Logo  
  | home | authors | calendar colophon | links | newsgroups | newsfeed | new | printer version |  
volume 11
augustus 2008

Kennismaken en kennis maken met de schoolradio

 





  De radio in dienst van het onderwijs
door Hans Knot
Previous
  In de jaren vijftig betekenden de stemmen en geluiden die uit de Schoolradio kwamen, voor veel kinderen een eerste kennismaking met de bredere wereld om hen heen. In het verzuilde Nederland van die dagen droegen de programma's een sterk pedagogisch karakter, maar dat belette de jonge luisteraartjes niet om geboeid te luisteren. Hans Knot schetst hier de sfeer waarin dat gebeurde en vertelt ons meer over het fenomeen van de schoolradio.
 
1 Rechts: Promotieadvertentie voor Draadomroep

Onder de indruk van de radio. Radioluisteraars kunnen in een aantal clusters worden ingedeeld. Allereerst is daar de groep die altijd de radio aan heeft staan maar er enkel naar luistert als achtergrondgeluid, als geluidsbehang. Vaak weet men niet wat er op dat moment wordt gedraaid, laat staan wat daarvoor net voorbij is gekomen. Ook de informatie binnen de nieuws- en reclameblokken dringt maar gedeeltelijk door tot het hersendeel dat voor informatieopneming beschikbaar staat. Een andere groep bestaat uit diegenen die slechts geïnteresseerd zijn in een bepaald facet dat via de radio wordt gebracht. Mensen die hevig geïnteresseerd zijn in sport stemmen de radio bijvoorbeeld op de zondagmiddag steevast af op Radio 1 om te luisteren naar het programma Langs de Lijn, en diegenen die scherp willen blijven aangaande de actualiteiten van de dag, stemmen op hun beurt af op het programma Met het Oog op Morgen. Is het programma afgelopen, dan gaat het apparaat weer uit.

