Logo  
  | home | authors | calendar colophon | links | newsgroups | newsfeed | new | printer version |  
volume 6
juni 2003

Politiek als wantrouwen en voorstelling

 





  Bespreking van:
  • Mark Elchardus, De dramademocratie. Tielt: Lannoo, 2002 (ISBN 902095072; 208 pagina's; € 17,50).
door Henk Kleijer
Previous
  In veel westerse landen is de laatste tien jaar een sterk maatschappelijk wantrouwen voelbaar in de politiek, dat vooral de traditionele politieke instituties en hun vertegenwoordigers raakt. Nederland en België vormen in dit opzicht bepaald geen uitzonderingen. Draagt de journalistiek, vooral op de televisie, actief bij aan dit wantrouwen? In zijn boek De dramademocratrie beantwoordt Mark Elchardus die vraag bevestigend. Henk Kleijer werpt hier een kritische blik op de complexe redenering van deze Belgische socioloog en weegt diens argumenten.
 
1

Een politiek van incidenten. Bestaat er nog wel zoiets als een doelbewuste politiek en een gericht overheidsbeleid? Over die vraag bestaat bij de deskundigen sterke twijfel. De recente politieke geschiedenis, zo zeggen ze, laat zich gemakkelijk — al te gemakkelijk — beschrijven als een aaneengesloten reeks van pijnlijke incidenten, affaires en vaak minder adequate reacties daarop. Denk voor Nederland maar aan de Bijlmer-ramp (1992), de val van de enclave Srebrenica (1995), de vuurwerk-explosie in Enschede (2000), de café-brand in Volendam (2001), en meer recent de moord op Pim Fortuijn (2002). Daartussendoor zorgden tal van andere zaken voor de nodige politieke consternatie, zoals de terugkerende gevallen van "zinloos" geweld. De omvangrijke parlementaire enquêtes van de laatste jaren voegden er het hunne aan toe. Belgen wijzen er fijntjes op, dat Nederland in dit opzicht niet langer onderdoet voor hun eigen gemeenschappen waar, in de loop van de jaren tachtig en negentig, een reeks van politieke schandalen en crises plaatsvond, rond onder meer de brute overvallen van de bende van Nijvel (1982-1985), de zaak André Cools (1991), de moord op de dierenarts en veekeurder Karel van Noppen (1995), de affaire Dutroux (1996) en de daarop volgende strafrechterlijke onderzoeken.

In België zowel als in Nederland struikelt de politiek, zo lijkt het, als een onhandige hordeloper over incident na incident. En, van hun kant, tonen de burgers hun ongenoegen in een nieuw soort demonstraties zoals de witte marsen en stille tochten in beide landen laten zien: optochten met kaarsen en waxinelichtjes en wakes rond geïmproviseerde monumenten die onder bloemen en knuffeldieren worden bedolven. Het zijn eerder processies dan demonstraties, die ook inhoudelijk bezien sterk afwijken van de protestdemonstraties van jaren zestig en zeventig. Toen ging de strijd tussen geprofileerde politieke partijen en trokken de politieke contestanten te hoop tegen bestaande machtsposities. Nu lijkt er sprake van een algeheel onbehagen, gevoed door een diepgaand ongeloof in het probleemoplossend vermogen van politieke instituties en, vooral, in de wil van volksvertegenwoordigers om de problemen op te lossen. Uit de publieksreacties spreekt een groeiend maatschappelijke wantrouwen ten opzichte van de overheid dat nog eens verder wordt versterkt door de manier waarop de gebeurtenissen worden voorgesteld in en door de media. Wat is er aan de hand?

  Sociale wetenschappers staan in de rij om hun bijdrage te leveren aan duiding en verklaring van deze omslag. Hun analyses lopen echter nogal uiteen. De een wijst op de teloorgang van de "grote ideologieën", waardoor het persoonlijke element in de politiek sterker op de voorgrond is getreden. De ander wijst op de "emotionalisering" van het dagelijks leven als gevolg van het wegvallen van traditionele onderscheid tussen "hoge" en "lage" cultuur. Weer een ander ziet het fenomeen als een al dan niet tijdelijk stapje terug in het proces van beschaving en innerlijke zelf-controle. Bijna zonder uitzondering waarschuwen de beschouwingen voor de gevaren van het populisme en de verleidingen van het charismatisch leiderschap. De diagnose wijst in alle gevallen op een crisis in de verhouding tussen burger en bestuur. Diezelfde conclusie is ook in de politiek al getrokken. Daar is men intussen naarstig op zoek naar middelen en mogelijkheden om het "contact met de burger" te herstellen. Maar, ligt het probleem daar nu werkelijk?
2 Aanpassingsproblemen. In zijn boek De dramademocratie geeft Mark Elchardus een andere en ook meer interessante sociologische analyse van het wantrouwen van de burgers in de huidige samenleving. Elchardus is als socioloog verbonden aan Universiteit van Brussel en leidt daar een omvangrijk onderzoeksprogramma naar sociaal-culturele veranderingen. Die onderzoeken betroffen zaken als de deelname aan het maatschappelijk middenveld, de verschillen in sociaal-culturele consumptie en het vertrouwen in de politiek. Dat laatste onderwerp resulteerde onder meer in het onderzoeksverslag Anatomie en oorzaken van het wantrouwen dat Elchardus samen met Wendy Smits in 2002 schreef. [1] In De dramademocratie, dat de schrijver zelf kenschetst als iets tussen een essay en pamflet, rekent Elchardus nu de bevindingen van dat project en de voorgaande onderzoeken door op hun theoretische en politieke consequenties. Aan de vertrouwenscrisis ligt, zo luidt zijn conclusie, een aantal bredere maatschappelijke ontwikkelingen ten grondslag. Een belangrijke factor daarbij is de sterk gestegen deelname aan het onderwijs. De samenleving is, zoals dat heet, een kennismaatschappij geworden en daar zit meer achter.
  De hogere scholingsgraad van de bevolking is zowel oorzaak als gevolg van de verdergaande rationalisering van de samenleving en de differentiatie van de maatschappelijke organisatie in afzonderlijke domeinen, ieder met een eigen logica: de productie en verdeling van goederen (de economie), van macht (de politiek), van kennis (onderwijs en wetenschap) en van cultuur (de media en de cultuurindustrie). In de laatste decennia heeft met name de cultuur zich een meer zelfstandige plaats weten te verwerven. Vorming van een culturele "habitus" vond vroeger vooral in het gezin plaats en deels in het onderwijs. Aan de persoonlijke "smaak" en culturele voorkeuren kon je gemakkelijk zien uit welk soort sociaal milieu iemand stamde. "Cultuur" droeg in die tijd ook een sterk traditioneel karakter. Er bestond een sterke consensus over wat cultureel waardevol was en zich in historisch opzicht als waardevol had bewezen. Met de opkomst van de cultuurindustrie en de massamedia beperkt de cultuur zich echter niet langer tot het behouden en overdragen van tradities. De culturele sector heeft zich ontwikkeld tot een zelfstandige bedrijfstak met een continue productie en distributie van steeds nieuwe culturele goederen op een vrije markt van vraag en aanbod.
