Logo  
  | home | authors | calendar colophon | links | newsgroups | newsfeed | new | printer version |  
volume 5
februari 2003

Vijfentwintig jaar na Learning to Labour

 





  Een terugblik op de Britse cultuurstudies met Paul Willis
door Henk Kleijer en Ger Tillekens
Previous
  Cultuur- en mediastudies hebben zich inmiddels een vaste plaats weten te verwerven binnen de sociale wetenschappen. Bij de opkomst van dat vakgebied speelde het Britse Centre for Contemporary Cultural Studies, oftewel de Birmingham School, een belangrijke rol. Paul Willis droeg daar zijn steentje toe bij met zijn geruchtmakende boek Learning to labour dat in 1977 verscheen. Henk Kleijer en Ger Tillekens kijken met hem terug op de Britse cultuurstudies.
 
  It is the future in the present that hammers
freedom to inequality ...
(Willis, 1977: 120)
1 Foto rechts: Paul Willis in 1977

Aan het eind van de jaren zeventig maakten de Nederlandse sociale wetenschappen kennis met de Britse cultuurstudies. In de aanpak van het Centre for Contemporary Cultural Studies uit Birmingham, doorgaans in bewonderende tonen aangeduid met de afkorting CCCS, zagen kritische psychologen en sociologen een nieuwe mogelijkheid om de naoorlogse culturele veranderingen te onderzoeken en te duiden. Binnen de Nederlandse onderwijssociologie maakte vooral het boek Learning to labour diepe indruk. Paul Willis beschreef daarin zijn studie van een kleine groep leerlingen uit het technisch beroepsonderwijs, de rebelse "lads" en hun meer meegaande tegenhangers, de "ear'oles." De weerstand van de "lads" tegen de dagelijkse orde van de schoolklas, werd door Willis op knappe wijze geïnterpreteerd als een vorm van verzet tegen de meritocratische selectie in het onderwijs. Daar kwam bij, dat Willis op praktische wijze de mogelijkheden liet zien van het kwalitatieve onderzoek.

Zijn boek, dat in 1977 verscheen, maakte letterlijk en figuurlijk school en Willis kwam herhaalde malen naar Nederland om zijn analyses toe te lichten. Vijfentwintig jaar na het verschijnen van Learning to labour toog hij in december 2002, op verzoek van de Nederlandse onderwijssociologen, opnieuw naar Amsterdam, ditmaal voor een terugblik op zijn academische loopbaan. We namen die gelegenheid te baat voor dit gesprek. Direct na afloop van een eerder interview met Anja Vink voor het NRC Handelsblad komt Willis opgewekt binnenlopen en complimenteert ons met het niveau van de Nederlandse pers. Het is zeker tien jaar geleden dat we hem voor het laatst hebben gezien en hij is duidelijk ouder geworden, zo tegen de zestig. Maar, hij gaat nog steeds gekleed in zijn onafscheidelijke combinatie van spijkerbroek en leren jas, waarmee hij zijn arbeidersklasseherkomst nadrukkelijk accentueert. Het onderwerp van het gesprek komt al snel op zijn werk. Ook op dat punt lijkt hij weinig veranderd. We steken daarom direct van wal.

2 Kleijer: Je loopbaan wordt gemarkeerd door vier boeken. De eerste twee werden geschreven in Birmingham: Profane culture en Learning to labour. Voor het eerste boek, over de subculturen van de hippies en "bikers", werd het materiaal al verzameld in 1969 en 1970. In 1972 promoveerde je in Birmingham op het onderzoeksverslag. In 1978 volgde de boekuitgave, vrijwel direct na het succes van Learning to labour dat in 1977 was verschenen. Daarna volgden nog Common culture in 1990 en, meer recent, The ethnographic imagination uit 2000. De inhoud van Learning to labour tekent je belangstelling voor de relatie tussen school en werk, een van de onderwerpen uit je jaren als Senior Research Fellow bij het CCCS. In 1980, twee jaar na de publicatie van de eerste twee boeken verkaste je naar de Universiteit van Wolverhampton, naar de afdeling Media Studies ...
  Willis: Mijn overgang naar mediastudies was echt een toevallige samenloop van omstandigheden. Ik zie mezelf eerst en vooral als een sociale wetenschapper. Bij belangrijke onderdelen van mediastudies ontbreekt het, naar mijn idee, in dat opzicht aan de juiste theorievorming. Ik voel me daar niet echt bij thuis. Mijn aanstelling werd voor een deel gefinancierd door de Universiteit van Väkskö in Zweden. Ik had als taak om het onderzoeksprogramma verder te ontwikkelen en dat verschafte me een vrijgestelde positie. Daarom was ik niet direct betrokken bij het inleidende onderwijs in het vakgebied. Als hoofd van de afdeling, heb ik natuurlijk wel een algemeen overzicht van het veld.

Kleijer: Ik stel de vraag vanwege een opvallend feit. Hoewel je de meeste tijd bij mediastudies hebt doorgebracht, word je naam in publicaties op dat terrein maar weinig genoemd. Wanneer het CCCS wordt vermeld, betreffen de verwijzingen meestal het werk van Stuart Hall en anderen op het terrein van de tekstanalyse. Net als die van Angela McRobbie, schittert jouw naam door afwezigheid. Binnen de sociologie en met name de onderwijssociologie ligt dat precies omgekeerd. De AERA, voluit de American Educational Research Association vierde het vijfentwintigjarig bestaan van Learning to labour dit jaa al eerder. op Je werk lijkt daarmee niet echt te zijn doorgedrongen in het veld van de mediastudies ...

