Logo  
  | home | authors | calendar colophon | links | newsgroups | newsfeed | new | printer version |  
volume 9
augustus 2006

Skip Voogd aan het woord

 





  Een leven lang swing en leve het leven
door Cor Gout
Previous
  Vorig jaar hield Cor Gout een lang interview met Skip Voogd, disk-jockey en muziekjournalist van het eerste uur. In het najaar van 2006 zal deze tekst bij Uitgeverij Aprilis in Zaltbommel verschijnen in "Muziek in Zwart-Wit," een boek met gesprekken met de pioniers van de lichte muziek in Nederland.
 
1 Rechts: Een jonge Skip Voogd luistert naar een jonge Cliff Richard.

Aan tafel bij Skip Voogd. Een kleine schok ging door me heen toen ik in de lente van 2005 de stem van Skip Voogd op mijn antwoordapparaat hoorde. Niet eens zozeer door wat hij zei, hoewel dat complimenteus was — hij vond mijn serie over de poppioniers zeer de moeite waard — en hoopgevend — hij wilde mij daar graag bij helpen — als meer door de stem zelf, intiem, bijna fluisterend, in perfect uitgesproken Nederlands, een schaars goed in onze dagen, met ver op de achtergrond een echo van het Haagse Bezuidenhout, en door de betekenis die de stem voor me had, de richtingaanwijzing terug naar mijn jeugd, de kruimeltjes brood op de weg naar nu, tot mijn stomme verbazing nog altijd onaangeroerd. Die fluwelen stem die destijds de platen van korte maar nuttige informatie voorzag in diverse radioprogramma's van de AVRO of de NCRV, nooit schreeuwerig, altijd in rustige, goedlopende zinnen, een beetje zoals John Peel dat later in Engeland zou doen, allebei met dat warme stemgeluid, die liefde voor de muziek en die integriteit.

  Natuurlijk moest Skip rekening houden met de verordeningen van de omroepverenigingen en de vaktijdschriften waarvoor hij werkte, en zelfs met de eisen die platenmaatschappijen aan de media van die dagen stelden. Maar als er kruip- en sluipwegen waren om aan die geboden te ontkomen, dan koos hij die. En hij stelde zichzelf grenzen. Over de klippen die hij in omroepland heeft moeten omzeilen, spreekt hij meestal badinerend. Ook om de gewoonte van de NCRV om teksten te censureren die door de leden van die omroepvereniging als godslasterlijk konden worden opgevat, kan Skip alleen nog maar lachen. Zo bevatte een liedje van Eddy Christiani de regels "De engel op mijn schouder wordt een dagje ouder." Die tekst mocht niet, want volgens de directie "had nog nooit iemand op deze aarde een beschermengel gezien." Deze klucht speelde zich af in de jaren tachtig, dus zelfs toen nog dat krampachtig vasthouden aan de letter en de angst voor het beeld!
  Skip hekelt deze toestanden niet, hij plaatst ze in hun tijd en cultuur. Tegenover me aan de werktafel zit dan ook geen brombeer, maar een levensgenieter, die je blij kunt maken met een exquis gebakje, of anders wel met een goed glas wijn, en een muziekliefhebber, die nog altijd in de weer is met zijn passie, meestal als schrijver van artikelen en hoesteksten, en geregeld als (mede-)samensteller van cd's, zoals die met grotendeels onuitgebracht werk van Annie de Reuver, een enkele keer als adviseur: op zijn voorspraak startte de general manager van de platenmaatschappij Warner Brothers een campagne om de Canadese ster Michael Bublé ook in West Europa van de grond te krijgen. Skip had het goed gezien en gehoord. Alleen al in Nederland werden binnen enkele maanden vijftigduizend cd's en dvd's van de Canadese zanger verkocht. We praten over muziek in zijn fraaie Hilversumse flat, overgoten door de lentezon, drinken een fruitmix waarvan ik de samenstelling niet mag verklappen, snoepen van een gebakje en laten een muziek-dvd aan ons voorbijgaan. Verwijlen bij muziek. Daaraan lijkt hier geen limiet. Ik laat hem hier verder zelf aan het woord...
2 Gegrepen door de Ramblers. "Als jongetje in de oorlog vond ik het leuk om op straat liedjes te zingen als "Holderdebolder, We Hebben Een Koe Op Zolder." Ik wist niet eens waar dat liedje vandaan kwam, maar het was uit de Snip en Snap Revue. Aurora, dat zong ik ook. Wanneer ik thuiskwam zei mijn moeder: "Ach jôh, al die straatliederen, dat is toch niks!" We kwamen uit een keurig gezin, ik kreeg pianoles van mijn nichtje, alles klassiek, dus je begrijpt. Wat er aan de oorlog aan amusement was wist ik niet, maar in 1946, ik was toen dertien, kwam ik erachter. In dat jaar kregen we radiodistributie. Op een dag zei één van onze buurvrouwen tegen mij: "Ik moet opschieten, want straks om half zes moet ik naar de Ramblers luisteren." Ik vroeg: "Wat is dat?" "Oh, dat is een heel leuk orkest, ik ga daar met mijn man ook wel eens heen, wanneer ze in Den Haag optreden." Ik stemde toen ook een keer af op hun "half uurtje" en was meteen gegrepen."
  "Later hoorde ik ook de Skymasters en die vond ik ook heel goed. Toen ben ik me gaan verdiepen in wat er zo allemaal op de radio te horen was, en al die orkestjes die daar langs kwamen ging ik uitpluizen. Ik schreef in boekjes op wat ze hadden gespeeld, hoeveel nummers ze hadden uitgevoerd, waarom dit was meegevallen en dat was tegengevallen en ik ging briefjes schrijven naar de omroepen met vragen aan de orkesten. Mijn moeder vond het allemaal best, zolang de radio maar niet te hard stond. Na een jaar of vijf ben ik met mijn pianolessen gestopt. Op een keer was ik met de bladmuziek van "Het Boemeltje Van Purmerend" thuisgekomen en had ik geprobeerd dat te spelen. Maar met mijn klassieke opleiding ging dat niet. Ik dacht: "Als je dit doet moet je of heel goed zijn, of je moet je er niet aan wagen." Ik voelde dat ik het niet in me had."
  "Meestal ging ik in mijn eentje naar concerten, zo jong als ik was. Een enkele keer ging mijn oma met me mee, bijvoorbeeld in 1947, toen de Ramblers optraden in het Gebouw van K&W. Mijn oma was nogal gek op me en ik geloof dat ze het meer voor mij deed dan voor de Ramblers. Er was daarvoor een ander concert van de Ramblers geweest waar ik dolgraag naar toe wilde. Dat was het jubileumconcert "Twintig Jaar Ramblers" in 1946, ook in K&W. Er waren allerlei gastartiesten bij en het beloofde een hele gebeurtenis te worden, maar ik mocht niet van mijn moeder. Een paar maanden daarna, in november of december, mocht ik wel naar de Skymasters in de Dierentuin."
