Logo  
  | home | authors | calendar colophon | links | newsgroups | newsfeed | new | printer version |  
volume 6
augustus 2003

De betekenis van heavy metal

 





  Bespreking van:
  • Jeffrey Jensen Arnett, Metalheads. Heavy metal music and adolescent alienation. Boulder, Colorado: Westview Press, 1996 (196 pagina's; ISBN 0 8133 2813 6).
door Juul Mulder
Previous
  In 1996 publiceerde Jeffrey Jensen Arnett de resultaten van zijn onderzoek naar de subcultuur en fanbase van de heavy metal, de heavy-metal-scene. Zowel zijn methodologische aanpak als zijn theoretische vragen zijn nog steeds relevant, zo betoogt Juul Mulder in deze boekbespreking.
 
1 Heavy metal is ontegenzeglijk muziek, maar voor de doorsnee popliefhebber lijkt alles daar ook wel mee gezegd. Toch telt de heavy-metal-subcultuur alleen al in Amerika miljoenen trouwe aanhangers. Veel mensen ervaren dit genre in eerste instantie als cynisch en nihilistisch, en de muziek zowel als de songteksten geven daartoe ook de nodige aanleiding. Maar, wat zien en horen de "metalheads", de trouwe leden van de heavy-metal-scene, zelf in hun muziek? Welke betekenis heeft deze muziekvorm voor deze adolescenten en waar komt hun behoefte aan heavy-metal-muziek vandaan? Dat zijn de vragen die Arnett in zijn boek aan de orde stelt. Het antwoord op de laatste vraag wordt gelijk al in de subtitel gegeven: de oorzaak ligt in de vervreemding die vele van de adolescenten in de huidige westerse geïndividualiseerde maatschappij ervaren, en het gevoel van isolatie dat daaruit voortkomt. Met name onder jongeren die tot de heavy-metal-subcultuur behoren, zo geeft Arnett aan, spelen dergelijke gevoelens van vervreemding en isolatie een grote rol. De auteur voegt daar nadrukkelijk aan toe dat de heavy-metal-muziek niet aansprakelijk kan worden gesteld voor dergelijke gevoelens, maar dat deze eerder een, kwalijk, bijproduct zijn van de heersende individualistische cultuur.
2 Om die aanpak te onderbouwen laat Arnett in een sociaal-historisch overzicht van de westerse cultuur zien hoe individualistische normen en waarden aanvankelijk een bevrijding gaven van de onderdrukkende macht van kerk en staat, maar in de naoorlogse periode van de vorige eeuw zijn doorgeslagen. Bij gebrek aan alternatieve sociaal-constructieve krachten zijn de mogelijkheden tot betekenisgeving sterk geërodeerd. Op jongeren hebben instituties als kerk, staat en school veel van hun invloed verloren. Ook familierelaties zijn in de loop der tijd veel van hun cohesievormend effect kwijtgeraakt. In deze context, stelt de auteur, is het goed te begrijpen dat het steeds moeilijker wordt voor adolescenten om de ontwikkelingstaken die bij hun leeftijd horen tot een goed einde te brengen.
3 Die ontwikkeling heeft, zo geeft Arnett aan, de nodige gevolgen voor de persoonlijke identiteit en de opvoeding. Cross-cultureel onderzoek laat zien dat in culturen waar kinderen en adolescenten in de opvoeding nauw betrokken worden bij de wereld van de volwassenen, adolescenten zelden blijk geven van de ontwikkelingsproblemen die westerse jongeren tegenwoordig vertonen. Vooral voor jongens is dat belangrijk, aangezien met name de mannelijke adolescentieperiode wordt gekenmerkt door een verhoogde sensatiedrang. In traditionele culturen bieden mannelijkheidsrituelen een socialiserende context waarin die drang kan worden geuit en gericht op het leren van volwassen rollen. Het leren van zelf-regulatie staat daarbij centraal. De opvoedingscontexten waarin de benodigde rituelen plaatsvinden, waarborgen de existentiële betekenisgeving door het leren waarderen van onderlinge afhankelijkheid.