  Willis: ... of in dat van de cultuurstudies. Het meest simpele antwoord op je vraag is, dat ik me ook nooit heb beziggehouden met mediastudies. De meer complexe achtergrond is te vinden in de ontwikkeling van de cultuurstudies. Met name na de succesvolle export van dit vakgebied naar Amerika, splitste het nieuwe vak zich op in een veelheid van invalshoeken: postkolonialisme, discoursanalyse, poststructuralisme, literatuurkritiek, mediastudies, mediareceptie en noem maar op. Er is al met al nogal wat veranderd, sinds Richard Hoggart een begin maakte met het CCCS. Mijn eigen achtergrond ligt in de Engelse literatuurwetenschap en -kritiek, zoals die in Cambridge werd gegeven. Op mijn manier ontwikkelde ik daar een sociologische variant van. In Cambridge leerden we een vorm van close-reading. Je kreeg een gedicht voorgeschoteld en je moest dan reageren op de woorden, zoals die op de pagina stonden. Het was de bedoeling dat je verklaarde hoe de woorden "werkten". In mijn onderzoek probeerde ik die zelfde literaire techniek toe te passen op actuele culturele vormen. In mijn onderzoek naar de subcultuur van de "bikers", dat in Profane culture valt na te lezen, stelde ik bijvoorbeeld de vraag hoe de motor fungeert als een verzameling symbolen: de afgeronde handvaten, het blinkende startpedaal — de hele manier waarop de machine door de gebruikers was aangepast. Je kan mijn aanpak zien als een toepassing en stapsgewijze uitwerking van de principes van de literaire kritiek op het terrein van de sociale wetenschappen.
  In de tijd van de universitaire democratisering was het Centrum een opwindende plaats. We hadden een vorm van studentenzelfbestuur. Stuart Hall, die van 1969 tot 1979 directeur was, had een heel speciale kijk op het collectieve karakter van wetenschappelijk werk en wetenschappelijke ontwikkelingen van buiten drongen uiterst snel door. Marxisme, feminisme en antiracisme stuurden achtereenvolgens de onderlinge discussies en ook alle varianten van het Franse poststructuralisme werden gretig geabsorbeerd. In een tijdsbestek van niet meer dan tien jaar, werden de theoretische vertrekpunten van het centrum zo'n drie tot vier keer compleet overhoop gehaald. Veel van die invloeden waren onderling tegenstrijdig. En, hoewel we tegenwoordig geneigd zijn op de Birmingham School terug te kijken als een uniform geheel, moeten we ook toegeven dat er veel verschillende disciplines in verschillende ontwikkelingsstadia in zaten samengebald, waarvan de meeste niet goed bij elkaar pasten. Zelf heb ik me dus ontwikkeld vanuit de letteren naar de sociologie en me door die reeks van overgangen heen geworsteld, met name de marxistische en de feministische wending. Sinds die Gouden Tijd van de Britse cultuurstudies is alles eigenlijk weer van meet af aan opnieuw begonnen en ik denk dat mijn terrein — dat van de etnografische studies — in feite de andere kant vormt van een ander deel van de erfenis de het CCCS heeft nagelaten.
3 Tillekens: Doel je met die uitspraak op de veelgehoorde kritiek ten opzichte van mediastudies, dat men zich daar teveel richt op de "tekst" en de mediareceptie, het "publiek", is vergeten? Die stelling is onlangs naar voren gebracht door Britse collega's van je, zoals David Miller and Greg Philo ...
  Willis: Ja, maar dat verdient wel enige uitleg. Ik heb de aanpak van de Birmingham School altijd beschouwd als een benadering, waarin de kanten van productie en consumptie samenkomen en de theorie in balans is met het onderzoek. Dat geldt nog steeds voor de etnografische methode, zoals die ik voorsta. Op die manier zou ik het onderwijs op school of het productieproces in een fabriek, of het dagelijkse leven in de kroeg onderzoeken. En zo'n zelfde omvattende aanpak zou ik loslaten op het terrein van de media. Binnen de mediastudies neemt het model van "encoding-decoding" nog steeds een centrale plaats in en daarmee krijgt de "receptie", zij het op een bepaalde manier, wel aandacht. Mijn belangstelling zou, vanuit de etnografische invalshoek, echter meer uitgaan naar de manier waarop de media vorm krijgen in het dagelijkse leven door de elektronische mediatisering en commodificering van nieuws en amusement. Raymond Williams zei ooit, dat cultuur een verhouding is tussen de elementen die samenkomen in een bepaalde manier van leven. Hij doelde daarmee — dat weet ik zeker — op symbolische codes en de receptie van daarvan, de manieren waarop daarvan betekenissen worden afgeleid en opgenomen in het dagelijkse leven thuis, op straat, in de fabriek en op school.
  Juist dat element wordt, wat mij betreft, node gemist binnen de huidige mediastudies. Twee elementen zijn aanwezig: "encoding" en "decoding", maar een derde en vierde element ontbreken: de economische kant van de zaak en, wat voor mij het belangrijkste is, het dagelijkse leven. Dat is waarschijnlijk ook de reden, waarom mijn werk binnen mediastudies niet zoveel aandacht krijgt, maar bedenk wel dat mediastudies een breed veld is, met zeker wel tien verschillende richtingen. Daar staat tegenover dat voor deze thematiek een groeiende belangstelling bestaat binnen de sociologie en antropologie, met name in de Verenigde Staten. Learning to labour wordt nog steeds goed verkocht en loopt zelf steeds beter binnen de onderwijssociologie. In zekere zin, zo zou je kunnen zeggen, heb ik de cultuurstudies ingeruild voor de antropologie en de sociologie. Ik heb daar geen probleem mee. Het tijdschrift Ethnography, waar ik me tegenwoordig mee bezig houd, richt zich ook doelbewust op die wetenschappen.
  Mediastudies zijn ook zeker niet de enige erfgenaam van de klassieke Britse cultuurstudies. Het is een van de bouwstenen voor het bouwwerk van een meer omvattende sociale analyse, net als etnografisch onderzoek. Die laatste vorm van onderzoek is niet gemakkelijk. Je kan natuurlijk samen met je onderzoeksgroep voor de televisie gaan zitten en dat levert ook beslist nuttige informatie op. Maar het is een stuk lastiger om te achterhalen in welke vormen dat kijkgedrag terugkeert op de werkvloer of op school. Maar, etnografisch onderzoek naar mediareceptie is heel goed mogelijk. Dat heeft Dorothy Hobson al in 1982 laten zien in haar boek Crossroads over televisiesoaps. Zij is overigens op dit moment in Wolverhampton bezig aan een nieuw boek, ook in een poging om daar iets van een onderzoekstraditie te vormen. Belangrijk vind ik, dat dergelijk onderzoek niet bij voorbaat alles inperkt en ruimte overlaat om te bekijken hoe de kanalen van onze cultuuroverdracht zijn gecommodificeerd en gemediatiseerd. De belangrijkste vraag rond de media betreft, voor mij, welke vrijheidsgraden er overblijven gegeven de huidige veranderingen in de informatievoorziening.
4 Kleijer: Ik wil weer iets terug gaan in de tijd en overstappen naar Learning to labour, een boek dat — zoals je al aangaf — kan bogen op een positieve ontvangst onder sociologen. Dat is misschien ook niet vreemd. De analyse vertoont een opvallende overeenkomst met de manier waarop Robert K. Merton eerder al de mogelijke reacties beschreef op de stijgingsideologie van het onderwijs. Je kan het boek zelfs zien als een illustratie van een van die reactiewijzen, te weten "verzet". Anthony Giddens gebruikte het verhaal in 1984 om er zijn theorie over structuratie mee te verhelderen ...

Willis: Ik weet niet goed hoe mijn analyse zich verhoudt tot de klassieke sociologie. Zoals ik al zei, vormt de literatuurwetenschap mijn achtergrond. Esthetische creativiteit in geschreven vorm was mijn vertrekpunt, maar langzaam verschoof mijn belangstelling. Ik merkte dat ik nog steeds op zoek was naar hetzelfde, maar meer en meer, in het spoor van de democratisering van de jaren zestig, binnen de cultuur van het alledaagse leven. Op dat punt had Cambridge uiteindelijk niet veel te bieden. Het blootleggen van de menselijke creativiteit was dus het belangrijkste motief van mijn etnografische activiteiten en is dat, dwars door al die golven van marxisme en feminisme heen, nog steeds. Als humanistisch wetenschapper beoog ik een theoretisch geïnformeerde humanisme, waarin nog iets van die creativiteit bewaard is gebleven.