  Een volgende groep is meer geïnteresseerd in soorten van radio en wisselt bij voortduring van zender om te zien of er iets van hun gading te beluisteren is. Maar de meest fanatieke groep is die welke bestaat uit mensen die, bij wijze van spreken, de radio dag en nacht aan heeft staan en alles opslurpt aan informatie en bovendien allerlei zaken verzameld rond die radiostations en ook naar jaarlijkse bijeenkomsten van soortgenoten gaat. De leden van die laatste groep zijn vaak al vroeg in hun leven geboeid geraakt door het fenomeen van de radio. Onder die laatste groep vinden we veel zogeheten "babyboomers."
  Vreemd valt dat allemaal niet te noemen. Op diegenen die rond 1950 zijn geboren, heeft de radio een andere en meer diepe indruk achtergelaten dan op latere generaties. Veel babyboomers brachten een groot deel van hun jeugd door zonder dat het gezin, waarbinnen zij opgroeiden, in het bezit was van een televisietoestel. Natuurlijk ontwikkelde dit nieuwe medium zich lichtelijk in het begin van de jaren vijftig, maar de ontvangst van de televisiesignalen was in eerste instantie beperkt en bovendien hadden maar weinig gezinnen, in die naoorlogse periode, de financiële mogelijkheid de aanschaf van een kijkkastje te kunnen bekostigen. De radio speelde de rol die de televisie later kreeg, als een gezellig verzamelpunt van het gezinsleven. En, daar is hun beleving van de radio wel iets van blijven hangen.
  Daar komt bij dat in de jaren vijftig, met de opkomst van de jeugdcultuur, de radio voor jongeren ook een meer speciale betekenis kreeg. Met behulp van het apparaat ontwikkelden jongeren in die tijd ook een eigen muzikale voorkeur die werd gestempeld door specifieke stations. In dat bestek worden vaak de programma's aangehaald van Radio Luxembourg en van de American Forces Network die de jeugdige fascinatie met de radio vorm gaven. Via deze radiostations kon men op de middengolf liedjes horen die op de Nederlandse radio in het geheel niet of slechts uiterst zelden werden uitgezonden. Toch valt er voor deze leeftijdsgroep nog een eerdere echte vorm van radiobeleving te noemen, waar we in historisch opzicht niet omheen kunnen. De Schoolradio was destijds namelijk voor veel babyboomers op de toenmalige Lagere School vaste prik. Officieel startte de eerste vorm van Schoolradio al in 1928 via de microfoons van de NCRV. In eerste instantie werden de verschillende educatieve programma's in het verzuilde Nederland door de verschillende omroepen afzonderlijk geprogrammeerd.
  De eerste, vooroorlogse uitzendingen droegen nog een experimenteel karakter en ook bleek er aanvankelijk weinig animo te bestaan bij de scholen. De KRO beperkte zich tot een zestal proefafleveringen — met de veelzeggende onderwerpen "Spaar de vogels," "Uit den tijd van onze schuilkerken," "Iets over het kweeken van planten en bloemen," "Een reis door Italië," "Napoleon" en "Een praatje over Noorwegen" — die vanaf 19 november 1929 werden uitgezonden. Na de Tweede Wereldoorlog werd de verzuilde situatie binnen de schoolradio enigszins doorbroken. Vanaf 1948 zonden de KRO, de NCRV, de AVRO en de VARA de programma's van de Schoolradio samen uit op een reguliere basis. En, vanaf dat moment groeide ook de acceptatie snel. Wel bleef iedere omroep haar eigen kleur geven aan de inhoud van de programma's. Deze vroege vorm van schoolradio bestond uit een soort lezingencyclus die beoogde om de al bestaande kennis over een of meerdere onderwerpen al op jonge leeftijd bij de verschillende lagen van de bevolking over te brengen. De doelstelling reikte, geheel volgens de pedagogische idealen van die tijd, verder dan louter kennisoverdracht. Het bijbrengen van kennis lag ingebed in een meer omvattend idee over volksontwikkeling en volksverheffing die niet alleen pure kennisoverdracht beoogde maar zich tevens in sterke mate richtte op karaktervorming. De programma's dienden bij te dragen aan de vorming van de persoonlijkheid en de bevordering van de sociale ontwikkeling van het individu.
2 Links: Columbus neemt Guanahani in bezit, 12 oktober 1492 illustratie wandkaart

Opvoeden met de schoolradio. Hoe ging er op een school aan toe bij het luisteren naar de Schoolradio? In gedachten verplaats ik me terug naar de jaren vijftig naar mijn eigen lagere school, de St. Ludgerdusschool gelegen naast de Mariaschool aan de Tuinbouwdwarsstraat in Groningen. Het was een redelijk strenge Katholieke scholengemeenschap, waarbij meisjes en jongens strak gescheiden werden gehouden. Achter het schoolplein lag de kloostertuin, die ondermeer leidde naar de achterkant van de Heilig-Hart-Kerk. Regelmatig werden we, strak in de rij, regelmatig naar die kerk geleid voor schooldiensten en de wekelijkse biecht. En, eens per week, na het schoolkwartier in de ochtend, weer in de rij, werden we naar het bovenste lokaal aan de rechterkant op de tweede verdieping gevoerd. In dit lokaal, dat groter was dan de gemiddelde lokalen in het gebouw, was er ruimte en gelegendheid om gespannen naar de Schoolradio te luisteren.