  "Dat was de eerste keer dat ik Annie de Reuver zag, daar, in die grote zaal: prachtig! Ik herinner mij het hele concert. Orkestleider Pi Scheffer had leuke aankondigingen en ik hoor Annie de Reuver nog zo "Laughing On The Outside" zingen, en haar succesnummer "Weet Je Wat Een Zoentje Is." Pi Scheffer heeft eens van haar gezegd: "Ze hoeft niet eens te zingen, als ik haar aankondig staat de zaal al op zijn kop." De band speelde ook shownummers, à la de Ramblers, niet zo goed als die dat deden, maar toch leuk genoeg. Ik denk dat mijn gevoelens bij het zien van de Ramblers en de Skymasters vergelijkbaar waren met de opwinding die later de popmuziek teweeg zou brengen. Ik zag erg tegen die muzikanten op, dat waren mensen die voor de radio optraden! Ik kon in hun muziek "verdwijnen," even van de wereld afraken. Ik kende alle teksten van die liedjes uit mijn hoofd en van de instrumentale nummers wist ik precies hoe ze gingen. Iedere generatie heeft dat weer met zijn eigen muziek."
  "De eerste keer dat ik de Ramblers zag was op 12 april 1947 in K&W, op een zondag. Dat was die keer dat mijn oma meeging. Ik herinner me dat bandleider Theo Uden Masman het eerste nummer aankondigde met de woorden: "De stemming is opperbest, en daarom beginnen we met "In The Mood"." Masman was wel een baasje hoor. Maar als hij er niet was geweest had het orkest niet zo lang bestaan. Hij was het boegbeeld van de band. Een geweldig pianist was hij niet, maar wel een uitstekend zakenman. Bij K&W had je rijen met stoelen. In de Dierentuin kon je in het midden dansen en zitten aan de zijkant. In 1948 heb ik de Ramblers in de Dierentuin zien spelen. Dat was tijdens één van de vele feesten in het kroningsjaar van Juliana. Op die avond speelden de Ramblers vooral dansmuziek, ook een half uurtje show, maar verder dansmuziek: daarbij zaten dingen die ze nooit voor de radio speelden, quicksteps, tango's, en dat alles in strikt danstempo. Een orkest als de Ramblers moest in die tijd alles kunnen, want ze vormden in wezen toch een dansorkest. Dat concert was weer een hele nieuwe ervaring voor me. In de pauze zag ik Ferry Barendse en Marcel Thielemans twee meter van me vandaan! Dat vond ik wat, hoor."
  "De Ramblers en de Skymasters waren mijn favorieten en ik ben ze door de jaren heen in hun verschillende samenstellingen blijven volgen. In de periode tussen 1946 en 1949 vond ik de Ramblers op hun best, daarna werd het langzaam maar zeker minder. Er waren meer goede orkesten, zoals dat van Malando, maar voor mij hadden de Ramblers en de Skymasters net iets meer schwung dan de rest. Malando heb ik in 1950 zien spelen in het Princesse Paviljoen aan het Gevers Deynootplein in Scheveningen. Bueno de Mesquito, de latere bandparodist, speelde gitaar en zong. Hij was een goede zanger en zijn Engels was perfect. Toen ik hem zag met het orkest dacht ik: "Waarom brengen ze geen platen met hem uit?" Verder traden ook Ann Sandor en Frans Wanders op als vocalisten. Wat mij opviel was dat ze ook foxtrots en quicksteps speelden. Voor de radio was het alleen een tango- en rumbaorkest. Maar die dansmuziek konden ze ook goed spelen. Het kenmerk van het Orkest Malando was zijn compactheid. Solowerk kwam op de tweede plaats en dat vond ik nu juist zo bijzonder bij de Ramblers en de Skymasters."
3 Mijn eerste stappen in de muziekjournalistiek. "In Scheveningen had je nachtclubs als de Caveau Tzigane, waar de Millers optraden. Daar kwam ik voor het eerst in de zomer van 1949. Ik liep daar rond en zag foto's aan de pui van de Millers met Sanny Day, maar in een nachtclub kwam je niet zomaar binnen. Dus vroeg ik aan een echtpaar, dat aanstalten maakte naar binnen te gaan, of ik met ze mee mocht lopen. "Ik heb zelf geld voor cola bij me, hoor," voegde ik daar ter geruststelling aan toe. "Ja hoor, ga maar mee," antwoordden ze en zo ging ik als "hun zoontje" mee de nachtclub in. En daar zat ik dan anderhalf à twee uur met één colaatje naar de Millers te kijken, zag ik Sanny Day met haar vingers knippen, een echte vedette: "ze was er gewoon." In die nachtclubs moesten de bands heel lang spelen. Ze begonnen ongeveer om half negen en gingen door tot drie of vier uur. Dat einde maakte ik nooit mee, want ik moest uiterlijk om half elf thuis zijn. Maar zo was het wel."
  "Ik was een stil kind, wilde nooit buiten spelen. Hele vakanties zat ik op mijn kamer in de Johannes Camphuijsstraat in het Bezuidenhoutkwartier krantjes te schrijven. Van kopiëren wist ik nog niets, dus schreef ik er een stuk of vijf, die ik vervolgens aan mijn buren liet lezen. Wat ik opperde ging vooral over muziek op de radio. Ik had geen benul dat ik die bezigheid mijn hele leven zou volhouden. Nu was de muziek mij van huis uit geenszins vreemd. Ik heb al verteld over mijn nichtje van wie ik pianoles kreeg. Zij was concertpianiste, helemaal klassiek. En verder was de bekende trompettist, liedjesschrijver en arrangeur Jack Bulterman mijn achterneef. Hij speelde bij de Ramblers, dus beter kon ik het bijna niet treffen. Ik schreef hem briefjes en kreeg van hem antwoorden die begonnen met "Beste Neef." Ze zijn helaas allemaal verdwenen. In een vlaag van opruimwoede heeft mijn moeder ze samen met de schriftjes weggegooid. Ik was verbijsterd toen ik dat merkte."