  Vanuit dat perspectief probeer ik, naar mijn idee en dat heb ik ook zo goed mogelijk trachten uit te spellen in The ethnographic imagination, een kijk te ontwikkelen op culturele productie en creativiteit, binnen historische kaders vanzelfsprekend en rekening houdend met de bestaande vormen van discursief gedrag. Het is een etnografisch vorm van poststructuralisme, zo zou je kunnen zeggen, die tracht na te gaan hoe mensen in het alledaagse leven creatief omgaan met bestaande symbolische systemen en gebruik maken van discursieve hulpbronnen. Zo bezien, gaat Learning to labour, net als mijn meer recente werk, over vormen van de culturele productie van betekenis en zingeving in het alledaagse leven. Het boek is vaak in een sociologische dwangbuis gestopt van begrippen als "verzet" en "anomie". Maar, waar het allereerst om draait, is de manier waarop betekenissen worden geproduceerd binnen een bepaalde context.
5 Tillekens: Het boek staat vol met krijgslustige metaforen. De school wordt gepresenteerd als een "arena", waarin verschillende actoren dagelijks de strijd met elkaar aanbinden in een gevecht om de betekenis van het onderwijs. Acht je dat soort begrippen nog steeds zinvol?
  Willis: Die vraag valt deels samen met die andere, uiterst interessante vraag hoe je de resultaten van etnografisch onderzoek opschrijft. Daarbij gaat het, naar mijn idee, niet louter en alleen om wetenschappelijke criteria. Het is ook een uitbreiding van een literaire techniek, die als zodanig stevig wordt toegepast in poststructuralistische en postmoderne kringen. Dat roept natuurlijk de wetenschappelijke vraag op, of en hoe je een onderzoek in dit opzicht kan repliceren. Ik begrijp dat argument goed. Ik moet er dan ook aan toevoegen, dat mijn manier van presenteren een doelbewuste constructie vormde. Ik was meer dan bereid om een literaire techniek toe te passen om een specifieke interpretatie van mijn analyse te bevorderen. In dat opzicht beschouw ik de sociale wetenschappen ook echt als sociale wetenschappen, dat wil zeggen met een sterk humanistische inslag. De lezers worden ook niet geacht om een metafoor in zijn volle omvang door te trekken als de basis van een complete theorie. Ik mobiliseerde dat soort metaforen juist om te benadrukken dat er een zekere mate van creativiteit, activiteit en rationaliteit aanwezig is binnen subculturen die tot dan toe vooral werden gezien als pathologisch en deviant.
  Dat neemt inderdaad niet weg, dat de resultaten van hetzelfde etnografisch onderzoek binnen verschillende disciplines op verschillende manieren kunnen worden uitgewerkt en gepresenteerd. Dat is, denk ik, ook deels het gevolg van de rijkdom van het etnografisch onderzoek. Maar, wat ik in Learning to labour wilde laten zien, was welke vorm culturele productie aanneemt in een context van dwang in combinatie met een emotionele afstandname ten aanzien van het onderwijs. In die specifieke situatie neemt culturele productie dan de vorm aan van verzet. Maar, zelfs de betekenis van dat begrip "verzet" kan niet veel verder worden doorgetrokken. De "lads" waren geen verzetsgroep. In feite, zoals ik ook liet zien, waren ze behoorlijk conservatief en het resultaat van hun verzet was een passieve reproductie van de sociale orde. De jongens oefenden uiteindelijk de houdingen en routines in van de ongeschoolde arbeid.
6 Kleijer: Al met al was het om die reden ook een uiterst somber boek. Ik las ooit een bespreking met de plastische omschrijving: "Er druipt een melancholisch pessimisme uit de bladzijden van dit boek." Dat hing niet noodzakelijkerwijs samen met de analyse. Een paar jaar later schreef je een artikel voor een bundel van Len Barton en Stephan Walker en dat had een veel optimistischere toonzetting.
  Willis: Ja, dat van dat pessimisme klopt wel. Bedenk wat ik zei over het zinspelend en metaforisch karakter van de etnografische beschrijving. Die stijl van schrijven is een absolute noodzaak voor de manier waarop in dit type onderzoek de werkelijkheid wordt weergegeven. Het is altijd een constructie en geen reflectie van de werkelijkheid, waarin zaken worden uitvergroot en geprojecteerd door middel van literaire vormen. Daarom zijn er ook altijd veel verschillende manieren om die metaforen te lezen. Ik denk achteraf dat veel van de metaforen die ik hanteerde, nogal heroïsch waren. Ze cirkelden rond het thema van het verzet tegen beter weten in. Daarnaast was er ook een esthetisch gevoel van ironie, wetend wat de toekomst zou brengen en wat de jongens onvermijdelijk zou overkomen.
  Een etnografische tekst staat altijd relatief los van de werkelijkheid die zij beschrijft. Je kan daar, denk ik, op verschillende manieren tegenaan kijken. Vanuit mijn bredere sociologische invalshoek of, zo je wilt, doelstellingen, hanteerde ik bij het schrijven het klassieke idee van de prolepsis, de anticipatie op de onvermijdelijke uitkomst van het noodlot, een melancholische kijk op de werkelijkheid waarin de toekomst is voorbestemd, maar tegelijkertijd door de betrokkenen zelf actief als een eigen keuze moet worden beleefd. Daarbij gaat het dan om de manier waarop actuele keuzes zelf de oorzaak vormen van de valkuilen van de toekomst. Het was mijn bedoeling om dat te benadrukken. Maar, de kern van mijn verhaal zie ik nog steeds als een beschrijving van de manier waarop betekenissen worden geproduceerd en de complexe wijze waarop die betekenissen ingebed raken in structuren die vervolgens op ironische wijze resulteren in een tegenovergestelde uitkomst. Dat was een van de literaire mogelijkheden die voorhanden was. Over die keuze valt te discussiëren, maar als je mijn aanpak bekijkt vanuit een humanistisch perspectief, zoals ik doe, dan zit er ook altijd een zekere openheid in. Er bestaat, zo laat de beschrijving zien, een spanning tussen de culturele creativiteit van de jongeren aan de ene kant en het uiteindelijke resultaat daarvan aan de andere kant. Maar, en dat is belangrijk, tegelijkertijd toon ik aan dat die spanning ook op sociologische wijze kan worden geanalyseerd. Daarmee stelt het boek, in culturele zin, de therapeutische vraag naar de mogelijkheid van verandering. Is het mogelijk om onvermijdelijke uitkomsten te voorkomen door een beter begrip van de situatie? Naar mijn idee was dat de belangrijkste boodschap die het boek uitdroeg.
7 Tillekens: In het boek lijkt er sprake van een permanente confrontatie van de arbeidersklassecultuur van de leerlingen met de middenklassencultuur die de school uitdraagt.
  Willis: Ja, maar dat geldt niet voor de categorieën leerlingen die in het boek worden beschreven. Dat is ander misverstand. Beide groepen leerlingen, de "lads" zowel als de meer meegaande "ear'oles", waren afkomstig uit en geworteld in de arbeidersklasse en ik beschreef de onderlinge verschillen voorzover die op dat punt in hun levensloop zichtbaar waren. Daar waren later ook wel de nodige verschuivingen in te zien, afhankelijk van toevallige omstandigheden en de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt.
  Tillekens: Toch laat het verhaal, alles bij elkaar genomen, bij de lezer een negatief beeld achter van de cultuur van de middenklasse: in hoge mate geïndividualiseerd, gepolijst en daarmee minder ook minder authentiek dan de cultuur van de arbeidersklasse.
  Willis: Zoals ik al zei, had ik voor mijn beschrijving een literair kader nodig. Ik moest de tegenstellingen een dramatische vorm geven. Dat wil niet zeggen dat er sprake is van bewuste vertekeningen, maar je ontkomt ook niet aan een zekere mate van projectie. Als je een groep tot leven brengt, gaat dat altijd ten koste van de werkelijkheid van een andere groep. Je zou kunnen zeggen, dat ik geen volledig beeld heb gegeven van de schoolse werkelijkheid destijds. Er zit wel iets in de stelling, dat mijn beschrijving van de middenklassencultuur eerst en vooral een tegenbeeld was: minder creatief in het dagelijkse leven, meer individualistisch en instrumenteel ingesteld, mogelijk als gevolg van volgzaamheid ten aanzien van de maatstaven van het sociale prestige. Ik heb daar ook wel mijn redenen voor. Mijn argument is, dat er een bepaalde vorm van vrijheid zit in de arbeidersklassecultuur — en opvalled genoeg vormt die juist het tegenovergestelde van de melancholische visie waar we het eerder over hadden. Op de een of andere manier lijkt de alledaagse cultuur van de arbeidersklasse in staat om de warenvorm in zich op te nemen en van haar gecommodificeerde betekenissen te ontdoen, en dat op een manier waartoe de middenklasse zelf niet in staat is. Daarop berust ook de fascinatie van de middenklasse voor de uitdrukkingsvormen van de arbeidersklasse, die in de populaire cultuur zichtbaar zijn.
  In mijn laatste werk betoog ik, dat het onderwijs een vroegmoderne formatie is en formuleer ik de vraag naar de betekenis daarvan voor de onderliggende klasse. Brengt de huidige, elektronisch gemediatiseerde cultuur met al haar gecommodificeerde betekenisinhouden daar verandering in? Dat is een belangrijke vraag. Is het een nieuwe manier om mensen op hun plaats te houden, of levert het hen nieuwe uitdrukkingsvormen op voor een cultureel bemiddelde zelfkennis die op de een of andere manier nuttiger zal blijken te zijn dan de gestroomlijnde, geïnstitutionaliseerde, geïndividualiseerde en gecertificeerde kennis van de school? Aan de ene kant zit daarmee een lijn in mijn werk, waarlangs ik probeer om de culturele veranderingen in de klassenverhoudingen aan te geven. Aan de andere kant is er een meer constante lijn waarin ik ondergeschikte culturen probeer te zien als op de een of andere manier creatiever dan de gevestigde middenklassenculturen. Dat neemt natuurlijk niet weg, dat er sprake is van convergentie op het punt van de mediatisering onder de postmoderne levensvoorwaarden. Het dagelijkse leven van iedereen is verzadigd van de elektronische media. Jongeren uit de middenklasse kunnen zich overdag op de universiteit de toneelstukken van Shakespeare of de principes van de elektrodynamica eigen maken, terwijl ze 's avonds in de bar hun vrije tijd vullen met kleding en muziek die ontleend is aan hun leeftijdgenoten uit de arbeidersklasse. Op dat punt is er sprake van convergentie, maar toch denk ik dat er belangrijke grenslijnen zijn tussen de beide categorieën.
  Als we het vakgebied van de culturele analyse meer bij de tijd willen brengen en de voortdurende veranderingen in klassengebonden culturele vormen in beeld willen brengen, zullen we het verouderde Engelse model van een op alle punten gescheiden arbeidersklasse- en middenklassencultuur achter ons moeten laten. Je zou kunnen zeggen, dat Learning to labour nog op dat model was gebaseerd. Hoe dan ook, het is nu hard nodig om de verschillen tussen klassegebonden culturen te bekijken op basis van een andere dynamiek. De elektronische overdracht en commodificering van cultuur maakt daar een essentieel onderdeel van uit. Maar, zo luidt mijn stelling, de manier waarop daarvan gebruik wordt gemaakt, vertoont onderliggende verschillen.
8 Kleijer: Je publiceerde Learning to labour in 1977. Rond diezelfde tijd liet ook het verschijnsel "punk" van zich horen en dat vormde ook het vertrekpunt van het boek van Dick Hebdige, Subculture. The meaning of style (1979). Hebdige beargumenteerde dat er met die stijl op cultureel vlak iets essentieels was veranderd. Zelf heb je ooit gezegd, dat je de arbeidersklassecultuur in Learning to labour nog net op haar laatste hoogtepunt had weten te vangen. Diezelfde notie van culturele verandering ligt ten grondslag aan je boek Common culture, waarin je het zelfs hebt over een "culturele waterscheiding," waaraan nieuwe vormen van gemeenschap ten grondslag liggen. Hoe zit dat precies?

