Logo  
  | home | authors | calendar colophon | links | newsgroups | newsfeed | new | printer version |  
volume 15
april 2012

Media/trial: De productie van nieuws in de zaak Van Anraat

 





  1. De zaak Frans van Anraat: achtergronden
door Rob Leurs
Previous
 

In de oorlog tussen Irak en Iran (1980-1988) onderneemt de Iraakse leider Saddam Hussein actie tegen de Koerdische bevolking in het olierijke noorden van Irak. In de zogeheten Anfal-campagne (1986-1989) wordt onder meer gebruik gemaakt van gifgassen. Een deel van de grondstoffen voor de productie daarvan zouden zijn geleverd door de Nederlandse Frans van Anraat. Na veel omzwervingen wordt Van Anraat eind 2004 in hechtenis genomen en in 2005 berecht en wegens medeplichtigheid aan oorlogsmisdaden veroordeeld tot 15 jaar celstraf. Voorafgaand en rond het proces spelen de media een belangrijke rol.

 
  Nothing about evil is without contradiction. Nothing about evil is certain.
Roger Silverstone [1]
   
1 Inleiding. Media en rechtspraak hebben een complexe relatie: rechtszaken dienen onafhankelijk te zijn en (journalistieke) media beogen ongehinderd verslag te doen omwille van 'objectieve berichtgeving'. Dat kan een onderlinge spanning opleveren die soms resulteert in 'trial by media'. Dit concept geeft aan dat media en rechtspraak weliswaar tegelijkertijd aanwezig zijn maar toch relatief onafhankelijk van elkaar opereren: media beïnvloeden reputaties van verdachten of andere deelnemers aan een rechtszaak vooruitlopend op en/of los van de uitspraak door rechters. De rechtszaak tegen de van moord verdachte O.J. Simpson is daar een goed voorbeeld van. Ondanks de vrijspraak gelooft een groot deel van de Amerikaanse bevolking dat hij toch schuldig is aan tweevoudige moord. [2]
  Echter, de relatie tussen media en rechtspraak kan nog complexere vormen aannemen. De zaak van de van genocide verdachte zakenman Frans van Anraat laat zien dat deelnemers aan een rechtszaak ook media op strategische wijze kunnen inzetten teneinde de rechtsgang te beïnvloeden. Ook in andere zaken is dat het geval, bijvoorbeeld het inschakelen van media bij het werven van potentiële (kroon)getuigen. Dat vereist afstemming van ideeën over welke verklaringen juridisch wenselijk zijn, welke persoon zo'n verklaringen kan afleggen en hoe media in te zetten zijn om die persoon zover te krijgen om als getuige op te treden. Media en rechtspraak opereren in zo'n geval dus niet meer relatief onafhankelijk van elkaar. Deze wederzijdse beinvloeding is, analoog aan 'trial by media', te begrijpen in termen van 'media/trial'.
  Deze vorm van interactie tussen media en rechtspraak bespreek ik aan de hand van de rechtszaak tegen Frans van Anraat. Maar eerst zal ik de achtergrond van deze zaak toelichten. De Nederlandse zakenman Van Anraat is onder meer aangeklaagd wegens medeplichtigheid aan de genocide op Iraakse Koerden door het regime van Saddam Hussein. Na de val van de Iraakse dictator is Frans van Anraat in Nederland berecht en tot 17 jaar gevangenisstraf veroordeeld. Media hebben op verschillende momenten voorafgaand aan en tijdens de rechtszaak een cruciale rol gespeeld, zowel in de 'ouderwetse' zin van informatievoorziening als in het sturen van het juridische proces. De strategische inzet van media door betrokkenen bij de rechtszaak teneinde het proces te beïnvloeden maakt deze zaak tot een geschikte casus om 'media/trial', de interactie tussen media en rechtspraak, te analyseren. Voordat ik het gebruik van media bespreek, zal ik in deze inleidende paragraaf eerst de genocide op de Koerden en het proces tegen Frans van Anraat bespreken. In de volgende paragrafen zal ik dan de werking van 'media/trial' laten zien.
2 De Anfal-campagne. Zakenman Frans van Anraat wordt gezien als belangrijkste leverancier van grondstoffen voor de gifgassen die door het regime van Irak worden geproduceerd. Van 1980 tot en met 1988 zijn Irak en Iran in oorlog met elkaar. De Iraakse leider Saddam Hussein meent dat zijn Koerdische bevolking (die in het olierijke noorden van Irak woont) sympathiek staat tegenover Iraanse miltairen en Peshmerga's (Iraakse opstandeling). Om de Koerdische burgerbevolking te ontmoedigen wordt een veelomvattende operatie opgezet. Al-Anfal (of: Anfal-campagne) is de term waarmee het Iraakse regime het plan aanduidde om de Koerdische bevolking te terroriseren. De Anfal-campagne duurde van 1986 tot en met 1989 en bestond uit fysiek geweld (bombardementen, moordpartijen, het gebruik van gifgassen), deportaties (o.a. door vernietiging van nederzettingen) en Arabisering van taal en cultuur (bijv. door woningen in Koerdische steden beschikbaar te stellen aan arme Arabieren uit Zuid-Irak).