4 Arnett's boek laat zien dat er in de hedendaagse Amerikaanse maatschappij een grote groep is van jongeren, die zo vergaand beïnvloed zijn door de heersende individualistische cultuur dat ze lijken door te slaan: ze koesteren onrealistische verwachtingen ten aanzien van hun persoonlijke ontwikkeling en hun latere rol in de maatschappij. Ook is zijn stelling plausibel, dat veel van de betreffende jongeren bij gebrek aan andere betekenisgevende bronnen, in de heavy metal een alternatief zoeken om hun leven zinvol te maken. De identificatie met de heavy-metal-subcultuur, zo stelt Arnett, voorziet hen in die behoefte.
5 Het is niet moeilijk om de auteur in die redenering te volgen. Wie een heavy-metal-concert bijwoont, ziet al snel de overeenkomsten met traditionele mannelijkheidsrituelen, die sterk aan de sensatiedrang appelleren. De muziek bouwt een overdonderende muur van geluid van dreunende, beukende bas en drums, gillende en scheurende gitaren, met daaroverheen vanuit het diepste binnenste geschreeuwde teksten. Het pogoën biedt het publiek daarnaast nog eens de intense, fysieke beleving van een groepsgevecht, overigens doorgaans zonder dat het een daadwerkelijk gevecht wordt. Hoewel velen in dit soort praktijken een gebrek zien aan driftbeheersing, stelt Arnett dat ze juist een socialiserende context bieden voor het uiten van negatieve emoties, zonder daadwerkelijk gevaarlijke gevolgen voor de maatschappij. Voor de metalheads staat het effect gelijk aan catharsis en in die zin voorziet hun subcultuur hen van een middel tot zelf-regulatie. Het biedt hen tevens een lonkend perspectief op wat het volwassen leven kan bieden: een leven in de muziekwereld.
6 Op het vlak van de zingeving is heavy metal echter een substituut en uiteindelijk ook weinig constructief, zo stelt Arnett vast. De subcultuur voorziet in het schrijnend gebrek aan betekenisgeving door een stem te geven aan frustraties en woede. De muziek draagt bitterheid uit jegens de directe sociale omgeving en maatschappij in het algemeen. Het is hyperindividualisme zonder hoop op verbetering, paradoxaal genoeg met het effect op metalheads dat ze zich verbonden voelen. Hoewel een reëel perspectief op verbetering van de situatie ontbreekt, biedt het troost.
7 Arnett komt met sterke empirische argumenten om zijn beweringen te onderbouwen. In zijn boek gebruikt hij nationale studies en statistieken om verschillende karakteristieken van de Amerikaanse jeugd te bespreken. Hij baseert zijn uitspraken verder op zijn eigen ervaringen tijdens het bijwonen van heavy-metal-concerten en het luisteren naar heavy-metal-cassettes, vele informele gesprekken, interviews en enquêtes met ruim honderd metalheads: 70 jongens en 38 meisjes in de leeftijd van 13 tot 25 jaar. Een groot aantal van hen bleek vroegtijdig schoolverlater, of gaf aan niets te zien in een vervolgopleiding. Hoewel onder metalheads ook conventionele geloofsovertuigingen voorkwamen, bleek hun religieuze achtergrond overwegend atheïstisch, uit afkeer of onverschilligheid. Sommigen hingen alternatieve geloofsovertuigingen aan, zij het dat satanisme onder de geïnterviewden niet voor kwam. De groep van metalheads werd bovendien nog eens gecontrasteerd met een vergelijkingsgroep met vergelijkbare leeftijdsopbouw, maar een andere muziekvoorkeur: ruim honderd jongens en net geen tweehonderd meisjes. In deze vergelijkingsgroep kwamen conventionele geloofsovertuigingen duidelijk meer voor.
8 Naast de open vragen in het interview legde hij de metalheads een aantal gestructureerde vragenlijsten voor. Van de Offer Self-Image Questionnaire (Offer, Ostrov, and Howard, 1982) gebruikte hij een subschaal ter bepaling van attitudes naar familie toe. Sensatiedrang mat hij aan de hand van de Sensation-Seeking Scale van Zuckerman et al. (1978). And de hand van voorbeelden van roekeloos gedrag liet hij jongeren aangeven hoe vaak ze in het afgelopen jaar dit gedrag hadden vertoond.Voor de vergelijkingsgroep schreef hij het open interview om naar een meer gestructureerde vragenlijst met multiple-choice en open vragen.