  Niet iedereen heeft die ontwikkeling evenwel even goed kunnen bijbenen. Veel mensen hebben moeite met de maatschappelijke scheiding in verantwoordelijkheden, die voortvloeit uit de taakverdeling tussen economie, politiek, kennis en cultuur. Vroeger werden al die zaken nog ideologisch bijeengehouden door de partijpolitieke conglomeraten van de zuilen. Met de voortschrijdende secularisering, die op zich weer het effect is van de stijgende scholingsgraad van de bevolking, is dat houvast weggevallen. De onzekerheid die daaruit voortkomt, zo stelt Elchardus, vertaalt zich in een fundamenteel wantrouwen in de bestaande politieke instituties. Dat wantrouwen is op zich echter niet het enige of zelfs het grootste probleem. Belangrijker is dat het een en ander samenvalt met de verzelfstandiging van de culturele productie, waardoor de massamedia, en met name de televisie, een steeds grotere rol zijn gaan spelen in de meningsvorming van de massa. Juist de rol van de massamedia in de presentatie van de affaires zijn volgens Elchardus van beslissende invloed geweest op de specifieke vorm die sociale onvrede heeft aangenomen en die zich manifesteert als een vertrouwenscrisis tussen burger en overheid.
3 De symbolische samenleving. Het centrale idee van Elchardus' betoog is, kortom, dat de westerse democratieën in een overgangssituatie verkeren. We leven de facto in een nieuw soort samenleving, maar we weten daar nog niet goed mee om te gaan. De vertrouwde controlerende instellingen zoals het gezin, de zuilen en de daarmee verbonden sociale organisaties, hebben aan belang ingeboet. Dat gat is gevuld door de media, die de taak van sociale sturing hebben overgenomen. Die ontwikkeling is al begonnen in de jaren zestig, maar heeft zich sterk doorgezet vanaf het midden van de jaren tachtig. Met de komst van de commerciële radio en televisie — zowel voor Nederland als voor België is 1989 op dit punt het sleuteljaar — is de situatie definitief gekanteld. Het resultaat van die ontwikkeling wordt wel gekenschetst als de "kennissamenleving". Volgens Elchardus kunnen we onze maatschappij echter beter een "symbolische samenleving" noemen. Het symbolisch geweld waarmee de media het publiek bestoken, draagt immers niet zozeer een cognitief, als wel een emotioneel, affectief, en vaak zelfs irrationeel karakter. Volgens Elchardus spelen de media daarmee een belangrijke sturende rol in het veranderingsproces dat zich voor onze ogen ontrolt. Gedragsoriënterende factoren worden weliswaar nog steeds via opvoeding en onderwijs doorgegeven, maar de media en vooral de reclame oefenen een steeds sterkere invloed uit op onze ideeën, gevoelens en gedragingen.
  De kern van de boodschap die de media uitdragen — en dat is volgens Elchardus tegelijk ook de kern van het probleem — is een geloof in het individualisme. Smaken, opvattingen, emoties, motivaties, informatie, kennis en vaardigheden zijn, zo laten de media in woord en beeld weten, een kwestie van individuele keuzes, voorkeuren en beslissingen. We krijgen een wereld voorgespiegeld, waarin we voortdurend nieuwe keuzes kunnen en zelfs moeten maken. Ieder individu mag zelf bepalen hoe die keuzes uitvallen en is daar dan ook zelf verantwoordelijk voor. Die keuzes komen voort uit de unieke eigenschappen van ieder mens en, eenmaal gemaakt, bepalen ze ook weer de uniciteit van het individu. Dat idee wordt door de media in sterke mate uitgedragen. Keuzes zijn echter maar tot op beperkte hoogte vrij en de uniciteit van het individu is grotendeels een illusie, zo stelt Elchardus. Het keuzerepertoire blijft doorgaans beperkt tot een beperkte reeks van standaardproducten en de keuzeprocessen zelf zijn stevig verknoopt met vormen van sociale ongelijkheid. De uitkomst van alle keuzes die individueel worden gemaakt, is een culturele segmentering naar opleidingsniveau, leeftijd en sekse. Die segmentering wordt echter tegelijkertijd ontkent door de individualiseringsideologie en daarmee ook onzichtbaar en ongrijpbaar gemaakt.
  In de huidige samenleving, zo luidt de boodschap van de media, spelen sociale verschillen geen rol meer van betekenis. Het individu is het zelfgefabriceerde product van zijn eigen vrije keuzes. De individuele identiteit wordt geëtaleerd als de allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emoties, wensen en opvattingen. Achter alle vrolijkheid en humor waarmee die keuzevrijheid in de reclame wordt omgeven, gaat echter volgens Elchardus een nieuwe vorm van sociale contrôle schuil. De culturele segmentering laat zien dat die vrije keuzes in belangrijke mate ook "gestuurde keuzes" zijn. De individualiseringsthese, die door veel sociologen wordt onderschreven, is daarom een illusie en zelfs misleidend en ideologisch. Enerzijds oefenen collectieve identiteiten zoals levensbeschouwing nog steeds een grote invloed op het denken en doen van individuen. Anderzijds vindt via de media ook een onzichtbaar sturingsproces plaats. Op hun beurt creëren de media namelijk zelf ook weer nieuwe vormen van segmentering en segregatie langs de grenslijnen van opleidingsniveau, geslacht en leeftijd.
  Ondanks de stijging van de gemiddelde opleidingsduur en scholingsgraad is het culturele verschil tussen hoger- en lager-opgeleiden niet afgenomen. Integendeel, dit onderscheid heeft zelfs aan gewicht gewonnen ten opzichte van het meer traditionele sociale demarcatiecriterium van sociale herkomst. De meritocratische selectie in het onderwijs versterkt het verschil tussen "winners" en "losers". De nadruk op het belang van de kennis doet een groter beroep op sociale vaardigheden en het verwerken van informatie, waardoor veel laaggeschoolde mensen aan de onderkant van de samenleving afhaken. Dat verschil, zo stelt Elchardus, wordt door de media vervolgens geneutraliseerd in een culturele segmentering van de samenleving. De komst van de commerciële televisie, die zich vooral op die laatste categorie richt, is daar in zijn ogen bepaald niet vreemd aan. Voor het probleem van het politieke wantrouwen is dit verschil van cruciaal belang. De beide categorieën staan namelijk ieder in een andere verhouding tot de staat. Van hun kant hechten hooggeschoolden, de winners in het onderwijssysteem, steeds minder belang aan overheidsbemoeienis. Ze beschikken over voldoende kennis en vaardigheden om zelfstandig hun weg te vinden in de complexe werkelijkheid van de kennismaatschappij. Voor de lager-opgeleiden, de losers van de diploma-wedloop, ligt dat duidelijk anders. Ze zijn immers sterker afhankelijk van de collectieve arrangementen van de verzorgingsstaat. Toch leidt die afhankelijkheid ook bij hen niet tot een minder individualistische opstelling in politieke aangelegenheden. Een verklaring daarvoor zoekt Elchardus in de specifieke politieke constellatie van, wat hij noemt, "responsabiliteit."