  Zoals de naam al aangeeft, was de St. Ludgerdusschool een katholieke school en het ligt daarmee voor de hand, dat vooral die uitzendingen, die onder de mantel van de KRO op de radio te horen waren, de aandacht hadden van onze hoofdonderwijzer, de heer Le Roux. De man dwong enorm respect af en je haalde het wel uit je hoofd tegen hem in opstand te komen. Trouw liepen we dan ook naar zijn lokaal om de Schoolradio te beleven. Het zat, achteraf beschouwd, allemaal best wel slim in elkaar. In het lokaal was er een verbinding via de radiodistributie en was er dus een ontvangstpunt en speaker opgehangen. Een storingsvrije ontvangst was gegarandeerd, want via vier kanalen werden de programma's door de PTT per draadtransmissie aangeleverd. Een uitzending werd daarnaast vaak geïllustreerd via bewegende, maar ook wel stille beelden, die via filmstroken, een projector op film dan wel dia tot ons kwamen.
  Een deel van uitzendingen betrof muziek ten dienste van onze muzikale vorming. Dat deel werd, vooral na de oorlog, toen de radio eenmaal meerdere uren uitstraalde, systematisch opgevoerd. Daarnaast diende de luisteraars, en in dit geval dus de leerlingen op de lagere school, over allerlei onderwerpen te worden opgevoed. Behalve met met geluid ging dat ook toen al met beelden. Naast de uitzending en de voornoemde illustraties van Schoolradio was er ook vaak sprake van begeleidende brochures die naar de scholen waren gestuurd om ook onder de ogen van de leerlingen te worden gebracht, zodat ook na de uitzending op de gebrachte onderwerpen kon worden terug gekomen. En, als toegevoegde waarde werden er nog tal van schoolplaten ter projectie van de onderwerpen gebruikt. Was er een uitzending geweest waarin de ontdekking van Amerika door Columbus en de zijnen was behandeld, dan kwam steevast een schoolplaat in de klas van Le Roux te hangen waarop Columbus stond afgebeeld samen met de inlandse bevolking.
  Natuurlijk werd het belang van het katholieke leven in de speciale programma's van de KRO voor Schoolradio niet vergeten. Niet alleen op mij zal de film indruk hebben gemaakt die handelde over het leven van de missionarissen en de door hen 'geredde' negertjes. Met uiteraard, daarbij aansluitend, de uitdrukkelijke wens om voor hen toch vooral zilverpapier te sparen. Je vroeg je in die tijd niet af waarom men zo graag zilverpapier wilde hebben. Nee, je vertrouwde je blind op de boodschapper. Pas achteraf begreep ik waar het om ging. Het zilverpapier kon worden gerecycled. In het zilverpapier zat vroeger stanniool, een zeer dun gewalst tin. En dat bracht geld op. Het ging niet om grote bedragen, maar 'enige waarde' had het wel en in die tijd hielpen alle kleine beetjes. We vonden het in de toenmalige sigarettendoosjes, omwikkeld om chocolade en bonbons, maar ook verwerkt in de doppen van de melkflessen. De zilveren kleur had volgens sommigen ook een 'symbolische waarde'. Van de opbrengst van de recycling kon de missionaris, voor wie was ingezameld, weer het nodige doen voor het goede doel: het bekeren van de inwoners van het district van een bepaald land waarin hij functioneerde.
  De Schoolradio slaagde er goed in om de interesse vast te houden. De gebrachte informatie kwam op mij althans altijd als zeer boeiend over. Het was niet alleen het onderwerp. Wij, de leerlingen, vonden doorgaans alles even interessant. Dat kwam deels ook vanwege de presentatie, die doelbewust direct op de individuele luisteraar was gericht. Het was alsof de sprekers zich in het programma rechtstreeks tot 'jou' wendden alsof je de enige luisteraar was; direct en boeiend en vooral levendig werden de onderwerpen besproken. De programmamakers waren zich er ook goed van bewust welke doelgroep men voor zich had. De programma's vermeden een droge opsomming aan feiten en wijdlopige bewijsvoeringen; het bevattingsvermogen van de jonge luisteraar werd echt goed in de gaten gehouden en men zorgde ervoor dat het aanbod voldeed aan de eisen van attractiviteit, actualiteit en directe gerichtheid. Maar, er bleef natuurlijk altijd een taak over voor de begeleidende leraar, die gezamenlijk met de leerlingen het programma van de Schoolradio beluisterde. Het was voor deze een zaak van het direct opvangen van de spontane vragen die vanuit het klaslokaal werden gesteld. De autoriteit van de onderwijzer in de klas dekte die van de radio. Het instrument van de Schoolradio werd dan ook in de jaren vijftig op vele scholen gebruikt. Het werd door onderwijzers en schooldirecties gezien als een duidelijke verruiming van het leerplan en dus een verbreding van de gezichtsveld van de kinderen.
  Ook in wetenschappelijke kring trok het fenomeen de nodige aandacht. Al vroeg in de jaren vijftig werd er volop gepubliceerd over het nut van de schoolradio. Zo verscheen er in 1950 een rapport "Schoolradio," gepubliceerd door het Nutsseminarium voor Pedagogiek van de Universiteit van Amsterdam, waarin nadrukkelijk op de grote betekenis van de Schoolradio werd gewezen: "Als de school helpt aan de voorbereiding van gespannen, eerbiedig en kritisch luisteren, aan de ontwikkeling van oordeelkundig denken en gesublimeerde emotionaliteit, voldoet ze mede aan de maatschappelijke plicht." De schoolradio kon de jeugdige, dus de volwassen van 'morgen', doen inzien dat de radio veel meer kon brengen dan muziek en amusement alleen, namelijk informatie en opvoeding.
3 Rechts: QSL-kaart Radio Moscow