Willis: In dat boek noemde ik dat "proto-communities," proto-gemeenschappen. Ik zie het als een deel van mijn taak als sociaal-wetenschapper en als die van de progressieve sociale wetenschappen, met inbegrip van de onderwijswetenschappen, de antropologie, de sociologie en de cultuurstudies, om tot een beter begrip te komen van die nieuwe grondslagen van gemeenschappelijkheid. De klassieke Engelse kijk op gemeenschappen is altijd sterk gerelateerd geweest aan gescheiden klassenculturen en in het verleden hebben we van de arbeidersklassecultuur ongetwijfeld een te coherent beeld geschapen. Maar, culturen overlappen elkaar altijd en ze zijn ook altijd op bepaalde manieren met elkaar verbonden. In dit opzicht spelen de staat en allerlei instituties, zoals de school, een belangrijke rol. Toch denk ik, dat Learning to labour een aantal grondslagen laat zien van gemeenschapsvorming binnen de arbeidersklasse. Voor een belangrijk deel ligt daarin ook de reden voor mijn betrokkenheid op het vraagstuk van de cultuur. Ik zag cultuur als een belangrijke verbindende schakel tussen de materiële infrastructuur en gemeenschapsvorming, bijvoorbeeld in een fabriek, een wijk of een camping. De vormen van betekenisgeving, leefstijlen en taalroutines, al die zaken waren erop gericht om een duidelijk herkenbare cultuur vorm te geven met een eigen manier van communicatie en een bepaald soort kennis, die op zichzelf weer de basis legde voor andere, meer politieke vormen van klassenorganisatie, zoals de vakbond en de Labour Party. En ik denk, dat dit beeld nog steeds wel opgaat voor de situatie in de jaren zeventig.