  "De volgende stap in mijn prille loopbaan kwam later op de kweekschool, toen ik daar voor de schoolkrant ging werken. Ik had eerst op de HBS gezeten en ben later naar de MULO gegaan. Ik voelde er namelijk niets voor om te gaan studeren; ik wilde alleen maar schrijven. Mijn moeder vond dat dit niet kon. Zij stond in die tijd alleen voor de opvoeding van mijn zusje en mij, want mijn vader was in de oorlog omgekomen. Hij werkte bij de koopvaardij, voor de Rotterdamse Lloyd, en bevond zich met een schip van die maatschappij in de buurt van Indië toen de Japanners daar oorlog voerden en alle schepen in de wateren van de archipel torpedeerden."
  "Mijn moeder was opgeleid als onderwijzeres en na mijn vaders dood moest ze weer voor de klas staan om ons brood te verdienen. Op een uitkering kon ze namelijk niet rekenen. Toen ik mijn ambities om journalist te worden kenbaar maakte, wierp ze tegen: "Je kunt goed met kinderen omgaan, je hebt een enorm geduld, dus word maar onderwijzer, net als ik, dan kun je in ieder geval altijd rekenen op een baan." Na de MULO ging ik naar de christelijke kweekschool in de Galvanistraat, vlak bij de Laan van Meerdervoort. Mijn moeder had me bij die school opgegeven. Maar ik bleef bezig met muziek en met radio: ik bleef net zo lang op de ontvanger zoeken tot ik mijn gading had gevonden. Als ik op school zat dacht ik: "Van twaalf tot half één spelen de Ramblers, dus die mis ik weer, wat vreselijk jammer!" Maar ze speelden drie keer in de week, dus dan had ik nog twee mogelijkheden.
4 Twee banen. "In 1954 beleefde ik mijn eerste ervaring als radiomaker. Je had in Den Haag een afdeling van het jongerenprogramma Minjon, de jeugdomroep van de AVRO. In Het Vaderland had ik een artikel gelezen over "de consul," die leiding gaf aan de Haagse afdeling. Ik nam toen onmiddellijk contact op met die jongen en vroeg hem of hij geïnteresseerd was in klankbeelden van mijn favoriete artiesten. Dat was hij. Ik heb er toen een paar gemaakt, één daarvan ging over Annie de Reuver. Als je zo'n bijdrage gemaakt had werd die ter beoordeling naar Hilversum gestuurd. Vonden ze hem daar goed, wat bij mijn klankbeelden steeds het geval was, dan werd hij op Hilversum uitgezonden. Kort na de oorlog was ik ook Tuney Tunes gaan lezen, dat was in die tijd het muziekblad. Elke maand schreef ik brieven naar dat tijdschrift in de trant van: "Ik vond het laatste nummer niks, want U heeft niets over die en die geschreven." Heel eigenwijs. De uitgever, J. van Haaren, las dat allemaal en op een dag besloot hij mij uit te nodigen voor een gesprek. Dat was begin 1955."
  "Vol spanning reisde ik naar Eindhoven, waar de redactie van Tuney Tunes gevestigd was. Waar zou de heer Van Haaren met mij over willen praten? Het bleek dat er weer een redacteur wegging bij het blad en dat er nog niet in de opvolging was voorzien. De heer Van Haaren vroeg mij honderd uit, niet alleen over de muziek van die dagen, maar ook over de bronnen daarvan, over stromingen in de jaren dertig, zijn eigen achterland, zo bleek. Gelukkig wist ik daar veel van, want ik had mij altijd wel afgevraagd wat er vòòr Annie de Reuver en Jack Bulterman was geweest. "Je weet meer dan de redacteuren die ik de afgelopen jaren heb gehad," complimenteerde Van Haaren mij. En vervolgens vroeg hij me of ik er misschien voor voelde bij Tuney Tunes te komen werken."
  "Ik wilde natuurlijk dolgraag, maar ik stond net voor de klas. Na mijn eindexamen in 1954 had ik moeten beslissen of ik in dienst zou gaan of een contract zou tekenen dat me voor drie jaar aan een lagere school verbond. Deze vluchtroute om aan de dienst te ontkomen was vrijgegeven omdat er toen nijpende onderwijzerstekorten waren. Ik moest de uitgever opbiechten dat ik voorlopig nog op school moest blijven. "Geeft niet," zei hij laconiek, "al schrijf je de stukjes tussen de lessen door. Je hebt op woensdag- en zaterdagmiddag vrij, dan kom je twee keer in de maand op woensdag naar Eindhoven en de rest, ook de correcties, doen we over de post. In de vakantie kun je dan de hele maand augustus hier zijn om kennis te maken met de zetterij en de drukkerij, zodat je weet hoe het blad maandelijks tot stand komt."
  "Dat speelde zich allemaal in 1955 af. Ik had toen dus twee banen tegelijk. Mijn school bevond zich in Leiden, gelukkig dicht bij het station, maar ik moest toch iedere ochtend vroeg op om op tijd te zijn. 's Avonds zat ik dan te schrijven en te corrigeren voor Tuney Tunes. Een sinecure was dat niet, want ik moest het hele blad volschrijven. Ik vond dat geen bezwaar, want de werkomstandigheden bevielen me zeer. Ik had niets met medewerkers te maken en er was nooit gezeur. Het eerste grote artikel dat ik had geschreven ging over Marcel Thielemans. Nadat Van Haaren het stuk gelezen had, zei hij: "Het is een leuk verhaal, maar je moet veel minder moeilijke woorden gebruiken. Een woordenschat van vijftig is voldoende, bij meer dan dat haken onze lezers af. Het klinkt misschien hard, maar het gaat hun vooral om de foto's. Als je het doet zoals ik het zeg, schrijf je over vijftig jaar nog." In wezen had hij gelijk. Veel en mooi hoefde niet. Iedere maand moest ik bij een artiest op bezoek gaan. Dat kon dus alleen op de woensdagmiddag of zaterdagmiddag. De kopij verstuurde ik dan met de treinbrief vanaf het Hollands Spoor in Den Haag, zodat het de andere dag in Eindhoven aankwam. En de dag daarop kreeg ik het weer van de zetter terug."
  "Naast mijn werk voor Tuney Tunes was ik ook mederedacteur van Rhythme, een jazzblad van dezelfde uitgeverij. Rhythme had een oplage van zesduizend. Die van Tuney Tunes was vele malen groter. Rhythme was voor de redacteuren van de uitgeverij interessanter dan Tuney Tunes, omdat ze zich daarin konden uitleven in hun muzikale voorkeuren. Voor Tuney Tunes moest het allemaal leuk en aardig zijn. Het ging hier in de eerste plaats om de songteksten die werden afgedrukt en verder om de uitgaven van de verschillende platenmaatschappijen, die ook in het blad adverteerden. Tussen Rhythme en Tuney Tunes bestond een verschil in toon. Wanneer ik wilde schrijven dat de Ramblers op de verkeerde weg waren, kon dat wel in Rhythme, maar niet in Tuney Tunes. Maar de uitgever drukte me op het hart dat ik me vooral op Tuney Tunes moest richten. Daarmee verdiende hij namelijk zijn geld.