Naar Angelsaksisch voorbeeld. Sociologen hadden in die dagen ook een duidelijke verklaring voor het succes van de Schoolradio. Klaas van Dijk, die in 1953 promoveerde op zijn studie Radio en Volksontwikkeling, schreef in dat proefschrift bijvoorbeeld: "Ondertussen kan men de groei, het succes van schoolradio waarschijnlijk voor een goed deel toeschrijven aan de omstandigheden, dat deze uitzendingen zich richten tot een vooraf bekend publiek, een publiek ook waarvan de samenstelling bekend, en homogeen is. Over de psychologie als over de praktijk van het schoolonderwijs is veel geschreven, is veel zelfs algemeen bekend te noemen, zodat de samensteller van de schoolradio het in vergelijking met degene, die een instructieve uitzending voorbereidt in het kader van een buitenschoolse volksontwikkeling voor volwassenen zeer gemakkelijk heeft." De samenstellers van Schoolradio hadden het, zo luidde de stelling, redelijk gemakkelijk omdat radiomakers goed wisten hoe zij hun jeugdige publiek moesten benaderen.

  Helemaal vanzelfsprekend was dat gemak overigens niet. Het had voor een belangrijk deel te maken met het feit, dat elders — en dan met name in Engeland en Amerika — al de nodige ervaring met dit soort programm's was opgedaan. Daar had zich ook al een model ontwikkeld dat navolging kon krijgen. Daar kwam bij dat de makers van de radioprogramma's die inhoudelijk voor verbreding van kennis gedegen werden opgeleid. Naast normale opleidingen was er bijvoorbeeld in Engeland al voor het eerst sprake van uitgebreide trainingen van personeel van de BBC in het jaar 1936. Dit gebeurde door het openen van een speciale school voor radiomedewerkers, de eerste in haar soort. In eerste instantie leidde men daar 'eigen mensen' op in de diverse facetten van het radiomaken, maar al spoedig kwam de leerlingen ook van buiten 's lands grenzen. Na de Tweede Wereldoorlog, gedurende welke periode de activiteiten praktisch stil hadden gelegen, werd door de BBC vijf verschillende cursussen naast elkaar gegeven. Daarbij werkte men samen met de London University.
  In andere landen werd met jaloerse blikken gekeken naar de opzet van de BBC. In de periode tussen 1941 en 1947 werden er liefst 1.705 personen opgeleid en onderwerpen kregen behandeld als: "the nature of broadcasting," "from microphone to loudspeaker," "the use of actuality in radio" en "writing in radio." Vooral dit laatste onderwerp was van groot belang daar men ondermeer geleerd werd dat men radioteksten niet schreef zoals men een journalistiek artikel schreef maar vooral gericht op het duidelijk maken van een tekst gericht op die ene persoon binnen de doelgroep waarvoor de teksten en dus het onderwerp bestemd zijn.
  In de Verenigde Staten was de opleiding echter niet direct verbonden aan een van de grote omroepmaatschappijen als ABC en CBS. Aan verschillende universiteiten, zoals die van Minnesoata, Michigan, Wisconsin en Iowa kon in de jaren vijftig van de vorige eeuw een academische graad behaald worden in "Radio and Television Broadcasting." Zo bestond er aan de universiteit van Boston een afdeling "Division of Radio, Speech and Theatre" waar je een volledige opleiding tot "Master of Arts in Radio and Television Broadcasting" kon volgen. Alle facetten van het radiomaken werden in de opleiding uitgebreid belicht, waartegen de persoon achter de microfoon, de reporter en de