  Vanaf die tijd is de materiële basis voor dat type gemeenschapsvorming echter compleet vernietigd. De sluiting van grote fabrieken, de uitholling en commodificering van de cultuur hebben de lokale tradities naar de marge gedrongen en de politiek tot een geïndividualiseerde aangelegenheid gemaakt. De enige uitweg voor de Labour Party om terug te keren in het centrum van de macht, was om die lokale gemeenschappen te laten schieten en in te ruilen voor de hedendaagse mediatechnieken van focusgroepen en image-building. Blair heeft zich daarin uiterst bedreven getoond. Ik ben nog steeds lid van die partij, zij het met nodige scepsis, want ik heb nog steeds een voorkeur voor "links" boven "rechts". Maar, een deel van het probleem waar we het over hebben, is natuurlijk dat dit verschil tussen "links" en "rechts" aan het oplossen is. De facto zijn de sociaal-democraten in het parlement in veel opzichten radicaler dan de vertegenwoordigers van Labour. Dat hangt voor mij dus weer samen met die sociologische vraag, wat er gebeurd is met de vorming van gemeenschappen. Politiek is altijd nauw verbonden met gemeenschapsvorming op het niveau van het alledaagse leven. Voor mij is het een belangrijke notie van communicatie en meningsvorming, dat politiek een onderliggend niveau van communicatie en gedeelde betekenissen veronderstelt die kunnen worden gemobiliseerd in politieke stellingnamen en organisaties.
  Om maar weer een metafoor te gebruiken: als je geen zee hebt van betekenissen, kunnen organisaties ook niet boven komen drijven. Op dat punt staan we, denk ik, op een omslagpunt. We zijn de oude vormen van gemeenschappelijkheid kwijt geraakt, maar willen ook nog niet accepteren dat we allemaal gemediatiseerde en geïndividualiseerde subjecten zijn geworden. De wetenschappelijke vraag zal dan ook niet zozeer door de sociologie als wel door de etnografie moeten worden beantwoord. We zullen namelijk in de alledaagse werkelijkheid moeten nagaan, of en in hoeverre het actuele sociale en culturele leven verder gaat dan de theorieën waarover we beschikken. Welke nieuwe vormen van gemeenschappelijkheid en cultuur doemen op aan de andere kant van de muur die is opgeworpen door de mediatisering en commodificering? In Common culture probeerde ik die vraag te beantwoorden met het concept "proto-gemeenschappen," maar het is lastig om daar de vinger op te leggen. Je vindt immers geen "proto-gemeenschappen" door naar de fabriek te gaan en op daar de werkvloer te kijken. Ook vind je ze niet op school als tegenculturen. Toch zullen de economische omstandigheden altijd hun culturele tegenkrachten oproepen, culturele mechanismen waarmee en waardoor de meerderheid van de bevolking het dagelijkse leven leefbaar houdt in hun omgang met de overheid, werkeloosheid en de buurt.
9 Tillekens: Ik heb het boek destijds vooral gelezen als een argument om de publieke ruimte meer open te leggen voor dat soort nieuwe gemeenschappen, georganiseerd rond de populaire cultuur. In mijn ogen was het toch ook een beleidsstuk. Wat is er in dat opzicht met de conclusies gebeurd?
  Willis: Dat lag volkomen buiten mijn invloedsfeer. Daar had ik niks over te zeggen. We hebben de uitkomsten van het onderzoek gepubliceerd. Maar je hebt natuurlijk gelijk en op dat punt is het boek ook vaak verkeerd gelezen. Het was eerst en vooral een politiek initiatief. De fondsen waren gefourneerd door de Gulbenkian Foundation, die wilde bekijken in hoeverre haar bemoeienissen met cultuurspreiding onder jongeren moesten worden bijgesteld. Voor hen schreef ik in 1990 het rapport Moving culture, en Common culture gaf daar een meer academische uitwerking van. Het onderzoek was, dat moet ik toegeven, niet echt uitgevoerd op een manier die ik wetenschappelijk verantwoord vind. Ik was zelf doorgaans niet direct bij het veldwerk betrokken en alle deelonderzoeken hadden een eigen onderzoeksagenda. Er liepen allerlei dingen door elkaar. Ik moest toen een gemeenschappelijke noemer vinden, waar ik alles onder kon scharen en daarvoor koos ik de meest algemene: culturele creativiteit. Ik kon daardoor ook niet diep ingaan op zaken als commodificatie en decommodificatie, maatschappelijke reproductie en de sociale dwarsverbindingen in het gebruik van culturele producten. Het was gewoon niet mijn eigen etnografisch onderzoek en bovendien miste ik het belangrijke aspect van een longitudinale opzet. Bij mijn onderzoek voor Learning to labour had ik kunnen zien wat er met de jongens gebeurde nadat ze de scholl hadden verlaten. Common culture beschrijft wel de passie die sommige jongeren hebben voor popmuziek, maar niet wat daar later van overblijft of mee gedaan wordt. Het is een horizontale dwarsdoorsnede in de tijd.
  Tillekens: Op dat punt bood het boek een fraai doorkijkje, maar toch werd het heftig bekritiseerd. In een bespreking in het internet-tijdschrift Culture Machine noemde Rupa Huq het zelfs vorig jaar nog een abominabel boek ...
  Willis: Ik kan me daar wel iets bij voorstellen. Voor mensen in de praktijk van het jongerenwerk is het gewoon te breed opgezet. Zelf vind ik, dat daar juist de kracht van het boek ligt. Er zijn maar weinig boeken uit die tijd, waarin de manier waarop jongeren actief omgaan met populaire cultuur in de volle breedte wordt geschetst. De beschrijving blijft daardoor ook wel aan de oppervlakte steken en dat is weer een ander probleem. Vooral vanuit een sociologisch of politiek-economisch perspectief zou je die kritiek op het boek kunnen geven. Het kan abusievelijk worden gezien als poging van mijn kant om op de lopende trein van het postmodernisme te springen. Mijn concept "culturele creativiteit" wordt dan begrepen als instemming met de stelling dat jongeren tegenwoordig vrijelijk gebruik kunnen maken van alles wat hen voor de hand komt en dat ook daadwerkelijk doen: "Anything goes." De beperkingen van het cultureel kapitaal en de invloed van het sociaal prestige dat aan cultuur kleeft, komen in het boek te weinig aan bod.
10 Kleijer: Dat brengt me tot de meer algemene vraag, wat je eigenlijk voor ogen staat met het soort boeken dat je schrijft. Je mengt je doorgaans niet direct in lopende beleidsdebatten of wetenschappelijke discussies ...
  Willis: Soms toch wel, maar het gaat me vooral om het doorbreken van bepaalde barrières en het openleggen van een bepaalde kijk op de dingen en dat lukt af en toe ook. Ik krijg bijvoorbeeld brieven van mensen die in de gevangenis zijn beland en daar de tijd hebben gevonden om Learning to labour te lezen. Ze schrijven me en vertellen dat de barrière tussen hand- en hoofdarbeid hebben overbrugd en door het boek meer inzicht hebben gekregen in hun eigen ontwikkelingsgang. Voor hen opent het boek de mogelijkheid om dergelijke etnografische verslagen te gebruiken als een soort culturele therapie, in de welhaast klassiek-Freudiaanse betekenis van dat woord. Ze kunnen — ik herhaal daarmee wat ik eerder zei — de culturele formatie die hen heeft gevormd, blootleggen en de ironische effecten van de maatschappelijke reproductie trachten te vermijden. Ik heb op dit moment bijvoorbeeld een promovendus, die net een boek heeft gepubliceerd over schoolculturen. Hij was ooit een "biker" en kreeg per toeval Profane culture in handen vanwege de grote foto op de kaft. Hij kwam langs en vertelde me dat het boek hem veranderd had in een socioloog. Hij had nooit diep over zijn eigen ervaringen nagedacht en het boek had hem aan het denken gezet over de achtergronden van zijn liefde voor popmuziek en motoren. Dat zijn individuele gevallen en ik wil het effect van die boeken ook weer niet overdrijven. Zo belangrijk zijn ze niet.
  Waar het om gaat, is dat cultuur door iedereen kan worden bediscussieerd en daarmee worden opengelegd. Dat was ook het centrale idee van het culturele project achter Moving culture. Die titel heeft niet voor niets meerdere connotaties. De gedachte was om de cultuurpolitiek, en dan met name die van de Gulbenkian Foundation, te verschuiven van een ondersteuning van de hoge cultuur naar de populaire cultuur. En iets daarvan is ook wel gelukt. Zij hebben hun subsidiecriteria aangepast en een aantal muziekprojecten en dergelijke gefinancierd. Op het eind van dat boek lanceerde ik een idee, dat me het verwijt een idealistische stellingname kan opleveren. Het ging om wat ik een "culturele ruilmarkt" noem, met een eigen lokale munteenheid die door de lokale politiek of door Gulbenkian zou worden ondersteund. Daarmee zouden jongeren dan gemakkelijker en goedkoper toegang kunnen krijgen tot hun favoriete culturele producten en de middelen om die zelf te produceren. Een gitarist uit een band zou op die manier bijvoorbeeld zijn gitaar wat gemakkelijker kunnen inruilen voor een beter model. Een deel van het probleem van de commodificatie, is dat de warenruil en de loonvorm altijd door middel van geld verloopt. Als je deel van het proces, de reproductieve dimensie, deels onder de beschermende vleugels van de overheid brengt, kan je mogelijk meer aandacht schenken aan de decommodificatie van de culturele inhouden.
11 Tillekens: In zeker opzicht, zo zou je kunnen zeggen, hebben de "lads" in cultureel opzicht toch het pleit gewonnen. Er wordt veel geklaagd over de trivialisering van de populaire cultuur, zoals die wordt uitgedragen in televisieprogramma's als Big Brother en bladen als het Engelse Loaded. Veel van de dingen die je in Learning to labour beschrijft als onderdelen van de cultuur van de "lads", zijn nu dagelijks en grootschalig te zien op de televisie ...
  Willis: Ik ken die stelling, maar ik deel die opvatting niet. De veronderstelling is, dat er ooit een oorspronkelijke arbeidersklassecultuur bestond, die nu via de media tot algemene norm is of dreigt te worden verheven. Voorzover zo'n arbeidersklasse al bestaan heeft, was die al aan het verdwijnen in de tijd van mijn onderzoek voor Learning to labour. Wat ik waarnam was al een cultuur waarin allerlei elementen waren opgenomen die niet direct aansluiten bij de lokale tradities: van het roken van merksigaretten, via de aandacht voor stijl en mode, tot aan het afbluffen van de leerkrachten. Wat je ziet, is dat juist die elementen verder zijn vermarktelijkt. Ze zijn opgepikt door marketeers als een van de draden in het web van de culturele consumptie die ze verder kunnen uitwerken. Ik was hogelijk verbaasd, toen een collega bij Bedrijfskunde me erop wees dat Common culture een veelgeciteerde bron is in het Journal of Consumer Affairs. Het wordt daar wel de bijbel van het kwalitatieve marktonderzoek genoemd, dat overigens qua omvang verhoudingsgewijs schriel afsteekt ten opzichte van het kwantitatieve marktonderzoek. Marktonderzoekers blijken gretige lezers van wat het cultuuronderzoek oplevert. Ze voeren dat op hun eigen manier — ze noemen het "experiental marketing" — zelf ook uit in een poging om te achterhalen hoe bepaalde producten worden gebruikt. Hun vraag daarbij is hoe een product beter in de markt kan worden geplaatst zonder gebruik van de ouderwetse methode van een mediabericht met een simpele opwekking tot kopen. Het is eigenlijk "common culture" maar dan wel zonder "ethnographic imagination."
12 Tillekens: Geldt dat ook niet voor veel hedendaags cultuuronderzoek? Neem bijvoorbeeld de stevige kritiek, die Dave Harris tien jaar geleden uitoefende op het CCCS en die valt nog steeds te horen. De Britse filosoof Esther Leslie bracht onlangs bijvoorbeeld in een lezing over de stand van zaken in het Britse cultureel marxisme de stelling naar voren, dat dit veld zich eerst van haar Marxistische uitgangspunten heeft ontdaan en vervolgens in twee delen is uiteengevallen. De ene kant houdt zich, volgens haar, vooral onledig met een routinematige toepassing van semiotische analyses van alles wat de media de kijker voorschotelen. De andere kant is weliswaar ijverig bezig met etnografisch onderzoek, maar komt bij gebrek aan theoretische onderbouwing doorgaans niet veel verder dan een vorm van sociologisch voyeurisme. Het zijn haar woorden, maar ...