4 De politieke cirkel van wantrouwen. Het individualisme manifesteert zich niet alleen in het onderwijs en binnen de media, maar maakt zich ook zichtbaar op het terrein van de politiek. Daar doorbreekt het de traditionele kringloop van de vertegenwoordigende democratie, waarin partijgebonden verkozen volksvertegenwoordigers de belangrijkste intermediërende schakels vormen tussen burger en overheid. Eenmaal gekozen zijn die relatief vrij in hun handelen. Totdat er weer nieuwe verkiezingen in zicht komen, kunnen ze daardoor zonodig de waan van de dag negeren. Het individualisme geeft echter de voorkeur aan een meer directe invloed van de burger. Daarvoor dienen zich, grof gezegd, twee mogelijkheden aan die beide uitdrukking vormen van een opvatting van volkssoevereiniteit: een constitutionele variant, waarin rechten, wetten en regels voorop staan, en een populistische variant die zich uit in een roep om meer directe democratie.
  De constitutionele variant noemt Elchardus ook wel de "rechtenbenadering". Deze politieke opvatting gaat ervan uit, dat burgerschap eerst en vooral berust op een aantal basisrechten die door de overheid moeten worden gegarandeerd. Daarvoor is een minimaal aantal wetten en regels nodig. De rest kan en moet, zoveel als mogelijk, worden overgelaten aan de individuele burgers zelf. De overheid is er dus enkel om de markt te reguleren waarop burgers zich vervolgens vrij kunnen bewegen. De taak om die regels te ontwerpen, te interpreteren en te handhaven kan doorgaans, zo is het idee, het best worden overgelaten aan deskundigen. Het is de bekende neo-liberale visie achter de "deregulering" die de laatste decennia in alle westerse landen in meer of mindere mate is doorgevoerd.
  De populistische variant stelt aanzienlijk meer eisen aan de overheid. De overheid moet zorgen voor rust, orde en vooral zekerheid. Wat dat inhoudt, is voor populisten zelf-evident. Het kan door iedereen met enig "gezond verstand" direct worden afgeleid uit het "algemeen belang". Populisten erkennen dan ook geen deelbelangen of scheidslijnen binnen de bevolking. Het volk vormt in hun ogen één geheel met een gemeenschappelijke cultuur. Als er dingen misgaan, komt dat doordat er sprake is van zelfbelang, onwil en onkunde bij de bestuurlijke elite. Populistische kritiek op de gang van zaken construeert dan ook een simpele tweedeling tussen het volk en de elite: "wij," het volk, tegenover "zij," de elite. Mensen die zich niet laten voegen in die simpele tweedeling, krijgen nolens volens hun plaats toegewezen. Wetenschappers krijgen het verwijt van nodeloze abstractie, kritische journalisten wordt toegevoegd dat ze niet weten wat er onder het volk leeft, en voor politieke tegenstanders geldt dat ze niet doorhebben wat er "in dit land" nu eigenlijk aan de hand is. Volgens populisten komen maatschappelijke problemen vooral voort uit de onbekwaamheid van bestuurders die opereren in een stroperig en ondoorzichtig middenveld. Oplossing daarvoor is een meer directe democratie die bestuurlijke tussenlagen overbodig maakt en de bestuurlijke top dwingt om te handelen in het "algemeen belang".
  Het politiek constitutionalisme en het populisme verschillen niet alleen inhoudelijk maar ook op het punt van hun aantrekkingskracht. De eerste doet een groter appèl op het segment van hoogopgeleiden, het tweede meer op het segment van laagopgeleiden. Maar, wat beide bindt is een kritische stellingname en een dienovereenkomstig wantrouwen ten opzichte van het maatschappelijke middenveld. De opkomst van deze politieke stromingen, zo stelt Elchardus in een volgende stap van zijn redenering, is de belangrijkste motor achter het verschijnsel van de "constitutionele drift". Met die term verwijst hij naar de tendens binnen de overheid om op allerlei beleidsterreinen de verantwoordelijkheid over te dragen aan non-gouvernementele of quasi-gouvernementele instanties, die niet direct onderhevig zijn aan de democratische, parlementaire controle. Dat komt enerzijds tegemoet aan de wens tot deregulering en schept anderzijds een meer directe relatie tussen burgers en overheid die beide, vanuit een gedeelde opvatting van "algemeen belang", de ngo's en quango's verantwoordelijk kunnen stellen voor de uitvoering van hun taken. "Accountability" wordt daarmee het leidende principe van de politiek. In het verlengde daarvan wordt op diverse terreinen de verantwoordelijkheid bij de burger zelf gelegd. De "mondige burger" wordt verplicht om zijn dan wel haar eigen verantwoordelijkheid te nemen voor de situatie waarin hij of zij verkeert. De burger moet zichzelf weten te redden via marktconforme mechanismen, vooral op het terrein van de sociale zekerheid en de wettelijke aansprakelijkheid. Dat leidt tot een paradoxaal effect, zo merkt Elchardus op. Om het een en ander in goede banen te leiden en de controle op de uitkomsten te verzekeren, moet de overheid niet minder maar juist meer wetten en regels gaan opstellen. Elchardus spreekt in dit verband van een "juridisering" van de samenleving.
  De juridisering van de samenleving is weliswaar niet de primaire oorzaak van het politieke wantrouwen, maar versterkt het wel. Belangrijk daarbij is de specifieke vorm die de juridisering aanneemt in het geval er zaken mislopen. Bij misstanden op individueel of collectief niveau wordt de probleemdefinitie welhaast onmiddellijk geformuleerd in termen van schuldigen en slachtoffers. Juridisering leidt zo, tot responsabilisering — het zoeken naar mensen die persoonlijk verantwoordelijk kunnen worden gesteld voor eventuele misstanden. Je zou verwachten dat het maatschappelijk wantrouwen zich met de juridisering van de samenleving zou verplaatsen van de politiek naar de deskundigen en professionals die de non-gouvernementele of quasi-gouvernementele organisaties bestaffen. De werkelijkheid is anders, zo merkt Elchardus op. Het vertrouwen van de bevolking in de experts uit de wetenschap, het onderwijs en de gezondheidszorg blijft, zo toont zijn onderzoek namelijk aan, onverminderd groot. Het maatschappelijk wantrouwen richt zich juist op politieke instellingen van de overheid en de volksvertegenwoordiging. Volgens Elchardus is dat op zich ook niet zo vreemd. Wanneer er dingen mislopen, kunnen de verantwoordelijken zich immers uiteindelijk altijd verschuilen achter de gebrekkige wet- en regelgeving en de falende controle op de uitvoering, waarvoor de centrale overheid per definitie verantwoordelijk kan worden gesteld. Het enige wat de overheid dan kan is meer regels maken en betere controlemaatregelen doorvoeren. Daarmee stijgt de kans dat nieuwe misstanden worden gesignaleerd. En, op die manier raakt de politiek bevangen in een cirkel van wantrouwen, dat groeit met elk nieuw incident.
