Logo  
  | home | authors | calendar colophon | links | newsgroups | newsfeed | new | printer version |  
volume 14
juni 2011

Onderwijstelevisie in Nederland: de eerste jaren

 





  Over de introductie van de televisie in het onderwijs
door Hans Knot
Previous
  In 1963 deed de televisie haar intrede als leermiddel in het Nederlands onderwijs. In dat jaar begon de Stichting Nederlandse Onderwijsfilm haar eerste experimenten met dit nieuwe medium. Twee jaar later, met de oprichting van de NOT, werden de uitzendingen officieel. De organisatie was er aanvankelijk vooral op uit om de bezorgdheid en de mogelijke weerstand bij leraren weg te nemen.
 
1 Van film naar televisie. Tot halverwege het jaar 1965 bleef het gebruik van audiovisuele media in het Nederlands onderwijs beperkt tot de zogeheten onderwijsfilm en onderwijsdia. Vanaf dat moment deed de onderwijstelevisie haar intrede. Tot die tijd werd er eens per week, voor een publiek van vaak meerdere klassen tegelijk, in een verduisterd lokaal een film gedraaid of een diapresentatie gegeven en na afloop besproken met een van de leraren. Ook werden er dia's vertoond, vaak onder begeleiding van het geluid van de schoolradio, waardoor het verhaal dat op de radio gebracht werd ook nog eens visueel werd gemaakt. Voor de begeleidende leraar, die ook de apparatuur moest bedienen, was daarbij een transcript beschikbaar. Zo kon hij of zij zien wanneer de volgende dia op het scherm diende te verschijnen.
  Deze vorm van onderwijs werd ook wel filmdidactiek genoemd. In Nederland was deze vorm van onderwijs voor het eerst waar te nemen in de jaren twintig van de vorige eeuw. Het vond slechts langzaam ingang. Voor deze vorm van onderwijs was een speciale stichting in het leven geroepen, de NOF; voluit de Stichting Nederlandse Onderwijsfilm. Eén van de taken van deze instelling was om het onderwijzend personeel te instrueren over het gebruik van het geleverde materiaal en ze uit te leggen in welk opzichten de onderwijsfilm verschilde ten opzichte van de bioscoopfilm. Dat was in die tijd hard nodig, omdat er vooral in de kringen van het onderwijs nogal wat negatieve opvattingen leefden over wat er in de bioscopen te zien viel.
2 De Nederlandse Onderwijs Televisie In 1963 werd de eerste vorm van experimentele onderwijstelevisie door het NOF verzorgd middels het uitzenden van een kort programma over de belangrijkheid van de stad Basel voor Zwitserland. Het was in 1965 dat het bestuur van het NOF overging tot de oprichting van het NOT, de Nederlandse Onderwijstelevisie; vooral met als doel op die manier meer gelden binnen te kunnen halen voor audiovisuele hulpmiddelen voor de onderwijstelevisie. Wat ik me zelf nog herinner, na al die decennia, is dat de onderwijsfilms, die ik in de loop der jaren op de lagere en middelbare school heb gezien, er vooral op waren gericht het kind te onderwijzen over wat er zoal in verre landen speelde. Daarnaast belichtten de beelden ook de geschiedenis van ons eigen land en vooral lieten ze zien hoe we als kind in tal van situaties dienden om te gaan met volwassenen.
  In de onderwijskundige literatuur wordt deze vorm van presentatie de 'Sociale Onderwijsfilm' genoemd. Met de oprichting van de Nederlandse Onderwijs Televisie betekende dit dat er vanaf dat moment in de hogere klassen van het Lager Onderwijs en de klassen van het Middelbare Onderwijs ook gelegenheid was Onderwijs Televisie te volgen via het NOT, dat vele jaren later zou gaan samenwerken met Teleac, RVU en NOS. De lagere klassen van het toenmalige Lager Onderwijs kregen een aantal jaren later de mogelijkheid speciale Onderwijstelevisie programma's te bekijken.