9 Om uitspraken te kunnen doen over de muziek in termen van sfeer, stemming en tekstueel thema, analyseerde Arnett daarnaast nog eens ruim honderd songs van heavy-metal-albums uitgebracht tussen 1988-1992. Daartoe nam hij drie van de meest populaire mainstream metal-bands (Judas Priest, Iron Maiden, en Ozzy Ozbourne) en drie van de meest populaire speed/thrash metal-bands (Metallica, Megadeth en Slayer). Uitdrukkelijk distantieert hij zich in zijn analyse van de glam- en hardrock, die zich naar geluid, tekstueel thema en uiterlijk van de artiesten duidelijk onderscheiden van de ware heavy metal.
10 Uit de vergelijking kwamen de metalheads naar voren als een categorie met herkenbare eigenschappen. In hun antwoorden op de vragen in het open interview en op de gestructureerde vragenlijsten gaven de metalheads vaker dan andere jongeren aan slechte verhoudingen in de gezinssituatie te hebben. Ze waren meer sensatiegericht en vertoonden vaker probleemgedrag, zoals te hard rijden en het plegen van winkeldiefstallen. Ook bevestigen de gegevens het beeld dat Arnett van de subcultuur schetst als oplossing voor zingevingsproblemen. Uit de exploratieve songanalyse bleek dat de thematiek van de teksten, in tegenstelling tot publieke vooroordelen, niet oproepen tot satanisme, suïcide, middelengebruik, verkrachting en waar deze muziek zoal meer van wordt beschuldigd in de media. De thematiek en sfeer van de heavy-metal-songs verhaalt weliswaar van agressie en chaos, maar zoals uit de interviews naar voren kwam heeft dit eerder een zuiverende dan een stimulerende werking op de luisteraars.
11 Metalheads zitten, dat maakt Arnett duidelijk, in de hoek waar de klappen vallen van de voortschrijdende individualisering. Ze verschillen in dit opzicht van andere adolescenten, maar ze zijn daarmee wel exemplarisch voor bepaalde verontrustende trends onder jongeren, zoals vervreemding, cynisme en roekeloosheid. Dat is een belangrijke conclusie die we uit de studie van Arnett kunnen trekken. Een oplossing daarvoor zoeken de metalheads in hun muziek. Dat is niet in alle opzichten negatief. In de loop van het boek neemt de auteur veel vooroordelen tegenover heavy metal weg. Ook om die reden vormt het boek een belangrijke bijdrage aan maatschappelijke discussies over jongeren en hun ontwikkeling. Zoals de auteur stelt, kan heavy metal niet worden gezien als de veroorzaker van emotionele en gedragsproblemen, maar eerder als een gevolg van de heersende cultuur.
12 Toch blijven er nog wel vragen over. Zo beperkt de discussie in het boek zich voornamelijk tot mannelijke adolescenten. Dat is echter inherent aan deze studie. Het heavy-metal-publiek bestaat grotendeels uit jongens en veel van de meest verontrustende problemen van hedendaagse adolescenten komen in veel sterkere mate voor onder jongens dan meisjes. Vervreemding komt echter waarschijnlijk net zo veel voor onder meisjes, alleen zullen die dat overwegend anders uiten in gedrag, muziekvoorkeur en muziekgebruik. Om die reden alleen al zou het interessant zijn om een dergelijk onderzoek uit te voeren onder jongeren met andere muziekvoorkeuren, zoals hiphop en R&B. Speelt bij die muziekvoorkeuren de vervreemding ook een rol en zijn de oplossingen daarvoor hier even "onrealistisch"? Niet alleen kan zo een vollediger beeld gevormd worden van wat er leeft in jeugdsubculturen, maar kan ook de rol van factoren als sociaal milieu, etniciteit en geslacht in de ontwikkeling van zingeving, politieke overtuigingen en latere maatschappelijke participatie nader worden onderzocht.
   
Previous
  Juul Mulder werkt als Ph.D.-student aan de Amsterdam School voor Communications Research (ASCOR) aan een onderzoek naar de plaats die pop muziek inneemt binnen de persoonlijke ontwikkeling van jongeren. Over het onderwerp heavy metal publiceerde Wim van Noort op deze site eerder het artikel Heavy metal: rebels en religieus.
  2003 © Soundscapes