  In de cirkel van wantrouwen spelen de media een belangrijke rol. Hun bijdrage gaat in dit opzicht aanzienlijk verder dan enkel en alleen het uitdragen van een individualistische ideologie. Twee andere zaken zijn minstens zo belangrijk. De eerste ligt in het quasi-monopolie dat de media zich hebben weten te verwerven in de politieke communicatie en meningsvorming. Van belang is daarbij zowel de manier waarop burgers worden aangesproken als de vorm die de programma's zelf aannemen. In de directe en dagelijkse confrontatie tussen burgers en politici via de media worden burgers aangesproken als individuele consumenten die op ieder gewenst moment hun keuze kunnen bepalen op grond van wat de media hen aan alternatieven voorschotelen. In de specifieke vorm van nieuwsvoorziening waarin die alternatieven aan de burger worden voorgelegd, heersen, zo geeft Elchardus aan, de principes van het human interest. Ten tweede, en sterker nog, dragen de media bij aan de productie van het politieke wantrouwen door aan te sluiten bij de trend tot responsabilisering. Het thema van schuldigen en slachtoffers vormt, aldus Elchardus, een rode draad in de programma's van vooral de commerciële omroepen. De traaglopende kringloop van de vierjaarlijkse politieke stembusgang dreigt daardoor, zo concludeert Elchardus, te verworden tot een continu draaiende, "infernale cirkel die persoonlijke frustraties verwerkt tot publiek ongenoegen." In die twee zaken, wordt de "dramademocratie" zichtbaar.
5 Feiten en ficties. De symbolische samenleving van Elchardus is een maatschappij die zichzelf cultureel vormgeeft en duidt via de mechanismen van de massacommunicatie. Op het vlak van de politiek gaat het daarbij vooral om de nieuwsvoorziening en de politieke journalistiek. De manier waarop het politieke nieuws voor het voetlicht wordt gebracht is niet neutraal. Journalisten hebben zelf soms nog de nodige moeite om dat te begrijpen. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de uitgebreide recensie van Elchardus' boek die Hans Wansink (2003) onlangs in de Volkskrant publiceerde. Volgens Wansink kunnen televisiekijkers als mondige burgers best zelf wel uitmaken wat goed voor hen is. Daar hebben ze geen bevoogding bij nodig, en zeker niet van linkse wetenschappers, waartoe hij Elchardus gemakshalve rekent. Sterker nog volgens Wansink behoort Elchardus "tot het onuitstaanbare slag linkse intellectuelen dat niet tegen zijn verlies kan en zich overgeeft aan haat jegens het televisiekijkend en Vlaams Blok stemmend gepeupel." Met die beschuldiging pareert hij de veronderstelde aanval van Echardus op zijn eigen beroepsgroep. Want, in De dramademocratie, zo schrijft hij, verschijnt "de commerciële televisie en de populaire pers als een diabolische, geheel op zichzelf staande onweerswolk boven de Vlaamse akkers." Wansink heeft dit boek, zo blijkt uit zijn vlammende proza, niet goed gelezen. Zo simpel is de redenering van Elchardus bepaald niet.
  De manier waarop de politiek door de media in beeld wordt gebracht voegt daar sowieso al iets aan toe. Nieuws is immers altijd een selectie en daarmee een uitvergroting van een deel van de werkelijkheid. De betrokkenheid van de journalistiek bij de symbolische productie is evenwel groter geworden, zo stelt Elchardus, omdat de plaats en de rol van de media zijn veranderd. Journalisten fungeren niet langer als een doorgeefluik van de politieke commentaren van anderen. De tijd dat een vertrouwenwekkende persoon het wereldnieuws op de radio en TV in een kort tijdsbestek uiteenzette en verklaarde is reeds lang voorbij. Journalisten hebben zich ontwikkeld tot actieve spelers in het spel van de politieke meningsvorming. Met de meer centrale plaats die de media zich maatschappelijk hebben verworven, maakt zich tegelijk een verschuiving zichtbaar in de manier waarop nieuws wordt gemaakt en gebracht. Die ontwikkeling berust zeker niet op kwaadwillendheid van journalisten, zo verzekert Elchardus ons. De complexere samenleving laat zich moeilijker vangen en de toenemende tijdsdruk waaronder het nieuws in steeds kortere items moet worden gevangen, doet de rest. Doorgaans beschikt een journalist domweg niet over voldoende tijd voor zorgvuldig onderzoek naar bredere achtergronden, laat staan voor het opsporen en signaleren van nieuwe trends of gedragspatronen. Dat is overigens ook niet de primaire taak van de journalist, erkent Elchardus, maar die van zijn eigen professie, de sociale wetenschap. Om de journalistieke "objectiviteit" te waarborgen, vallen nieuwsgaarders daarom in toenemende mate terug op het registreren van meningen. Soms gaat dat zelfs zover, dat nieuwsitems meer tijd besteden aan meningen over feiten dan aan de feiten zelf — iets dat ook binnen de journalistiek zelf wordt erkend.
  Met die verschuiving lijkt tegelijk de betekenis te veranderen die aan het begrip journalistieke "objectiviteit" wordt gehecht. De zakelijke beschrijving van het nieuws, al of niet gelardeerd met de visies daarop vanuit verschillende politieke invalshoeken, maakt plaats voor een meer gevoelsmatige aanpak. De meningen van de betrokkenen die in beeld worden gebracht, worden verankerd in korte verhaaltjes over gebeurtenissen. Het nieuws wordt, zo noemt Elchardus het, "evenementieel". De lezer, luisteraar en kijker moet snel een indruk kunnen krijgen van de aard van de "gebeurtenissen" vanuit zijn eigen leefwereld. De journalist moet het nieuws op die manier kunnen brengen. Dat zijn op zichzelf legitieme professionele eisen, maar daarmee verandert wel het centrale criterium van de journalistiek. Het streven naar "waarachtigheid" neemt de plaats in van het blootleggen van de "waarheid". Een "gebeurtenis" hoeft niet "waar" te zijn, maar "waarachtig". Een rapportage moet de menselijke, invoelbare "kern" weergeven van het probleem. Het nieuws wordt daarbij onder de regels gevoegd van de human interest, waarbij de grenzen tussen feiten en fictie vervagen.