  Willis: Word ik met name genoemd?
  Tillekens: Nee, dat niet ...
  Willis: Mooi, maar ik begrijp wel wat zij bedoelt. Die stelling wordt inderdaad al zo'n tien jaar lang naar voren gebracht en ik erken dat veel etnografisch onderzoek is verworden tot een gedachteloze instemming met alles wat jongeren doen. Dat is ook voor een deel het idee achter de negatieve kritiek op Common culture. Veel lezers dachten dat ik mijn kritische blik had verloren, omdat ik niet inging op de relatie tussen cultuur en structuur. In Learning to labour is daar geen gebrek aan, hoewel veel traditioneel-marxistische zwaargewichten destijds de nodige problemen hadden met het boek. Het probleem is natuurlijk dat een deel van de zaken die ik probeer te onderzoeken, met recht als postmodern kunnen worden omschreven. Je hoeft geen postmodernist te zijn om dat te onderschrijven. Daarom beschikken we ook niet over een unificerende theorie, al dachten we die in Birmingham een tijd lang in het Marxisme te hebben gevonden. Er is had aan gewerkt, maar dat liep telkens uit op een mislukking.
  Er lopen natuurlijk nog steeds genoeg orthodoxe marxisten rond in het veld van de mediastudies, denk maar aan Graham Murdock and Peter Golding. In hun ogen kan Learning to labour er waarschijnlijk net nog mee door. Maar Common culture zal voor hen ongetwijfeld de grote uitverkoop hebben betekend, in lijn met het boek Cultural populism (1992) van Jim McGuigan. Maar, nogmaals, de gebrekkige aandacht voor meer structurele zaken in Common culture hangt grotendeels samen met de beleidsdoelstelling en de horizontale opzet van het etnografisch onderzoek. Ik heb daar nu al wel voldoende over gezegd. In mijn laatste boek, The ethnographic imagination, heb ik als het ware geprobeerd om deze problematiek opnieuw kritisch te doordenken. Op dat boek valt ongetwijfeld ook wel het een en ander aan te merken, maar niet dat ik de structurele kant buiten beschouwing laat. Ik probeer daar juist het warenkarakter van de cultuur te herkennen als een vormende verzameling van impliciete sociale verhoudingen die gecentreerd zijn rond het warenfetisjisme.
13 Kleijer: Dat is een mooie aanleiding om over te stappen naar je laatste boek, dat nog niet zo lang geleden is verschenen, The ethnographic imagination. Wat me bij het lezen opviel, is een zekere verwantschap met het gedachtegoed van Theodor Adorno en de Frankfurter Schule en hun gerichtheid op de kritische waarde van de esthetiek. Volgens hen zit er op dat punt ook een kritische potentie in de producten van de massacultuur, tenminste in sommig daarvan. Dat idee maakt tegenwoordig weer opgang — ik denk daarbij niet alleen aan mensen als Douglas Kellner, maar ook aan de "Militant Esthetix" van filosofen als Esther Leslie en Ben Watson — en ik proef de aanwezigheid van een soortgelijke gedachte in de concepten die je in dit boek uitwerkt.
  Willis: Mijn probleem is, dat ik de analyses vanuit de hoek van de marxisten en de kritische theorie op het punt van de media vaak uiterst zinnig vind. Zinvoller dan wat de dagelijkse gebruikers van die media er zelf over te vertellen hebben in de beschrijvingen van het etnografisch onderzoek. Daar staat tegenover dat zij stelselmatig de vraag vermijden naar de specifieke wijze waarop de boodschappen die de media uitstralen hun ideologisch effect sorteren. Meestal lopen dergelijke analyses langs de voor de hand liggende weg: van het onbetwistbare gegeven dat de media in handen zijn van een klein aantal grote concerns, via de productie van culturele artefacten onder kapitalistische verhoudingen en al of niet in elektronische vorm, tot boodschappen die een herkenbaar ideologische kleur hebben. Mijn humanistische benadering voegt aan dat gesloten circuit, denk ik, een meer complex element toe. Een belangrijk element, omdat het deze kring openbreekt op het punt waarop de boodschappen van de media praktisch in gebruik worden genomen. En, dat gebeurt principieel op allerlei onverwachte manieren. Daarin ligt ook het "verrassingsmoment" van het etnografisch onderzoek. The ethnographic imagination sluit vrijwel naadloos aan bij de gangbare marxistisch georiënteerde analyses van de massamedia, maar dat is niet waar het boek in eerste instantie over gaat. In grote lijnen klopt dat verhaal over de invloed van de massamedia wel, maar dat verandert wanneer je de zaak bekijkt op het niveau van een specifiek product. Dan kom je niet ver met een eindeloze beschrijving van de empirische weergave van de eigendomsrechten van bedrijven, de vormen van adverteren en een uiteenzetting van de politieke determinanten. Voor mij komen die zaken samen in het gecommodificeerde karakter van de mediaproducten en is het een open vraag wat de gebruikers daar precies mee doen.
  Tillekens: Dat is toch een stellingname die een sterke overeenkomst vertoont met de kritische theorie van Adorno. Ook Adorno onderkende dat de populaire cultuur in sommige gevallen aan de gebruikers een zeker inzicht kon bieden in hun situatie. Dat aspect komt naar mijn idee ook naar voren in het begrip "penetrations," dat je al in Learning to labour gebruikte, later naar achteren schoof, maar nu laat herleven in The ethnographic imagination. Ook "penetrations" duiden op een doorbrekend inzicht in de aard van de culturele productie. Juist dit begrip werd in Nederland overigens sterk bekritiseerd bij het verschijnen van Learning to labour.
  Willis (lachend): Vanwege de seksistische connotaties?
  Tillekens: Nee, daar maakte hier niemand zich druk om. Het ging vooral om de vraag of de onderzoeker vanuit zijn ivoren toren met een beroep op een hogere waarheid kan bepalen of een opmerking van een respondent getuigt van een dieper inzicht of niet — het bekende vraagstuk van de ideologiekritiek.
  Willis: Ik zie het probleem en ik denk dat het allereerst een kwestie is van een concrete analyse. Alleen daaraan kan je afmeten of het begrip terecht wordt gebruikt. Ik moet echt zelf weer nodig eens het veld in, voordat ik daar definitief te oud voor word. En, misschien ben ik wel bezig om opnieuw het wiel uit te vinden. Maar het punt dat ik probeer te benadrukken, en dat naar mijn mening tot nu sterk onderbelicht is, betreft het communicatieve karakter van het gemediatiseerde product. Een stoel kan je tegenwoordig bijvoorbeeld niet anders zien dan als een product van de markt. Zo'n ding staat in rijen in de winkel als onderdeel van onze hedendaagse cargocultuur. Niemand weet wie het gemaakt heeft of onder welke verhoudingen het is vervaardigd. In de etalage is zijn geschiedenis verdwenen en daarmee tegelijk ook de geschiedenis van zijn productie. Het staat daar gewoon mooi te wezen. Toch is er onvermijdelijk altijd communicatie nodig om het voorwerp te verkopen en ook bij het gebruik ervan speelt communicatie een belangrijke rol. Dat brengt het object binnen in de context van een gemeenschap.
  Bij een popalbum speelt dat element van communicatie een nog veel sterkere rol. Als je naar een CD luistert, hoor je het spel van de artiesten en weet je dat eraan is gewerkt. De arbeid die aan het product ten grondslag ligt, is niet volledig verloren gegaan in het uiteindelijke product. Je luistert, letterlijk en figuurlijk, naar de uitvoering van de muziek. Ook het communicatieve aspect komt sterker naar voren. Hoewel het een massaproduct is, is elk popalbum dat op de markt komt, in zekere zin nieuw en uniek. De luisteraar moet zich een idee vormen van de kwaliteit van de muziek. Is het goede muziek, rommel of enkel herrie? Dat soort vragen wordt altijd beantwoord in de communicatieve context van een gemeenschap. Dat geeft aan dat commodificatie van de communicatie minder stabiel is dan die van goederen die gebruikt worden om de basisbehoeften te bevredigen. Daarom noem ik producten als popalbums ook "quasi-modo commodities", quasi-modo-waren.
14 Kleijer: Je besteedt daar een heel hoofdstuk aan, maar je legt niet uit hoe je aan die term komt. "Quasi-commodity" is een term die in de economie wordt gebruikt voor goederen als boeken en kinderspeelgoed en Quasimodo is de held van Victor Hugo's verhaal over de gebochelde klokkenluider die een toevlucht had gevonden in de Notre Dame van Parijs. Ik neem dus aan dat je met die term "quasi-modo commodities" zinspeelt op de mogelijkheid dat er in sommige culturele massaproducten iets schuil gaat of weggedrukt zit, dat in een bepaalde context ook weer naar buiten kan komen. Dat element, waar je op doelt is dan ongetwijfeld de "doorleefde ervaring," oftewel "lived experience," een begrip dat in je boek een centrale rol speelt ...
  Willis: Ja, dat is een sleutelbegrip en het is ook de sleutel tot het probleem. De vraag is of in en door de beleving van de eigen werkelijkheid dingen als popsongs gedecodeerd raken en of dat proces het warenkarakter van de muziek betreft of het element van de gemeenschap. Er is in popmuziek bijvoorbeeld iets voelbaar van het onderliggende productieproces, waardoor jongeren kunnen besluiten om zelf gitaar te gaan spelen en een band op te richten. De meeste van die jongeren, dat zagen we al in het onderzoek voor Common culture, gaan daarvoor niet naar een muziekschool. Ze leren het zichzelf door naar de muziek te luisteren en die na te spelen. In dat opzicht is het schrijven en uitvoeren van muziek iets anders dan het maken van een stoel. Je weet niet hoe een stoel wordt gemaakt door er in de winkel naar te kijken. Die openheid is het punt dat ik wil benadrukken en dat vind je op die manier niet direct terug bij Adorno en de Frankfurter Schule.
  Bij ethnografisch onderzoek gaat het om hetzelfde. Het is niet hetzelfde, maar wel vergelijkbaar met de manier waarop je net het woord "quasi-modo commodification" ontrafelde. Decodering, ontsleuteling, is, naar mijn idee, ook wat het etnografisch onderzoek moet beogen: het zichtbaar maken van de onzichtbare vormen van het alledaagse leven om daar tegelijk ook een meer publiek project van te maken. Dit soort onderzoek moet bijdragen aan een meer algemeen begrip van wat wij met cultuur doen en wat cultuur met ons doet. Mensen zeggen soms dat cultuur niet meer is dan een verzameling van gescheiden subculturen. Volwassenen die proberen in te breken op wat jongeren aan het doen zijn, krijgen te horen dat ze weg moeten wezen. Ze zijn met hun eigen dingen bezig en als hun stijl "mainstream" dreigt te worden, zoeken ze gewoon weer iets nieuws op. In die redenering zit wel iets. Maar het is niet het hele verhaal. Op dit punt zeg ik in The ethnographic imagination, dat we allemaal "subculturalisten" zijn geworden. Alle culturele vormen zijn gemediatiseerd en niets valt nog "authentiek" te noemen. Daarom is cultuuronderzoek geen speurtocht naar authentieke culturen door nieuwsgierige en voyeuristisch ingestelde volwassenen, die zo graag hun theorieën willen loslaten op wat anderen aan het doen zijn. De achterliggende vragen gaan ons allemaal aan: wat zijn onze culturele hulpbronnen en hoe produceren we daarmee onze betekenisgeving? Welke rol speelt de commodificatie daarbij en onder voorwaarden slagen we erin om daar doorheen te breken? En, in welk opzicht kan de publieke representatie van individuele levenservaringen daar toe bijdragen?
15 Paul Willis in Amsterdam (2002; foto: Carla Schoo)