programmaleider tegenaan kon lopen. Tevens werd er theoretisch uitgebreid inzicht gegeven in de vele vraagstukken die voor de programmamakers dagelijks kunnen terugkeren. Men kreeg tevens inzicht in de vele voorkomende technische problemen en ook aan alle facetten rond het management binnen een radiostation werden vele college-uren besteed. De universiteit van Boston beschikte zelfs als één van de eerste over een laag-vermogen FM-zender, een novum in die jaren, waardoor studenten op de campus ook nog eens konden luisteren naar datgene dagelijks in de praktijk werd gebracht door de "master students of Arts in Radio and Television Broadcasting."
  Het is dus niet zo vreemd, dat socioloog Klaas van Dijk kon wijzen op een brok ervaring waaruit de Nederlandse programmamakers konden putten. Van Dijk deed in het begin van de jaren vijftig overigens ook onderzoek naar dergelijke vormen van onderwijs in de landen van Oost-Europa, maar kon niet tot gedetailleerde omschrijvingen komen zoals wel mogelijk was met de Angelsaksische landen. Hij meldde dan ook in een van zijn onderzoeken dat er bijna een volkomen onwetendheid bestond over de activiteiten in de landen achter het toenmalige "IJzeren Gordijn": "Wat de Sovjet Unie betreft weten we, dat men daar geregeld jonge mensen uitnodigt om het radiowerk van nabij te bekijken."
  Inderdaad werden tot in de jaren tachtig West-Europese, vooral jongeren, genodigd naar Moskou te komen. Uiteraard werd door de jonge DX'ers ook geluisterd naar de internationale programma's van Radio Moscow, hoewel deze grotesk van propagandistisch niveau waren. Voor deze groep was het ook interessant om een luisterbevestiging te krijgen via een QSL kaart of een ander document vanuit de burelen van de betreffende omroep. Bleek het dat men regelmatig naar de programmamakers schreef, dan was de kans groot dat je zelfs in het Nederlands werd aangeschreven al dan niet voorzien van een uitnodiging Radio Moscow te komen bezoeken.
  In Polen, een van de landen van het Oostblok, vielen wel bepaalde parallellen te constateren met Engeland en de Verenigde Staten. In Warschau bestond namelijk in de jaren vijftig van de vorige eeuw al een Journalistenschool waar ondermeer een aantal colleges over radiocommunicatie werd gegeven. Ook aan de universiteit van Boedapest waren er al volop colleges over deze materie in de roostering opgenomen. Aangenomen mag worden dat in die jaren na de Tweede Wereldoorlog en dus de tijd van de Koude Oorlog binnen de colleges vooral heel veel aandacht werd gegeven aan het brengen van de communistische vorm van propaganda in alle uitzendingen; zowel aan het eigen volk als aan de buitenlandse luisteraars. De boodschap van de leiders dienden onvoorwaardelijk door de ether te klinken. Teksten, die voor de uitzendingen werden geschreven, zouden nooit direct na het schrijven uitgezonden worden, aangezien ze telkens voor een screening aan de hogere ambtenaren dienden te worden voorgelegd. In de USSR, zoals de Sovjet-Unie ook vaak in de pers werd aangekondigd, gold inmiddels in het begin van de jaren vijftig "het verspreiden van politieke informatie ten einde de politieke paraatheid van het volk te vergroten" als eerste en dus voornaamste taak van de Staatsomroep. Hier kunnen we, in plaats van volksontwikkeling, beter spreken van 'volksopvoeding onder dwang.'
4 Links: de cast van Sesamstraat