  De veranderde aard van de nieuwsvoorziening wordt verder zichtbaar in de groeiende nadruk op nabijheid en directheid. Het nieuws moet echt nieuws zijn en heet van de naald worden gerapporteerd. Liefst ook van zo nabij mogelijk, door iemand die ter plekke aanwezig is. Voor veel journalisten staan "nabijheid" en "directheid" gelijk aan betrouwbaarheid. Dat zou objectiever zijn dan de resultaten van analyse en interpretatie. Hetzelfde geldt ook voor de meningen die in het nieuws worden gepresenteerd. Het commentaar van deskundigen maakt plaats voor de ooggetuigeverslagen van omstanders. Nog beter is het als journalisten zelf op tijd ter plekke zijn om de "gebeurtenis" mee te maken en het nieuws, zoals het Amerikaanse televisiestation CNN vaak doet, wordt gebracht in "real time coverage". Elchardus heeft zo zijn twijfels over dat zelfbeeld van de journalistiek. Hij noemt de "argumenten van nabijheid en directheid" retorische figuren. De studies van de psycholoog Wagenaar (2002: 23) geven hem in dit opzicht gelijk. Directheid biedt namelijk geen enkele garantie voor de accuraatheid van de waarneming. In het soort nieuwsvoorziening dat wordt geregeerd door de principes van human interest en real time coverage, wordt de burger aangesproken als een consument die op basis van gevoelsmatige en gronden partij kan kiezen. De indruk wordt wel gewekt dat de burger zijn eigen mening kan vormen op grond van zijn "directe" beleving van de werkelijkheid. Maar, voor een goede oordeelsvorming ontbreekt ten enenmale de benodigde meer afstandelijke informatie. Belangrijker nog, zo oordeelt Elchardus, is dat het een en ander leidt tot het gebruik van simplistische schemata om de "gebeurtenissen" meer begrijpelijk te maken.
  De argumenten van nabijheid en directheid leiden tot een vorm van nieuws, waarin bredere ontwikkelingen worden samengebald in kleine, literaire verhaaltjes. De achtergronden of de omvang van een nieuwsfeit zijn minder belangrijk. Het verslag van een verkeersongeluk, een aardbeving, een hongersnood, of een oorlog wordt gereduceerd tot een gebeurtenis, die verteld wordt vanuit de beleving van de direct betrokkenen. Het verhaal dat daaruit wordt geconstrueerd moet begrijpelijk zijn voor de kijker en daarmee beantwoorden aan een aantal standaardpatronen. Is een dergelijk verhaal niet snel voorhanden, dan moet het door de journalist worden gezocht, gemonteerd of eventueel zelfs worden geconstrueerd. Dat alles natuurlijk volgens het criterium van de waarachtigheid. Sociaal-economische en politieke systeemkenmerken verdwijnen naar de achtergrond om plaats te maken voor de ervaringen en motieven van de betrokkenen. Het resultaat is dat nieuwsvoorziening verandert in het regisseren van een dramaturgische voorstelling, compleet met gestandaardiseerde scenario's, scripts en typetjes. Maar, daar is volgens Elchardus nog niet alles mee gezegd.
6 Wantrouwen als mediaconstructie. Elchardus zet zijn analyse voort door deze verschuiving te verbinden met de juridisering en responsabilisering van de politiek. Tegenstellingen als die tussen de "mondige burger" en "falende instellingen" en tussen "slachtoffer" en "schuldige" vormen, zo zegt hij, ideale scripts voor het soort verhalen dat de journalistiek graag vertelt. Een politiek schandaal biedt onvermijdelijk een concreet incident waarin de "burger" zichtbaar en tastbaar kan worden gemaakt aan de hand van een individuele "case". De directe ervaringen van de betrokkene kunnen worden gerapporteerd in diens confrontatie met de politieke instellingen, die op hun beurt weer kunnen worden gerepresenteerd door personen. Zo ontstaat het beeld van slachtoffers versus schuldigen. Dit script van de "responsabiliteit" kan gemakkelijk verder worden aangevuld met nieuwe rollen. De slachtoffers kunnen worden gerepresenteerd door hun advocaten of soms zelfs de journalisten zelf, die op die manier weer de rol kunnen spelen van de "redder", de ridder op het witte paard, of beter gezegd de "mondige burger" die het dapper opneemt tegen de falende instanties. Volgens Elchardus is er inmiddels zelfs een standaardscenario gevormd, waarlangs deze en soortgelijke verhalen zich op de langere termijn bezien ontwikkelen.
  Het brede scenario van de mediaconstructie van wantrouwen verloopt, zo analyseert Elchardus, doorgaans in vijf stappen. De eerste stap omvat de definitie van het probleem. In deze stap groeit de bezorgdheid. Mogelijke misstanden worden gesignaleerd, mogelijke bewijzen worden opgezocht en mogelijke "schuldigen" en "slachtoffers" worden voor de camera gehaald. Kijkers — de man of vrouw "op de straat" — en deskundigen mogen hun opinie geven. Na deze fase van onderzoeksjournalistiek volgen als tweede stap de collectieve manifestaties: de optochten en demonstraties waarmee een breed publiek haar verontwaardiging kenbaar maakt. Hierop volgt de derde fase, waarin het schandaal in een officiële juridische of quasi-juridische sfeer belandt. Dit is de fase van de politieke enquêtecommissies, de gerechtelijke onderzoeken of de non-parlementaire controle-organen, wier bezigheden zo mogelijk direct wordt uitgezonden op de televisie. De vierde fase gaat in zodra er sprake is van daadwerkelijke politieke of juridische actie. Het centrale element vormt hier de bestraffing of eventueel de verdrijving van de "schuldigen" en "verantwoordelijken" die de rol van zondebok krijgen toebemeten. De vijfde en laatste stap omvat de speurtocht naar institutionele hervormingen die nodig zijn om herhaling te voorkomen.
  Iedere fase biedt weer de context voor kleinere nieuwsitems waarin specifieke "gebeurtenissen" worden geënsceneerd en een herkenbaar gezicht krijgen. Steeds wordt daarbij, geheel volgens de lijnen van het script van de "responsabiliteit", gewezen op de gebrekkige regels, misstanden in de regelhandhaving en diegenen die daar persoonlijk voor verantwoordelijk zijn. In iedere fase kunnen de rolpatronen een specifieke invulling krijgen. In de signaleringsfase kan de "redder" worden gerepresenteerd door de klokkenluider, in de juridische fase als die van de onkreukbare rechter. Opvallend is, zo constateert Elchardus, dat het hele scenario in feite geen betrekking heeft op een analyse, laat staan de oplossing van problemen. Het is eerder een ritueel waarmee een vertrouwensbreuk wordt bezworen. De collectieve manifestaties en de bestraffing van de schuldigen dragen dan ook in hoge mate het karakter van een louteringsritueel. Het geheel suggereert dat er iets in het politieke systeem is bezoedeld en in een collectief proces van rouw en boetedoening moet worden gereinigd. Schuld en boete zijn belangrijker dan probleemanalyses en probleemoplossingen. Elke beschrijving van een gemediatiseerde "gebeurtenis" leidt tot het aanwijzen van schuldigen die vervolgens met hun "misstappen" worden geconfronteerd en boete moeten doen voor het oog van burgers die worden neergezet als gedupeerde consumenten. De oorzaak van de problemen is voor de betrokkenen bij voorbaat gegeven. Afhankelijk van de politieke stellingname van de betreffende krant of omroep is dat de gebrekkige marktwerking bij de overheid of een gebrek aan controle op de uitvoering (rechtenbenadering), het ongebreideld kapitalisme (links populisme), of de cultuur van een andere gemeenschap (rechts populisme).