3 Testjaren. In de testjaren van de onderwijstelevisie, tussen 1963 en het moment dat de NOT officieel in 1965 werd opgericht, werden er slechts 39 programma's uitgezonden, die op ruim 250 scholen in Nederland werden bekeken. De uitzendingen waren vooral bedoeld om aan productiezijde de eerste ervaringen op te doen en om te zien hoe de deelnemende scholen op het nieuwe onderwijsmiddel reageerden. De gemiddelde waardering, die vanuit de deelnemende scholen werd gegeven, valt aan te geven als: 'ruim voldoende'. Een onderzoek gedaan vanuit het NOF gaf aan dat slechts 3% van het onderwijzend personeel de uitzendingen als onvoldoende beschouwden. Uit het onderzoek naar de waardering van de programma's kwam duidelijk naar voren dat het onderwijs veel moeite had gehad om deze onderwijsprogramma's in de normale, dagelijkse onderwijsactiviteiten op te nemen.
  Ook werd er in het eerste jaar van het experiment een oordeel gevraagd van de leerlingen. Bij liefst 65% kwam naar voren dat men de aangeboden onderwijsprogramma's goed had bevonden en het restant van 35% beoordeelde de programma's als voldoende. Wel waren er kritische noten terug te vinden betreffende het onderwijsexperiment. Deze waren afkomstig van een aantal kijkgroepen bestaande uit medewerkers van pedagogische centra, pedagogische instituten, landelijke onderwijsbureaus en onderwijsinspecteurs. Deze groepen oordeelden voor 13% dat de inhoud onvoldoende was; 44% vond het een voldoende waard en 35% vond de programma's goed. Bij 7% was een geen duidelijke mening in beoordeling gegeven.
  De organisatie ging niet over één nacht ijs; men voorzag problemen door een te slechte voorlichting en dus werden er onder de titel 'televisie voor en in de school' op zes achtereenvolgende dinsdagen in januari en februari 1965 speciale programma's voor het onderwijzend personeel uitgezonden. De programma's werden daarbij ook nog eens herhaald op de vrijdag. Deze programma's waren samengesteld door een team bestaande uit drs. E.A. van Trotsenburg, destijds werkzaam als wetenschappelijk hoofdmedewerker aan het Pedagogisch Didactisch Instituut van de Universiteit Amsterdam, de heer J.D. 't Lam, verbonden aan het NOT als programmacoördinator en de heer W. Witteveen, die als regisseur werkzaam was bij de NTS, de Nederlandse Televisie Stichting. Via het behandelen van een zestal thema's probeerde men in deze programma's het onderwijzend personeel te overtuigen van het nut van Onderwijstelevisie. Hun boodschap was dat programma's van de onderwijstelevisie compleet verschilden van wat er zo in doorsnee werd vertoond op de beeldbuis in de Nederlandse woonkamers.
4 Lessen voor leraren. In de jaren vijftig en zestig was de invloed van de onderwijskunde nog niet bijzonder groot. Daarom was ook het idee nog niet doorgedrongen, dat leren iets van de leerlingen zelf was en dat leraren zich moesten opstellen als begeleiders daarvan. In die tijd zagen leraren zich nog voornamelijk als overdragers van kennis. De onderwijstelevisie leek die rol over te nemen en werd om die reden soms ook als een bedreiging ervaren. Bij de start van de onderwijstelevisie in Nederland stelde de onderwijswereld dan ook duidelijk dat het toen nieuwe onderwijsmiddel alleen verrijkend en aanvullend mocht zijn. Oftewel: de onderwijstelevisie mocht niet doen wat de school zelf kon doen. Dit vooral uit vrees dat de onderwijstelevisie de positie van de leerkracht zou kunnen aantasten. De wens om uitsluitend verrijkende programma's te brengen, bracht de programmamakers ertoe om onderwerpen te kiezen waarvan het absoluut noodzakelijk was om ze te behandelen in de school. Bij de aankondigingen over de onderwerpen aan de deelnemende scholen kon het onderwijzend personeel per school beslissen het programma al dan niet op te nemen in het totale onderwijspakket.