Tillekens: Over "lived experience" gesproken ... je hebt zelf inmiddels de nodige ervaring opgedaan in het Britse universitaire leven. Je hebt daar, dacht ik, inmiddels afscheid van genomen?

Willis: Ja, maar niet helemaal. Ik ben vrijwillig weggegaan uit Wolverhampton, waar ik overigens nog steeds woon. Ik heb me "overtollig" laten verklaren. Ik had maar een kleine afdeling en de Britse universiteiten verkeren in een diepe financiële crisis. De strijd gaat nu om de studiebeurzen. Van overheidswege kregen de studenten studiebeurzen, tegemoetkomingen en leningen, maar de eerste zijn gereduceerd tot een bedrag van duizend pond, de tegemoetkomingen zijn afgeschaft en de rest moet worden geleend. De universiteiten hadden zich al ontwikkeld tot eindonderwijs voor kinderen uit de middenklasse, maar de klassendifferentiatie wordt door al die ontwikkelingen steeds sterker. Ongeveer dertig procent van de achttien-jarigen zet zijn onderwijsloopbaan voort in het hoger onderwijs, maar dat is tachtig procent van de jeugd uit de middenklasse. Daar komt bij dat zowel het onderwijs als het onderzoek meer en meer gericht wordt op de vraag vanuit het bedrijfsleven.