7 Verlangen naar eenheid. De vraag die overblijft is, waarom deze vorm van nieuwsgaring zo succesvol is. Voor het antwoord op die vraag schakelt Elchardus terug naar zijn analyse van de rationalisering en secularisering van de samenleving. Dit soort verhalen, zo stelt hij, spreken het publiek aan omdat ze aanhaken bij een maatschappelijk verlangen naar het herstel van eenheid. De bestaande sociale onvrede komt, zo stelt hij, eerst en vooral voort uit het feit dat de wereld van de wetenschap, kunst, literatuur en rechtsbedeling meer en meer een eigen werkelijkheid en waarheid hebben gekregen. Met die verkaveling van de werkelijkheid kunnen de meeste mensen niet goed uit de voeten. Ze zoeken naar vormen van eenheid in hun wereldbeeld waarin die elementen worden kortgesloten in een meer holistische benadering. Het gaat daarbij niet alleen om de scheiding tussen economie, politiek, wetenschap en cultuur. In een en dezelfde beweging moeten daarnaast zowel de cognitieve, affectieve als morele vermogens van mensen worden aangesproken. Aan dat verlangen aan eenheid komen de gemediatiseerde "gebeurtenissen" die de media in beeld brengen, tegemoet. En daarmee wordt de cirkel van wantrouwen gesloten, zo concludeert Elchardus.
  Het resultaat omschrijft Elchardus als een "verzuring" van de samenleving. Politiek wantrouwen wordt een normaal onderdeel van de politiek. Belangrijk daarbij is dat die ontwikkeling ten koste gaat van het maatschappelijk middenveld. Doordat de "burger" en de "politiek" in de nieuwsvoorziening in een directe confrontatie worden afgebeeld, vindt er een merkwaardige omslag plaats. Burgers worden consumenten. Dit heeft ook weer gevolgen voor de opstelling van politieke partijen. Hoewel politieke partijen hun kiezers in toenemende mate trachten te benoemen als burgers, benaderen ze hen in de praktijk steeds meer als consumenten. Net als consumenten worden burgers geacht als individu te "kiezen" uit het voorhanden arsenaal aan politieke opties die via de media worden gepresenteerd. Daarmee groeit ook weer de politieke macht van de media. Via de media kunnen de burgers hun emoties, belangen en opvattingen direct kwijt aan de "politiek verantwoordelijken" zonder de lijn te volgen van de vertegenwoordigers in het parlement. Daardoor boet het parlement in aan legitimiteit als volksvertegenwoordiging. In plaats van een tegenmacht, een democratische controle op de macht van de overheid, dreigen de media daarmee een zelfstandige politieke factor te worden. In dit bestek wijst Elchardus ook op de monopolievorming en de eigendomsverhoudingen die de media beheersen en die zich in belangrijke mate onttrekken aan democratische controle.
  Het een en ander vindt ook zijn weerslag in de wijze waarop politici worden benaderd in de media. De media kunnen heel snel een bepaalde definitie van de werkelijkheid verspreiden en daarmee vrij willekeurig sommige politici monddood maken en anderen tot held verheffen. Het antwoord op die situatie vanuit de politiek is, ze geeft Elchardus aan, zo mogelijk nog zorgwekkender. Politici die de media weten te bespelen, weten zich verzekerd van succes. En, dat proces lijkt gestuurd te kunnen worden met behulp van mediatrainingen, de adviezen van spindoctors en een geëigende public relations-strategie. Image building, communicatiestrategie, soms zelfs bewuste misleiding, hebben het daarmee gewonnen van de ideologie. Politici passen zich in woord en gebaar aan bij het spel dat door de media wordt geregisseerd. In de mediagebeurtenissen worden ze tot typetjes met standaardpatronen die perfect passen in de beeldvorming. Geheel volgens de logica van de gemediatiseerde gebeurtenissen draait het hierbij niet zozeer om politieke ideeën als wel om het etaleren van juist die persoonlijke eigenschappen die het politieke wantrouwen neutraliseren: het uitstralen van vertrouwen, vastberadenheid en verantwoordelijkheidsgevoel.
8 Oplossingen. De redenering van Elchardus valt zondermeer ingewikkeld te noemen. De werking van de "dramademocratie" moet, zo legt hij uit, worden begrepen tegen de brede achtergrond van de maatschappelijke rationalisering, de stijgende onderwijsdeelname en de secularisering. Dat zijn elkaar versterkende processen. Daar komen weer drie min of meer onafhankelijke trends uit te voorschijn. De eerste heeft betrekking op het stijgende gevoel van onzekerheid bij de bevolking. Dat is eerst en vooral het resultaat van de secularisering waarin traditionele gemeenschapsgevoelens worden ingeruild voor een meer individualistische ideologie van "vrije keuzes". Datzelfde individualisme uit zich, ten tweede, op politiek vlak in de vorm van juridisering en responsabilisering, waarbij de onzekerheid zich vertaalt in een groeiend "wantrouwen" ten opzichte van de democratische instellingen van de overheid. Ten derde en tot slot zijn er de media die het institutionele gat vullen dat de secularisering heeft geslagen en die daarmee een nieuwe maatschappelijke rol gaan spelen op het culturele vlak. Die ontwikkelingen scheppen echter enkel de voorwaarden voor het ontstaan van een "dramademocratie". De "dramademocratie" zelf is het gevolg van de specifieke invulling die de media aan het een en ander geven door het benadrukken van de individualistische ideologie, door de symbolische productie van nieuws als een directe confrontatie van burgers met de politiek in gemediatiseerde "gebeurtenissen", en vooral de exploitatie van de juridisering en het politieke wantrouwen in de mediaconstructie van "responsabiliteit". Met dat laatste levert de journalistiek een zelfstandige bijdrage aan de cirkel van wantrouwen.
  De dramademocratie, zo concludeert Elchardus (2002: 70), "... is een politiek systeem waarin grote macht uitgaat van de door de media gedragen voorstelling en waar legitimiteit wordt ontleend aan de wijze waarop personen, groepen en organisaties in die mediavoorstelling verschijnen." Het centrale probleem lokaliseert hij daarbij in het idee van de directe democratie, zoals de media die suggereren in hun weergave van directe confrontaties van individuele burgers en politici. In grote en ingewikkelde maatschappelijke verbanden is dat concept, stelt Elchardus, praktisch onwerkbaar. Moderne natiestaten vergen voor hun besluitvorming complexe analyses uit informatiestromen, die zich niet gemakkelijk laten vertalen in simpele mediaberichten. Aan het eind van zijn boek biedt Elchardus dan ook een andere oplossing aan, gespecificeerd voor de drie niveaus van de democratische samenleving. Incidenteel kan over belangrijke zaken eventueel een volksreferendum worden gehouden, maar structureel bezien dient de centrale overheid zich te houden aan de geldende regels van de parlementaire democratie. Dat wil zeggen dat de besluitvorming in handen blijft van een gekozen vertegenwoordiging, zij het dat die zich meer rekenschap dient te geven van de brede ontwikkelingen in de samenleving. Daarvoor kan gebruik worden gemaakt van de resultaten van het sociaal-wetenschappelijk onderzoek. "Het sociaal-wetenschappelijk onderzoek is inmiddels," zo schrijft Elchardus (2002: 179), "voldoende gevorderd om niet alleen de zorgen en aspiraties van de mensen, maar ook de oorzaken en diepere achtergronden van die zorgen en aspiraties aan het licht te brengen."