5 Meer dan schrijven alleen. "Al gauw bleek dat het redacteurschap van Tuney Tunes en Rhythme meer met zich meebracht dan het schrijven van stukjes. Ik moest bijvoorbeeld ook contacten onderhouden met de platenmaatschappijen en dat lag me helemaal niet. Het ging er namelijk om dat die bladen advertenties kregen, dus moest ik me laten zien bij Phonogram in Amsterdam, Bovema in Heemstede en Artone in Haarlem, en ook bij de kleintjes, zoals CNR in Scheveningen. Bovendien moest ik foto's verzamelen, want die moesten natuurlijk gratis zijn. De voorkant van het blad was heel belangrijk en de foto's daarvoor leverden de platenmaatschappijen voor niks aan. Maar ja, als er iemand van Bovema (EMI) op de omslag had gestaan dan kreeg ik Philips aan de telefoon met de aanmaning dat er de volgende maand iemand uit hun stal op de omslag moest staan: "Anders adverteren we niet."
  "Voor mij was dit gedoetje helemaal niets. Ik wilde schrijven en die business eromheen kon me gestolen worden. Maar je moest wel meedoen. Al die redacteuren moesten dat doen. Hoe naargeestig het allemaal was kreeg ik pas later door, toen ik mijn medewerking verleende aan Disco Discussies, het huisorgaan van Phonogram. Ze hadden me gevraagd stukjes voor ze te schrijven, maar zeker niet voor een vorstelijk bedrag. Ik kreeg er twee tientjes voor, helemaal niets vergeleken bij de bedragen van vandaag. Ik merkte echter al gauw dat ze daar dachten: "We hebben nu Skip Voogd, dus krijgen we ook wel extra stukken in Tuney Tunes en Rhythme." En toen kwam natuurlijk ook Bovema. Of ik ook in hun huisorgaan wilde schrijven. Zo kwam ik overal in en zonder uitzondering werd er druk op me uitgeoefend. Ach ja, het is tegenwoordig niet anders. Waarschijnlijk veel erger!
  "Voor Tuney Tunes heb ik tot september 1961 vast gewerkt en later weer op freelancebasis. In dat jaar hield Rhythme op en de oplage van Tuney Tunes werd door de concurrentie van andere muziekbladen, met name van Muziek Parade en Muziek Expres, steeds minder. Ik was inmiddels benaderd door Paul Acket, die toen Muziek Expres uitgaf. Zijn kantoor bevond zich in de Theresiastraat. Ik woonde daar vlak bij, dus toen hij vroeg of ik voor hem wilde komen werken was de beslissing niet moeilijk. Dan was ik van die treinen en al die toestanden met de verzending af. Er waren ook wel nadelen aan de overstap verbonden. De onderwerpen zouden vooral popmuziek betreffen en ik moest iedere werkdag van negen tot vijf op kantoor zitten. Acket had ook een radioprogramma op Veronica: Veronica's Teenager Muziek Expres. Dat moest ik samenstellen en van teksten voorzien. Deze activiteiten verrichtte ik anoniem, want in diezelfde tijd "freelancete" ik ook bij de AVRO en werken voor twee omroepen, zeker als één daarvan een commerciële was, dat kon toen nog helemaal niet."
  "Als radiomaker ben ik trouwens begonnen bij de VARA. Dat was in het seizoen 1958-'59. Ik had daar eens in de veertien dagen het programma Muziek Kiosk, "nieuwsflitsen en actualiteiten uit de wereld der lichte muziek; samenstelling: Skip Voogd; presentatie: Netty Roosevelt en Skip Voogd." Netty Roosevelt had een keurige stem en zij moest mij coachen, want mijn uitspraak werd te Haags bevonden, de r was niet goed en de s ook al niet. Ach ja, tegenwoordig word je al aangenomen als je niet eens verstaanbaar bent! Bij de VARA heb ik één jaar gezeten en toen werd ik opgebeld door Gijsbert Nieuwland, die directeur was geweest van de Koninklijke Militaire Kapel en daarna hoofd lichte muziek van de AVRO was geworden. Hij vroeg me of ik voor die omroep "Swing Expres" wilde doen. Dat was een programma met niet al te moeilijke jazz, dus dat lag me wel. Na een poosje kreeg ik er een zogenaamd tienerprogramma bij: "Tussen Tien Plus En Twintig Min." Dat werd iedere dinsdagmiddag tussen tien over half zes en zes uur uitgezonden."
  "Ze hadden Jos Brink, een jongen met een goede radiostem, die ervaring had opgedaan bij de hoorspelkern, aangetrokken om het programma te presenteren. Ik was de samensteller en voor al die mensen van de maatschappijen die mij altijd de nieuw uitgekomen platen stuurden was het natuurlijk schitterend dat ik voor de radio kwam. Ik werd in die tijd overstelpt door singletjes, want er kwam toen heel veel uit op het gebied van de popmuziek. Onze concurrent in die dagen was "Tijd Voor Teenagers" van Herman Stok en Co de Kloet. Zij zaten in Hilversum en daar was ook Phonogram gevestigd. Met dat bedrijf onderhielden ze goede contacten. Ik woonde toen nog in Den Haag, wat verder van de haard dus, maar had wel een goede relatie opgebouwd met de afdeling publiciteit van EMI in Haarlem. Dat betekende dat wij hun belangrijke uitgaven vaak eerder kregen dan "Tijd Voor Teenagers." Zo hadden we vaak de primeur van een single van Cliff Richard en zelfs van The Beatles hebben we ooit een nummer voor het eerst op de legale Nederlandse radio gebracht."
6 Van links naar rechts: Frans van Lankeren (Atlantics), Skip Voogd, Sanny Day (Atlantics) Ab de Molenaar (Millers), George Martens (Atlantics), Suzy Möller (Millers), Joop Korzelius (Millers), Eddy Doorenbos en Coen van Nassou

In vaste dienst bij de NCRV. "In de lente van 1965 raakte ik in de kantine van de AVRO-studio in gesprek met Lex Karsemeijer, koordirigent van "Pro Musica" en "Sweet Sixteen" en chef lichte muziek van de NCRV-radio. Ik kende hem wel, want ik had hem ooit voor Tuney Tunes geïnterviewd over "Sweet Sixteen." Hij kwam naar me toe en zei: "We gaan in oktober met het derde net beginnen, met Hilversum 3. Je kent de NCRV, eigenlijk is het niets voor ons, maar we moeten meedoen. Vooralsnog heb ik geen idee hoe ik dat voor elkaar moet krijgen. Zou jij er niets voor voelen bij ons te komen? Dan krijg je een vaste baan en goede vooruitzichten." Eigenlijk zat ik uitstekend bij de AVRO met jazz en swing en popmuziek, maar ik was intussen twee-en-dertig, dus een vaste baan was voor mij aantrekkelijk."