De beruchte leider van de Anfal-campagne is Ali Hassan al-Majid, in Nederland beter bekend als "Ali chemicali"; deze neef van Saddam Hussein heeft zijn bijnaam te danken aan de gifgasaanvallen die hij liet uitvoeren op Koerdische burgers en Peshmerga's en op Iraanse militairen. Mensenrechtenactivisten hebben deze gifgasaanvallen al in een vroeg stadium als genocide bestempeld, [3] maar het zou tot het proces tegen Frans van Anraat duren voordat ook juridisch werd vastgesteld (in December 2005) dat er sprake was van genocide. De uitspraak in de rechtszaak tegen de Nederlander Frans van Anraat is van groot belang omdat, nu eenmaal is vastgesteld dat er sprake was van genocide, in Irak de genocide-aanklacht makkelijker ingebracht kon worden in de processen tegen Saddam Hussein en Ali Hassan al-Majid (hierover later meer).
De Anfal-campagne werd uitgevoerd in een groot gebied in Noord en Noord-Oost Irak. Voor dit artikel is met name het genocide-aspect relevant. Een tragische exponent hiervan bestaat uit de gifgasaanvallen op de stad Halabja op 16 en 17 maart 1988. Halabja werd bestookt met bommen die verschillende soorten gifgassen meevoerden: mosterdgas, sarin, soman, tabun en mogelijkerwijs VX. [4] De combinatie van chemicaliën had een meervoudige uitwerking op de burgerbevolking: sommigen stierven plotsklaps, anderen moesten eerst overgeven of kregen brandwonden of blaren voordat ze stierven. [5] In totaal zijn in Halabja zo'n 5.000 mensen direct gestorven. Een getuige:
"Overal was het hetzelfde. Er waren mensen van Halabja naar de omliggende dorpen gevlucht. Zij waren onderweg door de chemische bommen getroffen en daar omgekomen. Overal in de stad zagen wij lijken liggen net als in de dorpen Jalila, Ababeili, Anab en Bamok. Tot drie keer toe konden wij de stad niet uitkomen omdat er zoveel lijken op de weg lagen." [6]
Daarnaast raakten circa 10.000 mensen gewond. [7] De verwondingen hebben lange termijn effecten: er is onder meer sprake van (long-, huid-, darm-, borst-, bloed- en andere) kanker, neurologische aandoeningen, onvruchtbaarheid, misvormingen, ademhalingsproblemen, miskramen en geboorte-afwijkingen. Ook is de grond langdurig vervuild, en daarmee de voedsel- en watervoorziening. De aanval op Halabja is inmiddels niet alleen erkend als genocide, maar ook als grootste aanval met chemische wapens ooit op burgers.
3 Slachtoffers en daders. Deze aanvallen waren zeker niet de eerste, maar ook niet de laatste: "[d]e Iraakse gifgasaanvallen gaan na Halabja gewoon door. Op 3 mei 1988 is de Koerdische stad Goktapa aan de beurt, op 22 juli de Iraanse stad Zardeh, op 2 augustus Oshnaviyeh en in dezelfde maand de Noord-Iraakse steden Zewa en Birjinni." [8] Er is wel enige reactie van de buitenwereld — zo nemen de Verenigde Naties op 9 mei 1988 Resolutie 612 aan waarin het gebruik van chemische wapens wordt veroordeeld (chemische wapens zijn verboden als oorlogstuig) — maar politieke verhoudingen vertroebelen de zaak: in de Iran-Irak oorlog heeft het Westen partij gekozen voor Irak, en zou door de illegale handelingen nu haar bondgenoot moeten berispen ten gunste van "aartsvijand" Iran. In plaats daarvan besluiten enkele Westerse politici te suggereren dat Iran de dader is van de gifgasaanvallen. Dit is eens temeer tragisch aangezien de naar schatting 300 Iraakse aanvallen met chemische wapens tussen 1981 en 1989 niet alleen Koerdische burgers en Peshmerga's treffen, maar ook Iraniërs. [9]
  De gifgasaanvallen leveren aan Iraanse kant zelfs vele duizenden slachtoffers meer op: alleen al 100.000 soldaten worden getroffen door voornamelijk mosterdgas en tabun — het aantal Iraanse burgerslachtoffers is onbekend. In de rechtszaak tegen Frans van Anraat, leverancier van vele grondstoffen van chemische wapens, haalt het Openbaar Ministerie onder meer de volgende (burger)getuigenis aan:
"Getuige Qumarz was buiten de stad toen de bommen neervielen. Toen hij de stad in ging om naar zijn familie te gaan werd hij geconfronteerd met verschrikkelijke beelden. Veel mensen gebruikten het water om zich te wassen, zonder te weten dat ook het water verontreinigd was door de aanval. Ze raakten vaak meteen buiten bewustzijn of overleden. Getuige vond 21 van zijn familieleden dood. Veel lichamen zaten onder de blaren. Getuige deed wat hij vond dat hij moest doen en hielp waar hij kon. Tijdens het begraven van de doden merkte hij dat hij zelf problemen kreeg. Hij moest overgeven en voelde jeukende blaren op zijn handen ontstaan. Ook kreeg hij last van zijn ogen. Getuige heeft tegenwoordig ernstige ademhalingsproblemen. Hij slikt elke dag medicijnen zodat zijn huid niet overal gaat jeuken. Zijn kinderen die na de aanval zijn geboren zijn astmatisch." [10]
  Iraanse burgers en soldaten waren, naast Iraakse Koerden het slachtoffer van Iraakse gifgassen. Echter, het aanwijzen van schuldigen is een politieke kwestie: Iran zou in de ogen van sommige politici in de jaren 1980 en 1990 een geschiktere dader zijn dan Irak. De reactie van de buitenwereld op Iraaks gebruik van gifgas wordt daardoor gekenmerkt door een mengeling van bezorgdheid om mensenrechten, politieke belangen en wantrouwen tegenover Iran. De Amerikaanse overheid, bijvoorbeeld, wantrouwt Iran en komt tot een tweeslachtig oordeel. Zo stelt een Fleet Marine Force Reference Publication (FMFRP) uit 1990 dat zowel Irak als Iran chemische wapens inzetten:
"In summary, chemical agents are effective in degrading command and control, fire support and lines of communication. One of the most dramatic examples of this was during Operation Khaybar I in February 1984. In this operation, the Iranians attacked through the Hawizah Marshes, attempting to cut the Basrah-Baghdad road. In a notable example of battlefield interdiction, the Iraqis isolated the forward elements of the attacking force with mustard, cutting them off almost entirely from resupply by land. When the Iraqis counterattacked, they encountered Iranians who had no ammunition and who had not eaten for several days." [11]
  In deze FMFRP wordt toeggegeven dat Irak gifgas gebruikt om vijandelijke soldaten aan te vallen, maar aanvallen op Iraanse burgers of eigen Koerdische bevolking worden anders beoordeeld. Zo is de genocide in Halabja waarschijnlijk niet de schuld van Irak:
"Blood agents were allegedly responsible for the most infamous use of chemicals in the war — the killing of Kurds at Halabjah. Since the Iraqis have no history of using these two agents-and the Iranians do — we conclude that the Iranians perpetrated this attack. It is also worth noting that lethal concentrations of cyanogen are difficult to obtain over an area target, thus the reports of 5,000 Kurds dead in Halabjah are suspect." [12]
4 Een tweeslachtig oordeel. Kortom, van officiële (Westerse) zijde is Iran verdacht, al is Irak niet brandschoon. Wat kan deze tweeslachtigheid in het oordeel verklaren? Het kan geen academische twijfel zijn over de werking van chemicaliën, aangezien anderen, bijvoorbeeld NGO's en journalisten, in die tijd wel tot de conclusie kwamen dat Irak de dader was. De NGO Human Rights Watch komt begin jaren negentig tot de conclusie dat in het aanwijzen van schuldigen politieke belangen meespelen:
"Analysis of thousands of captured Iraqi secret police documents and declassified U.S. government documents, as well as interviews with scores of Kurdish survivors, senior Iraqi defectors and retired U.S. intelligence officers, show (1) that Iraq carried out the attack on Halabja, and (2) that the United States, fully aware it was Iraq, accused Iran, Iraq's enemy in a fierce war, of being partly responsible for the attack. The State Department instructed its diplomats to say that Iran was partly to blame." [13]
  Deze conclusie wordt tegenwoordig bevestigd van de zijde van Amerikaanse overheidsspecialisten:
"Col. Walter P. Lang, retired, the senior defense intelligence officer at the time, said he would not discuss classified information, but added that both D.I.A. and C.I.A. officials 'were desperate to make sure that Iraq did not lose' to Iran. ... 'The use of gas on the battlefield by the Iraqis was not a matter of deep strategic concern,' he said. What Mr. Reagan's aides were concerned about, he said, was that Iran not break through to the Fao Peninsula and spread the Islamic revolution to Kuwait and Saudi Arabia. ... Colonel Lang asserted that the Defense Intelligence Agency 'would have never accepted the use of chemical weapons against civilians, but the use against military objectives was seen as inevitable in the Iraqi struggle for survival.' Senior Reagan administration officials did nothing to interfere with the continuation of the program, a former participant in the program said." [14]