  De eerste les bevatte een inventarisatie van de gebruiksmogelijkheden van het televisie-instrumentarium, waarbij vooral het eigen karakter van de onderwijstelevisie werd uitgelegd. De tweede les was toegespitst op het gebruik van audiovisuele middelen, met nadruk het gebruik van de televisie. Door inzet van de televisie was, zo luidde de boodschap, een nieuwe lessituatie ontstaan. De leraren werden immers met een nieuwe wijze van overdracht van leerstof geconfronteerd. De derde les bood ruimte voor de consequenties van de invoering van de onderwijstelevisie voor de leerkracht. Ondermeer kwam daar de vraag aan de orde of de leerkracht van zijn plaats werd verdrongen. De vierde les was om duidelijk te maken welke plek de leerkracht kreeg bij het gebruik van de onderwijstelevisie, terwijl in les vijf de nadruk lag op de lesvormen om en rond de onderwijstelevisie. Daarbij werd onderscheid gemaakt tussen aanvullende onderwerpen op bestaande leerstof en de autonoom staande programma's. In het laatste, en zesde deel, werd nog eens nagegaan wat kenmerkend was voor de televisie in onderwijssituatie en welke praktische consequenties daaruit voortvloeiden.
  Met deze zes voorlichtende lessen heeft men een basis willen leggen voor het onderwijzend personeel. De activiteit die met name van de onderwijzer werd gevraagd had tot doel het effect van de televisielessen te controleren, de aangeboden stof aan te vullen en vast te leggen, de stof te integreren in het schoolprogramma en vervolgens in te bedden in de ervaring van de leerlingen.
5 Van ondersteuning naar verrijking. Bij de start van het schooljaar 1965/1966 verloor de Nederlandse Onderwijstelevisie het predicaat 'experimenteel' en werd er door het NOT ingezet op het brengen van meer programma's en het bereiken van meer scholen voor het onderwijsproject. Er werden 77 programma's geproduceerd over 14 kleine tot middelgrote series. Ook de doelstelling tot het bereiken van meer scholen werd gehaald, want eind 1965 stond het aantal op 500. Ook werd het beperkte uitgangspunt van de onderwijstelevisie van uitsluitend verrijkende programma's nietig verklaard en vervangen door een breder uitgangspunt. Daardoor ontstond een programmabeleid dat niet langer was gebaseerd op het door het onderwijs op voorhand vastgestelde wenselijkheden, maar een verkenning van de diverse nuchter te constateren mogelijkheden die de televisie aan het onderwijs kon gaan bieden. Vanaf dat moment werd schooltelevisie meer verrijkend.
  Het oogmerk werd het stimuleren en activeren van leerlingen en leraar door middel van het presenteren van leerstofonderdelen. Ze verschafte documenten die de school niet, of slechts met veel moeite zelf kon produceren. De eerder voorgestelde commissieleden concludeerden dan ook dat vanaf het moment dat de NOT in haar tweede fase kwam, de daarop volgende jaren als een overgangsperiode dienden te worden beschouwd. In die nieuwe fase zou, vooral langs de moeizame weg van 'trial en error' en met een hopelijk goede wetenschappelijke begeleiding, weer volop geëxperimenteerd worden om onderwijstelevisie optimaal dienstbaar te maken voor het onderwijs.
   
Previous
  Geraadpleegde literatuur
 
  • Bosquée Joseph (1965), Didactique de l'emploi de la télévision. Den Haag: NOT.
  • Hekkert, R.H. (1965), Ervaringen met onderwijstelevisie in Nederland. Den Haag: NOT.
  • Korte, D.A. de (1964), Televisie bij onderwijs en opleiding. Amsterdam: AGON.
  • NOT (1965), Handleiding voor 'Televisie voor en in de school'. Den Haag: NOT.
Previous
  2011 © Soundscapes