  "Daarom ben ik naar het nieuwe hoofd lichte muziek van de AVRO, Eric Krans, gegaan en heb ik gevraagd of ik niet een vaste aanstelling bij hem kon krijgen. Maar Krans had geen vaste kracht nodig. Als freelancer kon ik verder, maar dat kon van seizoen tot seizoen ophouden. En wat moest ik dan? Uiteindelijk ben ik naar de NCRV overgestapt. Dat was per oktober 1965. Twee maanden daarvoor had ik nog een medische keuring moeten ondergaan en een proeve van bekwaamheid moeten afleggen bij het hoofd van de muziekafdeling, drs. Geerink-Bakker. Hij stelde me de raarste vragen, hoe een symfonieorkest in elkaar zat, dat soort dingen. Ik heb wel eens gedacht: "Voor deze mensen moet de Eerste Wereldoorlog nog beginnen." Het was er volledig anders dan bij de AVRO, erg hiërarchisch en ouderwets.
  "Van tienermuziek wilden ze eigenlijk niets weten. Maar omdat de NCRV op Hilversum 3 natuurlijk ook de nodige popmuziek moest propageren, kreeg ik de opdracht dit samen te stellen. Met twee andere mensen in vaste dienst moest ik de andere uren met muziek vullen. Iedere omroep mocht dat Hilversum 3 op zijn eigen wijze, dus met zijn eigen muzikale voorkeuren, invullen. Als enige normen golden dat de zender een "licht verstrooiend" karakter moest hebben en dat hij toegankelijk zou zijn voor een groot publiek. Die opzet was zo breed, dat hij ruimte liet aan merkwaardige bedgenoten als koormuziek, operettes, Hawaiian muziek en — een beetje — pop. Hilversum 3 was toen nog lang niet het popstation dat het nu is. Ik ben bij de NCRV blijven hangen, vaak tegen heug en meug. Ik moest in Het Gooi wonen, dus verhuisde ik naar een flat in Naarden. Het voordeel van mijn nieuwe werkkring was dat ik niet iedere dag hoefde op te draven. Had dat wel gemoeten dan was ik gek geworden. Alles kon thuis, alleen bij de uitzending moest ik aanwezig zijn. Ik was aangenomen als producer en presentator."
  "Het produceren en samenstellen vond ik leuker dan het presenteren. Een echte deejay ben ik nooit geweest. Ik schreef alle teksten uit, liefst zo kort mogelijk. Dat heb ik tot het einde gedaan. Ik vond de muziek belangrijker dan het praatje eromheen. Ik merkte al gauw dat ik meer kon doen dan alleen platenprogramma's samenstellen. Er was bij de NCRV een groot budget voor ensembles en daarmee heb ik een serie met de Ramblers kunnen maken, waardoor ze opnieuw in de belangstelling raakten. Datzelfde heb ik met de Millers en een orkest van Marcel Thielemans kunnen doen. Het omroepsalaris was overigens zeer matig. De eerste keer dat ik mijn salaris kwam halen kreeg ik zoiets als zevenhonderd gulden, en daar moest nog van alles van af. "Vergist U zich niet?" vroeg ik aan de man die mij uitbetaalde. "Nee," zei hij, "dit is voor een maand." Ik had bij mijn sollicitatie helemaal niet gevraagd wat ik zou verdienen, zo onbevangen was ik toen nog.
  "Door mijn bescheiden salaris bij de NCRV was ik min of meer gedwongen bij te schnabbelen. Zo bleef ik artikelen schrijven voor de Wereldkroniek, de Muziek Parade en het Platennieuws, het huisorgaan voor handelaren, waaruit ze bestellingen konden plaatsen voor hun winkel, en hoesteksten voor LP's, wat ik sinds 1955 had gedaan. Op een gegeven moment begonnen ze daar bij de NCRV vervelend over te doen. Tijdens de sollicitatie had ik de toezegging gekregen dat ik mocht blijven schrijven. Nu vroegen ze me of ik dat ook zwart-op-wit had. Nadat ik had geantwoord dat dit mij mondeling was toegezegd kreeg ik toch een schrijfverbod van een jaar. Natuurlijk bleef ik doorschrijven, maar zonder naamsvermelding. Vanaf dat moment werkte ik met nog minder plezier bij die omroep dan ervoor, maar de werkomstandigheden waren voor mij te plezierig om te besluiten daar weg te gaan."
  "In het begin van mijn NCRV-tijd heb ik trouwens ook een tijdje stiekem voor de AVRO gewerkt toen daar iemand uitviel. Dat hebben ze gelukkig nooit gemerkt. De omroepen waren in die tijd door zee-engtes gescheiden. Toen ik een half jaar bij de NCRV zat kwam ik in de gang mijn oud-collega Roel Balten van de AVRO tegen. Hij zei: "Ach ga even mee naar de studio voor een gesprekje van een paar minuten." Diezelfde middag moest ik me bij de leiding van de omroep voor dat onschuldige gesprekje voor de AVRO-microfoon verantwoorden. "Als dit nog een keer gebeurt word je ontslagen," kreeg ik te horen. Tegenwoordig is dat allemaal anders. Maar ik dacht toen wel: "Waar ben ik terecht gekomen?"
7 Wat niet mocht.... "Bij Rhythme en Tuney Tunes kon ik vaak naar de concerten die ik graag wilde zien: Duke Ellington, Count Basie en de Nederlandse orkesten. Maar na 1955 ging de muziek enorm veranderen, zodat ik steeds vaker naar popconcerten moest. Fats Domino heb ik gezien en zelfs het beruchte optreden van de Rolling Stones in het Kurhaus. Wat aanvankelijk werd gezien als een jeugdzonde zette zich door, met leuke kanten eraan, maar ook met verschrikkelijke dingen. Muziek als die van de Ramblers en Skymasters kwam je niet meer tegen. Ik hoorde in de pop natuurlijk wel melodieuze dingen die goed waren, nummers van Cliff Richard, Herman's Hermits' "No Milk Today," liedjes die bij eerste beluistering al een bepaalde indruk bij je wekken en vervolgens blijven hangen."