Van gerichte opvoeding naar speelse kennisoverdracht. Wat betreft de West-Europese landen en het belang van onderwijs over omroepzaken in de eerste helft van de jaren vijftig van de vorige eeuw dan kan worden gesteld, dat in Frankrijk, Italië en België, zij het slechts in bescheiden mate, de omroep een zekere plaats had gekregen binnen de universitaire opleidingen. Dit gebeurde, in het algemeen, in het kader van de algemene colleges over het massacommunicatiemiddel radio. In België werd aan de universiteit van Brussel een blok colleges verzorgd onder de naam 'télécommunications', waarin naast het onderwerp 'radio' ook allerlei andere vormen van communicatie uitgebreid onder de aandacht van de studenten werden gebracht. In Italië bestond er in die tijd wel ruimer aandacht voor het onderwijzen over het onderwerp 'radio'. Aan de Pro Deo Universiteit, gevestigd in Rome, kon daar het beste de colleges over het onderwerp massacommunicatie door belangstellenden worden gevolgd.

  Het Duitsland van na de Tweede Wereldoorlog is natuurlijk een geheel ander verhaal. Het land was, in 1949, verdeeld in een westelijk en oostelijk staatsgedeelte en in de jaren daarvoor was het maken van radio een hele lange tijd een zorg van de geallieerde troepen geweest. Pas in het begin van de jaren vijftig was de situatie dusdanig, dat kon je spreken van een eigen verantwoordelijkheid van de betreffende instituten voor hun eigen vorm van radiomaken. Een andere vorm van onderwijs gebeurde in Zweden waar de Staatsomroep haar personeel onderrichtte via Radiotjants, een soort van algemene trainingscursussen waarvan een onderzoek in 1952 aantoonde dat minimaal een kwart van de stafleden deze cursussen al had gevolgd.
  Onderwijs en training zouden na de jaren vijftig bij het radiomaken blijven behoren. De Schoolradio kreeg het na die tijd echter een stuk moeilijker. De belangrijkste reden daarvoor ligt in de toenemende concurrentie van de televisie. En, met de opkomst van dat nieuwe medium, veranderde ook de inzet van het zogeheten afstandsonderwijs. In 1957 bracht de Sovjet-Unie de eerste kunstmatige sateliet in een geostationaire baan om de aarde. Het betekende een schok voor de westerse wereld. Vanuit de veronderstelling van een kennis- en onderwijsachterstand werden allerlei nieuwe initiatieven genomen op onderwijsgebied, zoals stimuleringsprogramma's voor kinderen. De aandacht voor karaktervorming verdween en daarvoor in de plaats kwam een sterke gerichtheid op taal- en kennisontwikkeling, dat alles in een vrolijke verpakking die voldeed aan nieuwe ideeën over de leefwereld van kinderen. Ook op dit punt nam de televisie het voortouw; denk dan met name aan het programma Sesamstraat, inmiddels het langstlopende programma op de Nederlandse televisie. Het startte in Amerika al op 10 november 1969. De eerste uizending in Nederland volgde iets meer dan zes jaar later, te weten op 4 januari 1976. Tegen de televisie was de Schoolradio uiteindelijk niet opgewassen. In het midden van de jaren tachtig beëindigde de KRO het radioprogramma.
   

  Literatuur
 
  • Brouwer, W.H., P. Post en M.C.J. Scheffer (1950), Schoolradio. Groningen: Wolters (Mededelingen van het Nutsseminarium voor de Paedagogiek aan de Universiteit van Amsterdam, no. 48).
  • Dings, Willem (1998), "KRO - schoolradio. Documenten nader ontsloten." In: Erasmusplein, 9, 2.
  • Dijk, Klaas van (1953), Radio en volksontwikkeling. Assen: Van Gorcum.
  • Knot, Hans (2001), "De radio als politiek strijdmiddel. Propaganda via de radio in heden en verleden." In: Soundscapes, 4, 3 (Autumn).
Previous
  Beeldmateriaal: Museum voor Communicatie Den Haag en het Archief Hans Knot
  2008 © Soundscapes