  Ik wil niet zeggen dat daardoor het niveau van de studenten is gedaald; dat geloof ik niet. Dat zijn gewoon de bekende paniekverhalen in de pers, waarbij mediastudies het altijd moeten ontgelden. Belangrijker is dat die gerichtheid op de arbeidsmarkt ook zwaar telt bij de beoordeling van de collectieve output. In mijn veld ligt dat niet gemakkelijk en zeker niet met de beperkte mogelijkheden in Wolverhampton. Ik heb me daarom niet verzet tegen de reorganisatie van mijn afdeling en ben nu aan het bekijken wat de mogelijkheden zijn voor een deelaanstelling bij andere universiteiten met meer mogelijkheden. Dat wil niet zeggen dat ik niks te doen heb. Ik heb mijn handen intussen flink vol aan het werk voor het tijdschrift Ethnography, dat vanaf 2000 door Sage wordt uitgegeven en waarvan ik samen met Loïc Wacquant de redactie voer. Het is een breed blad met een internationale achterban. Het is een mooi blad en ik wil iedereen die in dit onderwerp is geïnteresseerd, zeker aanraden om het eens te lezen.
   
Previous
  Literatuur
 
  • Giddens, Anthony (1984), The constitution of society. Outline of a theory of structuration. Cambridge: Polity Press, 1984.
  • Harris, David (1992), From class struggle to the politics of pleasure. The effects of Gramscianism on cultural studies. Londen: Routledge, 1992.
  • Hebdige, Dick (1979), Subculture. The meaning of style. Londen: Methuen, 1979.
  • Hobson, Dorothy (1982), Crossroads. The drama of soap opera. Londen: Methuen, 1982.
  • Huq, Rupa (2001), "Culture shock." In: Culture Machine Reviews, juni 2001.
  • Kellner, Douglas (1998), "The Frankfurt School and British cultural studies. The missed articulation." In: Illuminations, 1998.
  • Kirk, John (2002), "Changing the subject. Cultural studies and the demise of class." In: Cultural Logic, november 2002.
  • Leslie, Esther (2002), "Within spitting distance: punks, professors and philistines. Return(s) to Marx?" In: Tate Modern, 1 juni 2002.
  • McGuigan, Jim (1992), Cultural populism. Londen: Routledge, 1992.
  • Miller, David, en Greg Philo (2001), "The active audience and wrong turns in media studies. Rescuing media power." In: Soundscapes, 2001, 3, 2.
  • Tillekens, Ger (2000), "Wat moeten we nu nog met Adorno?" In: Soundscapes, 2000, 2, 4.
  • Vink, Anja (2003), "School is voor sissies. Socioloog Willis over de weerzin tegen onderwijs." In: NRC Handelsblad, Wetenschapsbijlage, 26 januari 2003.
  • Willis, Paul (1972 /1978), Profane culture. Londen: Routledge and Kegan Paul, 1978 (boekuitgave van het proefschrift: "Popular music and youth culture groups in Birmingham." Birmingham, 1972).
  • Willis, Paul (1977/1981), Learning to labour. How working class kids get working class jobs. Farnborough, Hants: Saxon House, 1977; New York: Columbia University Press, 1981 (met een nieuw voor- en nawoord).
  • Willis, Paul (1983), "Cultural production and theories of reproduction." In: Len Barton en Stephen Walker (red.), Race, class and education. Londen: Croom Helm, 1983: 107-138.
  • Willis, Paul (1990), Moving culture. An inquiry into the cultural activities of young people. Londen: Calouste Gulbenkian Foundation, 1990.
  • Willis, Paul (2000), The ethnographic imagination. Cambridge: Polity Press, 2000.
  • Willis, Paul (2002), Learning to labour: twenty-five years on. AERA Talk. Unpublished lecture, 2002.
  • Willis, Paul, Simon Jones, Joyce Canaan en Geoff Hurd (1990), Common culture. Symbolic work at play in the everyday cultures of the young. Boulder, Colorado: Westview Press, 1990.
Previous
  Een lichtelijk ingekorte versie van dit interview verscheen in Facta, 2003, 11, 2, 8-15. Voor een kort overzicht van de intellectuele geschiedenis van het CCCS zie: Norma Schulman (1993), "Conditions of their own making. An intellectual history of the Centre for Contemporary Cultural Studies at the University of Birmingham." In: Canadian Journal of Communications, 1993, 18, 1. Van de opleving van de kritische theorie op het terrein van de cultuurstudies getuigt onder meer het internet-tijdschrift Militant Esthetix met haar vele presentaties en artikelen van Ester Leslie en Ben Watson. Zie verder ook: Paul Willis (1974), "Symbolism and practice. A theory for the social meaning of pop music." Birmingham: Centre for Contemporary Cultural Studies, The University of Birmingham, Stencilled Occasional Paper, Sub and Popular Culture Series: SP 13, 1974.
  2003 © Soundscapes