  "Ik zag de popmuziek vooral als "werk." Bij de NCRV moest ik speciaal letten op de teksten van de popliedjes. Het woord "heaven" mocht bijvoorbeeld niet, tenzij er "uitspansel" mee bedoeld werd. Ik had van de omroep toestemming gekregen een serie te maken met Marcel Thielemans en een big band. In één van die programma's zou hij "Baby Face" zingen, maar in dat nummer komt de regel "I'm up in heaven when I'm in your fond embrace" voor. Karsemeyer riep toen uit: "Dat kan niet, Skip, je kent de directie hier!" Thielemans begreep niet waar hij in terecht was gekomen. Ik zei nog: "Zing dan "I feel so happy...", maar dat maakte het er allemaal niet beter op."
  ""Crying In The Chapel" mocht ook niet, want een "chapel" was katholiek. Toen ik een keer Shawn Elliot's "Shame And Scandal In The Family" had gedraaid was het huis te klein: dat nummer ging over incest! Soms had je ook stukjes tekst die je niet kon verstaan en dan waagde je het er maar op. Maar dan had iemand anders geluisterd en er bepaalde dingen in gehoord, zodat het liedje alsnog geschrapt werd. Nadat John Lennon had verklaard dat The Beatles populairder waren dan Jezus kreeg ik onmiddellijk een brief van de leiding van de NCRV waarin stond dat er geen platen van de The Beatles meer mochten worden gedraaid. Later is dat verbod weer ingetrokken."
8 De laatste jaren bij de NCRV en daarna. "De laatste jaren bij de NCRV waren niet prettig. Ik zat tegen mijn pensioen aan en moest toezien hoe de leukste programma's van mij werden afgenomen. De manier waarop was niet erg chic. Ik wist dat het bij andere omroepen ook zo ging, maar van de NCRV had ik het niet verwacht. Een half jaar voordat ik wegging stelden ze me voor een serie te maken van de lichte muziek van 1900 tot 1960. Daar werd bij gezegd dat het niet zeker was of die serie ook werkelijk zou worden uitgezonden. Met zo'n vaag vooruitzicht ga je natuurlijk niet aan zo'n karwei beginnen. Ik ben naar de ondernemingsraad gestapt, maar die hadden ook allemaal vriendjes in de directie, dus dat werd doorgekwekt. Ik ben wel keurig blijven schrijven, onder meer voor platenhoezen. Ook kreeg ik een aanbieding van Jazz-Radio, een commercieel station, om daar te komen werken. Dat wilde ik graag en de NCRV kon daar geen bezwaar tegen maken doordat de commerciëlen niet waren aangesloten bij een vakbond.
  "Op 1 april 1995 ben ik daar begonnen en ik heb er een paar jaar gezeten. Daarna kreeg ik nog een aanbieding van een ziekenomroep, maar daarop heb ik geantwoord dat ik al drie decennia bij een "zieke omroep" had gewerkt en dat dit wel voldoende was. Schrijven vind ik nog altijd heel leuk om te doen. Ik heb een paar nostalgische series gedaan, zoals die voor het blad SENA-Performers, maar daar ben ik mee gestopt nadat ik van hoofdredacteur Johnny Lion te horen had gekregen dat het blad zich meer ging richten op actuele muziek. Gek dat er altijd vanuit wordt gegaan dat de jeugd niet wil weten waar de muziek vandaan komt. Maar ik begrijp het wel: de SENA wordt mede betaald door de BUMA, dus is er een groter belang bij muziek die courant is."
9 De artiesten en orkesten die voorkomen in jouw boek. "Over de artiesten die in je boek aan het woord, kan ik kort het volgende zeggen..."
  "- Gregor Serban. Ik heb hem vaak zien optreden, maar nooit gesproken. Hij werkte in en rond Den Haag. Serban wist zijn muziek echt te "verkopen" aan het publiek in de zaaltjes en restaurants waar hij optrad met zijn ensemble. Een groot charmeur was hij ook! Voor zijn broer Colea heb ik nog teksten geschreven voor EP- en LP-nummers."
  "- Frans Poptie. Hem heb ik altijd fantastisch gevonden. Bovendien is hij uit duizenden te herkennen. Net als Coen van Nassou bij de Millers had hij nooit een slechte dag. En met wie hij ook speelde, met kinderkoren, krontjongorkesten of solisten als Wieteke van Dort, hij was altijd goed. Mijn voorkeur gaat uit naar zijn swingstukken. Hij had groter kunnen zijn als hij wat meer had "geschreeuwd." Maar hij is geen schreeuwer, hij is een zeer bescheiden en aimabel mens."
  "- Harry de Groot. Hem heb ik een paar keer meegemaakt als lid van een jury die moest oordelen over muziek. Dat was eerst in het NCRV televisieprogramma "Rodeo," een soort talentenjacht, gepresenteerd Eddy Becker, en later in "Kwistig Met Muziek," waarbij De Groot als voorzitter optrad. Hij toonde zich altijd zeer bevlogen en kundig. Maar voor alles was hij een rasmuzikant. Hij speelde heel goed vibrafoon, in het Ensemble Eddy Christiani bijvoorbeeld.
  "- Eddy Christiani. Eddy vormt een verhaal apart. Net als Poptie is hij uit duizenden te herkennen. Zijn liedjes lijken simpel, de teksten worden in feite opgezegd. Maar het totaal is heel ritmisch. Hij was een echte swinger. De swingliedjes met het Ensemble Eddy Christiani waren geweldig: Denk Om Je Lijn, dat soort nummers. De instrumentale dingen die hij later deed vind ik niet zo geweldig, die Liechtensteiner Polka en zo, en ook de eigen composities uit die periode waren niet direct mijn smaak. Maar de instrumentals uit het begin, zoals "Hilversum Expres," dat hij opnam voor het merk Elite Special, waren wel heel goed en hadden een heel eigen geluid."
  "Wanneer hij optrad buitte hij zijn knappe verschijning niet echt uit. Hij kwam eerder een beetje schuchter over. Ik zag hem voor het eerst in K&W, met het orkest van Frans Wouters. Hij ging met zijn gitaar voor de microfoon staan en hij zong. Show en glamour, zoals Ferry Barendse en Marcel Thielemans die uitstraalden, waren er bij hem niet bij. Maar je kende wel al zijn liedjes van de radio. Ze waren heel herkenbaar en hij sprak keurig netjes, in lettergrepen."
  "- Johnny Jordaan. Ik was niet dol op het Jordaan-genre, maar ik besefte wel dat het om een volstrekt unieke vorm van muziek ging. Ik moest natuurlijk wel over Johnny schrijven in Tuney Tunes. Daarbij beperkte ik mij volledig tot zijn platen."
