  • Album 1969: Roger Miller (Smash)
  • Single 1969: "Me And Bobby McGee" / "I'm Gonna Teach My Heart To Bend" (Smash)
  • Album 1970: Roger Miller 1970 (Smash)
  • Album 1970: A Trip in the Country (Mercury)
  • Single 1971: "Tomorrow Night In Baltimore" / "A Million Years Or So"(Mercury)
  • Single 1971: "Loving Her Was Easier" / "Qua La Linta" (Mercury)
  • Album 1972: Best Of Roger Miller (Mercury )
  • Single 1972: "Rings For Sale" / "Conversation" (Mercury)
  • Album 1973: Dear Folks Sorry I Haven't Written Lately (CBS)
  • Single 1973: "Open Up Your Heart" / "Qua La Linta" (CBS)
  • Single 1973: "Our Love" / "The Yester Waltz" (CBS)
  • Single 1974: "Whistle Stop" / "The 4th Of July" (CBS)
  • Single 1975: "I Love A Rodeo" / "Loving You Is Always On My Mind" (CBS)
  • Album 1975: Supersongs (CBS)
  • Album 1977: Off the Wall (RCA/Windsong)
  • Single 1977: "Baby My Baby" / "Dark Side Of The Moon" (RCA/Windsong)
  • Album 1979: Making a Name for Myself (20th Century Fox)
  • Single 1979: "The Hat" / "Pleasing The Crowd" (20th Century Fox)
  • Single 1981: "Old Friends" / "When A House Is Not A Home" (CBS)
  • Album 1982: Willie Nelson and Roger Miller: Old Friends (CBS)
Previous
  Bijgevoegde tabellen:
 
  • Tabel 1: Roger Miller's zevenendertig Amerikaanse C&W-hits (1960-1982)
  • Tabel 2: Roger Miller's vijftien Amerikaanse pop- en country-hits (1964-1968)
  • Tabel 3: Vijf keer "bubbling under" de Billboard Hot 100 (1965-1973)
  • Tabel 4: Roger Miller's negen albums op de Billboard LP-Top-200 (1964-1970)
  • Tabel 5: De vijf Britse pop-hits van Roger Miller (1965-1969)
  • Tabel 6: De zeven Radio London hits van Roger Miller (1965-1967)
Previous
  De geciteerde liedjes van Roger Miller zijn alle uitgebracht bij zijn muziekuitgeverij Tree Publishing Co. Inc. Op de geluidsfragmenten bij dit artikel rusten copyrights: "When Two Worlds Collide" 1961 © RCA; "Dang Me" 1964 © Smash; "Chug-A-Lug" 1964 © Smash; "King Of The Road" 1965 © Smash; "Billy Bayou" 1966 © Smash; "Walking In The Sunshine" 1967 © Smash. Ze worden hier gebruikt volgens de regels van "fair use" en "academic quoting". Een verkorte versie van dit lange verhaal over Roger Miller verschijnt binnenkort in het blad Nostalgie — schrijf voor meer informatie daarover: Rob Olthof, SMC, Postbus 53121, 1007 RC Amsterdam; e-mail: smc@caiw.nl. Bert Bossink, de auteur van dit essay, kan worden bereikt op postbus 111, 5280 AC Boxtel, Nederland, of via e-mail op: b.bossink@tref.nl.
  2002 © Soundscapes