  In het maatschappelijk middenveld, stelt Elchardus verder, dient de vrijwillige participatie van burger, op alle terreinen te worden bevorderd. Het is opvallend, zo merkt hij op, dat politieke incidenten zich met name voordoen op terreinen waar het middenveld braak ligt — zoals het recht — of wordt gedomineerd door traditionele, confessionele organisaties — zoals de volkshuisvesting. Op die velden dienen nieuwe organisaties vorm te krijgen, dan wel bestaande organisaties te worden geseculariseerd. Directe democratie blijft dan over als een wenselijke optie voor het niveau van de buurt en de wijk. Voor een betere controle op de media pleit Elchardus daarnaast voor de instelling van een Raad voor de Journalistiek met verregaande bevoegdheden. Individuele journalisten raadt hij aan om hun zelfbeeld aan te passen aan de veranderde situatie. Journalisten dienen zich te beraden op hun nieuwe positie in het politieke krachtenveld en zich bewust te worden van de schema's, begrippen, en scenario's die ze gebruiken.
  Hoe dwingend zijn Elchardus' analyses en oplossingen? Zijn boek is goed leesbaar en de thema's die in de afzonderlijke hoofdstukken aan de orde komen, lijken onderworpen aan een dwingende logica van sterke argumenten. Toch blijft de lezer na afloop met de nodige vragen zitten. Het blijkt bepaald niet gemakkelijk om Elchardus' redenering kort samen te vatten. De belangrijkste reden is wel, dat de centrale termen en begrippen, zoals individualisme, juridisering en responsabilisering, behoorlijk vaag zijn. Dat levert ook de nodige onduidelijkheden op. Met name de verhouding tussen de individualiseringsideologie en de media is niet altijd even duidelijk. Zo situeert Elchardus bijvoorbeeld het centrale probleem van de "dramademocratie" bij de media, omdat die in de symbolische samenleving immers een cruciale rol spelen in de continue culturele productie van sociale verschillen. Daarnaast stelt hij dat daaraan weer het probleem vooraf gaat van de individualiseringsideologie. Dat laatste noemt hij ergens zelfs de "kern" en de "sluitsteen" van het hele probleem. Maar nergens lezen we iets over de herkomst en institutionele inbedding van deze zo belangrijk geachte factor. Het ligt voor de hand om hiervoor in belangrijke mate het meritocratische onderwijs verantwoordelijk te stellen. Individualisme is immers in belangrijke mate gebonden aan het moderne onderwijs, overigens net als de segmentering van de samenleving in hoog- en laagopgeleiden, die volgens Elchardus de nieuwe sociale demarcatielijn bij uitstek vormt. Aan een analyse van het onderwijs komt Elchardus evenwel niet toe.
  Ook de beschrijving van processen als juridisering blijven uitermate vaag. De precieze verhouding tussen de "rechtenbenadering" en het "populisme" daarbinnen blijft onduidelijk. Dat geldt ook voor het proces van juridisering zelf. Volgens Elchardus valt het politieke wantrouwen daar niet primair toe te herleiden, maar het blijft onduidelijk welke rol het — in ieder geval kent Elchardus er zelf een belangrijke betekenis aan toe — dan wel speelt. Af en toe vallen er om dezelfde reden tegenstrijdigheden te bespeuren. Dat geldt ook voor zijn aanbevelingen. Zo pleit hij enerzijds voor een breder, geseculariseerd middenveld op vrijwillige basis, maar uit hij ook de nodige twijfels aan de representativiteit van ngo's als Greenpeace die met graagte gebruik maken van gemediatiseerde "events". De aanbeveling voor de instelling van een Raad voor de Journalistiek roept ook de nodige onbeantwoorde vragen op. Wie zou die oppermachtige mediaraad moeten bestaffen en, belangrijker nog, welke criteria zou een dergelijke instelling moeten hanteren bij de beoordeling van omroepen en hun programma's? Ook kunnen we zo onze twijfels hebben ten opzichte van de mogelijkheden om sociaal-wetenschappelijk onderzoek een sterkere en meer centrale plaats te geven in de politieke besluitvorming. Ook sociologen verschillen doorgaans onderling fundamenteel van mening over hun cijfertjes en wat die theoretisch betekenen. Zo'n stevige basis als Elchardus suggereert, bieden de sociale wetenschappen beleidsmatig allerminst. Een bewijs daarvoor leveren sociologische analyses van het politiek wantrouwen die een heel andere kant opwijzen.
9 Productief wantrouwen. Elchardus' boek bevat verrassend weinig verwijzingen naar andere mediasociologische studies van het politiek wantrouwen. Zo ontbreekt bijvoorbeeld een referentie naar het eerdere werk van Thompson (2000), waarmee zijn analyse veel overeenkomst vertoont. Op dat punt brengt Noortje Marres (2003) het er een stuk beter vanaf in haar onlangs verschenen artikel het tijdschrift Krisis. Ook haar betoog vertoont overigens opvallende overeenkomsten met dat van Elchardus, zelfs in terminologie want waar Elchardus spreekt van een "dramademocratie" heeft Marres het over een "spektakeldemocratie". Ook zij stelt dat de media in de spektakeldemocratie primair en zelfs exclusief bemiddelaar zijn geworden tussen burgers en politiek. In haar kritiek op Thompson legt zij evenwel andere accenten en trekt ook een geheel andere conclusie. Net als Elchardus constateert Marres dat in de nieuwsvoorziening van de spektakeldemocratie de grenzen vervagen tussen schijn en werkelijkheid. Sterker dan Elchardus plaatst Marres dit probleem echter in de context van het ineenschuiven van onderscheid tussen het private en publieke domein en het onderscheid tussen het algemene en het bijzondere.
  In de politieke nieuwsvoorziening van de spektakeldemocratie staan personen centraal. Dat impliceert dat het klassieke politieke onderscheid tussen het publiek en het privé-leven in sterke wordt ondergraven. De waarachtigheid van politici wordt getoetst aan de consistentie tussen hun publieke opvattingen en hun gedrag in hun privé-leven. Net zo gemakkelijk worden de particuliere meningen van de individuele burger in beeld gebracht als mogelijke publieke opties. Dat kan inderdaad, zo geeft Marres toe, worden gezien als een motor die een permanent politiek wantrouwen genereert. Op dat punt stelt zij Thompson en daarmee impliciet ook Elchardus in het gelijk. Maar, zo vraagt zij zich af, heeft een dergelijke aanpak ook geen voordelen? Misschien niet wanneer je politiek zoals Thompson — en nogmaals, ook Elchardus — doet, beschouwt als een middel om tot maatschappelijke consensus te komen. Maar, politiek is meer dan dat. Politiek gaat ook over meningsvorming door het creëren van tegenstellingen en het formuleren van actiepunten. Die "agonistische" kant van de politiek is, stelt Marres, wel degelijk gebaat bij de nieuwe politieke journalistiek. Dat ligt misschien niet eens zozeer in de manier waarop het onderscheid tussen het publieke en het private domein door de media wordt ondergraven, als wel in de ondermijning van een ander belangrijk onderscheid: dat tussen het algemene en het bijzondere. In de politieke filosofie van Jean-Jacques Rousseau gold het loslaten van bijzondere, particuliere belangen als een belangrijke regel voor de politiek. De politiek draait om zaken van algemeen belang. Media-affaires evenwel, zo laat Marres zien, draaien doorgaans juist om particulariteiten: een bepaalde foto, video of document die nadrukkelijk en aantoonbaar laten zien hoe in een speciaal geval de bestaande opvattingen en regels rond het algemeen belang disfunctioneren. Elchardus typeert dit soort zaken gemakshalve als trivialiteiten, maar Marres (2003, 48) ziet er juist een nieuw mechanisme in voor politieke actie binnen een geseculariseerde samenleving. "In media-affaires wordt duidelijk," schrijft zij, "dat specifieke actoren en bewijzen de enige hefbomen zijn om politieke verschuivingen af te dwingen."