  "- Hans Ninaber. Als jongen van twaalf wist ik wel dat hij "Liefde In Rhythme" geschreven had en dat hij ook andere uitstekende composities had gemaakt, zoals "Sahara" voor het Orkest Malando. Van zijn eigen carrière wist ik weinig af totdat ik jouw artikel las."
  "- Theo Ehrlicher (Kilima Hawaiians). Ik heb hem nooit gesproken maar wel vaak zien optreden. Talloze keren heb ik over de Kilima Hawaiians moeten schrijven, bijvoorbeeld in 1984, toen ze veertig jaar bestonden. Ik heb Mary en Bill toen geïnterviewd in Berkenwoude en daar is de radioserie "Onder Wuivende Palmen" uit voort gekomen. Ik zag ze ook regelmatig in de studio. In hun hoogtijdagen heb ik ze vaak zien optreden, altijd in een mooi decor met een zilveren maan en palmbomen. De kostuums waren ook heel smaakvol, alleen: hun Engelse uitspraak liet nogal wat te wensen over. Later is Luut Buysman, een jongere broer van Bill, bij de band gekomen en diens Engels was wel perfect. Dansen deden ze niet echt op het podium. Wel van die trage bewegingen met de schouders en de armen die de sfeer van Hawaii enigszins opriepen, maar met hula had het niets te maken. Ik heb alle opvolgers van Ehrlicher bij de Kilima's aan het werk gezien, maar volgens mij haalde geen van hen het bij Theo. Ik vond hem een geweldige swinger."
  "- Marcel Thielemans (Ramblers). Hij is mijn favoriete allround zanger, een echte ster en een grote persoonlijkheid. Aardige man, kon charmant vertellen over van alles en nog wat. Zijn talen — Frans, Engels en Nederlands — waren goed en hij kon mooie ballads zingen. Ik heb eens een Frans nummer van Marcel aan een Fransman laten horen.Zijn reactie luidde: "Dat lijkt Charles Trenet wel." Thielemans was één van de sterren van de Ramblers. Poppink en Barendse waren ook grootheden. In iedere sectie had die band toppers: Sem Nijveen als trompettist en violist en in de saxgroep de gebroeders Bruijn. De ritmesectie was eigenlijk het minst. Dat kwam doordat Theo Uden Masman niet zo'n geweldige pianist was. Dat wist hij zelf ook en daarom heeft hij later Charlie Nederpelt erbij gehaald. Drummer Kees Kranenburg, voor de oorlog een goede drummer, was niet met zijn tijd meegegaan en speelde in de periode na de bevrijding te houthakerig. Later is hij weer beter geworden."
  "- Johnny Holshuysen. Ik had niet zoveel op met die televisieshows waarin hij zijn "magic accordeon" bespeelde. Natuurlijk begreep ik dat mensen het mooi vonden. Het had zeker bestaansrecht, zoals ook De Zangeres Zonder Naam in een behoefte voorzag. Van oorsprong was Holshuysen een prima accordeonist, maar Johnny Meyer vond ik toch beter. Die swingde niet alleen, hij kon ook hele mooie walsjes en musettes spelen. Wanneer ik die hoorde dacht ik: hij zou een Fransman kunnen zijn."
  "- Sanny Day (Millers). Haar hoorde ik voor het eerst op de radio bij de buren als vocaliste bij het Millers Sextet. Het moet in 1946 zijn geweest. Ik weet nog dat ik dacht: "Dat is een buitenlandse." Ze kwam door de radio heel spontaan over, terwijl het bij de andere radio-orkesten altijd een beetje stijfjes was. Sanny was altijd zichzelf. Bij de radio vonden ze dat klaarblijkelijk best. Ze zong ook duetjes met Pia Beck. Allemaal live-uitzendingen waren dat. Ik herinner me een keer dat ze een verschrikkelijke hoestbui kreeg. Maar ja, het was live, dus het orkest speelde door en Pia zong het nummer met een dun stemmetje af. Het kon allemaal."
  "En dan moet je bedenken dat de Millers vrijwel nooit repeteerden! Het was van "God-zegen-de-greep" en dat deed hij ook. Sanny heeft iets brutaals, iets uitdagends in haar stem. Ik heb haar ook in K&W gezien, in een gemengd programma met de Kilima's en de Ramblers. Voor de pauze speelden de Millers een half uurtje en ik wist niet wat ik zag. Over het algemeen zaten de orkesten keurig op stoeltjes en achter lessenaars, maar hier leek alles even ongeorganiseerd: vrolijk, "happy," heel Amerikaans. Ze speelden ook liedjes die je elders niet hoorde. Dat kwam doordat de band bevriend was met Pete Felleman, die via de KLM de nieuwste platen kreeg en die aan Ab de Molenaar liet horen. Een week nadat Ab zo'n nummer had gehoord speelde hij het voor aan de Millers en als het klikte kwam het op het repertoire."
  "- Toby Rix. Heb ik één keer aan de telefoon gehad. Ik was bezig een nostalgie-compilatie samen te stellen en daar wilde ik een nummer van het Rainbow Trio in hebben. Dat was een uitstekend ensemble met close harmony. Hij had daarin gezeten en ook Joop de Knegt en Dick Harris als pianist. Hij vond het fantastisch dat het door mij gekozen nummer erop kwam. Hij was ook het eerste vriendje van Maria Zamora, met wie hij nog duetten heeft opgenomen. Hij was erg goed in samenzang."
  "- Malando/Frans Wanders. Arie Maasland was een hele rustige man. Hij zag er helemaal niet uit als een orkestleider, meer als een chef op een kantoor. Zijn successen dankte hij niet alleen aan zijn mooie composities. Ze kwamen ook voort uit zijn talent als leider en organisator van een orkest. Hij slaagde er bijvoorbeeld altijd weer in de juiste vocalisten te krijgen. Frans Wanders heeft jaren bij hem gezongen en was erg goed. Maar ook Ann Sandor, Francisca Deschamps — die hij zelf de beste vond — en Detti Casoli konden er wat van. Het orkest beschikte over een geheel eigen stijl. Dat kwam vooral doordat Malando de tango op Europese leest schoeide. Door de jaren heen behielden zijn composities kwaliteit. "Noche d'Estrellas" vind ik nog altijd een wereldnummer."
  "- Pia Beck. Pia is een verhaal apart. Ik hoorde haar voor het eerst bij het Millers Sextet. Nadat ze najaar 1949 haar eigen trio had gevormd ben ik ook dat door de jaren heen blijven volgen. Ze was een entertainer, maar een swingende. Wat ze op plaat heeft vastgelegd is maar een klein gedeelte van wat ze tijdens haar optredens deed. Haar muziek is grappig, ook de instrumentale stukken. Ieder jaar veranderde ze van bezetting, de ene keer voegde ze een vibrafoon toe, om de muziek wat te kleuren, de andere keer wat meer percussie, precies zoals het haar goed dunkte. Ontelbare keren heb ik haar in De Vliegende Hollander gezien."
  "Toen Sanny Day zeventig werd, trad Pia voor haar op in het Congrescentrum in Den Haag. Er waren nog andere pianisten bij, hele goede ook, Rob Agerbeek, noem ze maar op. Maar toen Pia opkwam trok ze alle aandacht naar zich toe. Dat flirten met het publiek lijkt haar aangeboren. Jazzcritici hebben wel eens aanmerkingen gehad op haar stijl: "Ze speelt steeds in dezelfde toonsoort," dat soort uitspraken. Maar je kunt ook zeggen dat Pia haar beperkingen kent. En dat is knap! Net zo knap als het is om decennia lang op niveau te blijven. Wel ben ik van mening dat ze er bij haar zestigjarig jubileum een punt achter had moeten zetten."
  "- Leo Fuld. Eén keer heb ik met hem te maken gehad. Dat was naar aanleiding van een LP die in de jaren zestig was uitgekomen bij Artone en die ik zou bespreken bij het radioprogramma "Pers Vers" — een titel die was afgeleid van "Vers Van De Pers," het befaamde platenprogramma van Theo Uden Masman. Op die plaat stonden nieuw opgenomen versies van zijn grote successen, waaronder "Wo Ahin Soll Ich Geh'n" en "My Jiddishe Mama." Fuld was een groot artiest."
  "- Martin Beekmans / De dansorkesten. Vlak na de oorlog hadden de Skymasters een versie van "Drum Boogie," een nummer van de beroemde Amerikaanse drummer Gene Krupa, op hun repertoire en daarin had Martin Beekmans een enorme solo. Toen ik mijn eerste plaat van de Skymasters kocht, "Tschiou-Tschiou," met Annie de Reuver, en ik dat hele soepele drumwerk van Martin Beekmans hoorde, dacht ik: "Dat is wel heel wat anders dan dat gehak van Kees Kranenburg." Maar wie was ik om te oordelen? Ik was een jaar of twaalf en Kees Kranenburg had een enorme reputatie.
  Ik ben Beekmans in zijn carrière blijven volgen en zo herinner ik mij dat hij een tijdje een kwartet had met Maria Zamora, Wim van der Beek en André Smit. Hij werd gevraagd voor allerlei groepjes en dat gebeurt alleen als je heel goed bent. Mij verbaast het nog steeds dat hij bij de Skymasters is weggegaan. Misschien streefde het orkest vernieuwing of verjonging na. De Ramblers voerden ook zo'n strategie toen ze de broers Van Rooyen binnenhaalden. Maar misschien was het ook geheel zijn eigen keuze."
10 Doorspelen in de oorlog. "Ik groeide op in de oorlog en mijn enige ervaring met het amusement van die jaren was dat mijn moeder mij verbood naar Duitse films te gaan, omdat je dan iets steunde wat typisch Duits was. Later begreep ik dat de behoefte aan vertier groot was geweest in de oorlog en dat je het bijwonen van een concert van een Nederlands orkest niet mocht vergelijken met een bezoekje aan een Duitse film. De Nederlandse bands voldeden aan de vraag naar amusement en de meeste waren alles behalve Duitsgezind. Je had natuurlijk ook muzikanten die hun diensten openlijk aan de Duitsers aanboden of bij de NSB zaten en ja, die waren fout. Vergeet ook niet dat de mensen door moesten, er moest brood op de plank. En dan was er het gevaar opgepikt en vervolgens doorgestuurd te worden naar Duitsland om daar te moeten werken voor de oorlogsindustrie. In veel gevallen vrijwaarde het lidmaatschap van een band of een kleiner ensemble je daarvan.
  "De Ramblers hebben voor Duitsgezinde organisaties opgetreden en daar is met name de leider Theo Uden Masman voor gestraft. Maar op het podium zei hij de meest kritische dingen over de bezetter en maakte hij toespelingen op een betere toekomst door het nummer "Morgen Komt Een Nieuwe Dag" op het repertoire te houden. Wanneer de band dat speelde begreep de hele zaal waar het over ging. Als Masman dan weer eens op het bureau van de Kultuurkamer moest komen zei hij doodleuk: "Ja, maar de dag van morgen komt toch?"
  "Dick Willebrands heeft met zijn orkest voor de Duitse omroep in Berlijn en in Hilversum gespeeld. Dat is waar. Maar tijdens een concert in K&W in de zomer van 1944, vlak voor de spoorwegstaking, speelde hij swingnummers van alle bekende Amerikaanse bigbands, van Benny Goodman, Artie Shaw en ga zo maar door. Gé Bakker van de GTB-studio heeft er nog opnamen van gemaakt. Nee, je kunt deze zaken niet zwart-wit zien. Er is een groot grijs middengebied."
11 Rechts: Skip Voogd nu

Mijn favorieten. "De Ramblers waren uniek, door de jaren heen. Daarom is het ook schandalig hoe ze zijn behandeld door de VARA, de omroep waarvoor ze zo lang hebben opgetreden. Mijn lievelingszangeressen waren Sanny Day en Annie de Reuver. Die waren namelijk volledig zichzelf. Ze leken niet op Sarah Vaughan of Ella Fitzgerald. Mijn favoriete zangers waren Marcel Thielemans, vooral vanwege zijn veelzijdigheid, en Jan de Vries, die in de oorlog bij het orkest van Dick Willebrands had gezongen en na de oorlog als gastzanger bij de Ramblers en voor plaatopnamen bij de Decca Melodians onder leiding van Dolf van der Linden. Jan de Vries was de meest complete Nederlandse zanger die ik ken."

  "Het hoogtepunt van mijn leven in de muziek? Mijn mooiste jaren lagen aan het begin van de jaren zestig, toen ik freelance bij de AVRO werkte, hoesteksten en artikelen schreef en overal kwam waar plezierige dingen te beleven vielen. Je dacht er niet aan dat er ooit iets anders zou komen. Je leefde en werkte in de muziek, als een vis in het water. Toen ik nog voor de klas stond heb ik er even aan gedacht Nederlands te gaan studeren. Maar toen kwam Tuney Tunes erbij en was ik verloren, niet beseffend dat ik mijn hele leven over Tuney Tunes zou blijven schrijven."
   
Previous
  2006 © Soundscapes