  De gemediatiseerde politiek doorsnijdt de traditionele onderscheidingen tussen het publieke en het privé-leven, alsook die tussen het algemene en het bijzondere. Daardoor, zo constateert Marres, wordt het domein van kwesties waarover politieke controverses kunnen ontstaan aanzienlijk verbreed. Deze ontwikkeling valt niet terug te draaien en dat moeten we ook niet willen, stelt zij in haar kritiek op Thompson en daarmee indirect op Elchardus. "Waar is de democratie anders voor uitgevonden dan om de affaires van een samenleving collectief te regelen?" vraagt Marres (2003: 51) zich retorisch af. Belangrijker is om te bekijken welk type media-affaire de meeste mogelijkheden biedt voor een productieve inzet van het politieke wantrouwen. De ene "affaire" is immers de andere niet. Enerzijds zijn er affaires waarin de reputatie van de betrokkenen, de "doing and dealing among the actors," centraal staan en daar vallen doorgaans wel de nodige vraagtekens achter te zetten. Anderzijds zijn er echter ook affaires die bredere economische, humanitaire, sociale en ecologische kwesties aan de orde stellen. Juist in die affaires, zo concludeert Marres, wordt een productief wantrouwen zichtbaar dat een actieve dimensie aan de politiek toevoegt.
10 Een nieuwe balans? Een klein accentverschil in de analyse van de gemediatiseerde politiek leidt, zo blijkt, tot tegenovergestelde conclusies. Waar Elchardus het wantrouwen van de burger als probleem ziet, stelt Marres juist dat dit productief kan worden aangewend. De discussie over de achtergronden, de aard en de perspectieven van de gemediatiseerde politiek is daarmee allerminst gesloten. Er zijn, zo kunnen we daaraan toevoegen, nog wel andere belangrijke zaken die in die discussie zullen moeten worden meegenomen. Een daarvan is de vraag naar de achtergronden van het poltieke wantrouwen. Sociologisch bezien, vormt de relatie tussen burger en staat een ruilverhouding. De burger staat zijn recht op verdediging van lijf en have af aan de overheid. De overheid verwerft daarmee het monopolie op fysiek geweld. In ruil belooft de staat bescherming tegen fysiek en andersoortig geweld. Die ruil is echter niet simpel gedefinieerd. In de loop van de geschiedenis wisselt de balans tussen de eisen die de burger aan de overheid stelt en wat de burger bereid is daarvoor in te leveren. Het huidig politieke wantrouwen kan dan ook worden opgevat als een uiting van de bereidheid van burgers om meer vrijheden in te leveren voor een grotere mate van bescherming. In die zin kan het wantrouwen, paradoxaal genoeg, ook worden getypeerd als een uitdrukking van hogere verwachtingen van burgers ten opzichte van de staat. Elchardus (2002: 10) suggereert iets dergelijks in de inleiding van zijn boek. "Meer mensen dan voorheen," zo schrijft hij daar, "zijn nu bereid meer controles en ongemakken te aanvaarden, ja zelfs vrijheid in te leveren, in ruil voor een veiliger, voorspelbaarder wereld." Helaas gaat hij niet in op de consequenties van deze constatering voor zijn redenering.
  Ook andere vragen blijven nog liggen. De sociaal-filosoof Jürgen Habermas ging bijvoorbeeld al veel eerder in op de problematiek van de gemediatiseerde cultuur. Ook voor hem vormde de voortschrijdende rationalisering en de daaruit voortkomende verkaveling van het sociale systeem in de afzonderlijke domeinen van economie, politiek, wetenschap en cultuur de belangrijkste achtergrond. Een oplossing daarvoor zoekt Habermas in wat hij de "leefwereld" noemt, de "communicatieve context" van het alledaagse leven, waarin de gescheiden segmenten van de sociale werkelijkheid en hun componenten in de publieke en de privé-sfeer weer aan elkaar gekoppeld kunnen worden. Een machtsvrije dialoog en communicatie vormen daarbij volgens hem de belangrijkste voorwaarden. Ook op dit beginsel zou de berichtgeving over media-affaires nader kunnen worden onderzocht en mogelijk met verrassende consequenties. De typische vermenging in media-affaires van het publieke en het privé-leven en van zaken en van argumenten uit economie, politiek, wetenschap en cultuur waar Elchardus zo over klaagt, komen daarmee immers in een ander theoretisch licht te staan (Schomberg en Baynes, 2002). Mogelijk is de symbolische samenleving ook een meer communicatieve samenleving.
   

  Noot
1. Een overzicht van de publicaties van de onderzoeksgroep TOR van de Vrije Universiteit Brussel is te vinden op de website van de groep. Een deel daarvan is in PDF-formaat beschikbaar. Return to text
   

  Literatuur
 
  • Elchardus, Mark, en Wendy Smits (2002), Anatomie en oorzaken van het wantrouwen. Brussel: VUBPress, 2002.
  • Marres, Noortje (2003), "Beter productief wantrouwen dan misplaatst vertrouwen. Over de politieke verdiensten van media-affaires." In: Krisis. Tijdschrift voor Empirische Filosofie, 2003, 4, 1, 36-52.
  • Schomberg, René von, en Kenneth Baynes (red.) (2002), Discourse and democracy. Essays on Habermas' "Between facts and norms". Albany: Suny Press, 2002.
  • Thompson, John B. (2000), Political scandal. Power and visibility in the media age. Cambridge: Polity Press / Oxford: Blackwell, 2000.
  • Wansink, Hans (2003), "De Vlaamse blues. Het 'gesimuleerde wereldbeeld' van de linkse socioloog Mark Elchardus." In: De Volkskrant, 14 maart 2003.
  • Wagenaar, Willem (2002),"De herinnering aan rampen." In: Jeanine Evers en Henk Kleijer (red.), Rampenonderzoek. Amsterdam: SISWO (Cahiers Sociale Wetenschappen en Beleid 2), 2002, 23-26.
   
Previous
  2003 © Soundscapes