  Irak moest dus gesteund blijven in de oorlog met Iran. De omslag kwam pas rond de milleniumwisseling toen de Amerikaanse regering bewijzen wilde aanvoeren dat Irak beschikte over WMD (weapons of mass destruction). In een rapport uit 2002 komt de C.I.A. tot de dan politiek opportune conclusie:
"During the 1980s Saddam had a formidable CW [chemical weapons] capability that he used against Iranians and against Iraq's Kurdish population. Iraqi forces killed or injured more than 20,000 people in multiple attacks, delivering chemical agents (including mustard agent and the nerve agents sarin and tabun) in aerial bombs, 122mm rockets, and artillery shells against both tactical military targets and segments of Iraq's Kurdish population." [15]
  De C.I.A. zegt zich in dit raport deels te baseren op informatie van mensenrechtenorganisaties ...
  De inval in Irak in 2003 door een multinationale krijgsmacht vindt haar legitimatie in berichten over het gevaar dat de aanwezigheid van massavernietigingswapens in dat land zouden vormen. Met die inval in 2003 komt de weg vrij om hoge Iraakse politici en militairen voor het gerecht te brengen wegens het gebruik van gifgas en het plegen van genocide.
  Na de inval in Irak in 2003 werd Ali Hassan al-Majid ("Ali chemicali"), het hoofd van de Anfal campaign, gearresteerd op 17 augustus 2003; Saddam Hussein werd op 13 december 2003 opgepakt. Beiden moesten zich, samen met andere verdachten, voor een rechtbank verantwoorden wegens onder meer genocide during de Anfal-campagne. De rechtszaak begint in 2006, maar omdat Saddam Hussein op 30 December 2006 ter dood wordt gebracht als gevolg van de uitspraak in een andere rechtszaak, wordt hij hier niet voor veroordeeld. Het proces tegen al-Majid en anderen gaat wel door. In Nederland is er dan al een uitspraak in het "genocide-proces" tegen Frans van Anraat geweest. Hoewel Van Anraat wordt vrijgesproken aan medeplichtigheid aan genocide, wordt wel juridisch erkend dat de moorden op Koerdische burgers genocide is; deze uitspraak vergemakkelijkt het proces tegen al-Majid en vijf mede-verdachten. Voor hun rol in de Anfal-campagne spreekt de Iraakse rechtbank 23 juni 2007 de doodstraf uit tegen Ali Hassan al-Majid en twee anderen; van de drie overige verdachten worden er twee veroordeeld tot levenslange opsluiting en één wordt er vrijgesproken. Al-Majid krijgt meermaals de doodstraf opgelegd, onder andere op 17 december 2010 voor de genocide op de Koerden en de gifgasaanvallen op Halabja. Enkele dagen later, op 25 december 2010, wordt hij ter dood gebracht.
  Al eerder wordt de Nederlander Frans van Anraat aangeklaagd, onder meer voor de levering van de chemicaliën TDG, POCL3 en PCL3, grondstoffen voor mosterdgas en tabun — hij wordt niet alleen schuldig bevonden, maar het drama dat de Koerden is overkomen wordt juridisch erkend als genocide. De zaak tegen Frans van Anraat is daarmee de prominentste rechtszaak tegen de leveranciers van benodigdheden voor het chemische wapenprogramma van Saddam Hussein en "Ali chemicali."
5 De juridische vervolging van Frans van Anraat. De journalist Arnold Karskens, die veel onderzoek heeft gedaan naar Van Anraat, zegt over hem: "Frans van Anraat ... is de grootste oorlogsmisdadiger die Nederland ooit heeft gekend." [16] Hij wordt bijvoorbeeld verantwoordelijk gehouden voor de levering van meer dan 60% van het door Irak ingevoerde POCL3, een grondstof voor het gifgas tabun. Van de door hem geleverde stoffen wordt vastgesteld dat ze daadwerkelijk verwerkt zijn in de chemische wapens die zijn ingezet tegen Koerden en Iraniers. [17]
  In totaal komt hij zo tussen oktober 1984 and februari 1988 tot 34 leveringen van ...
"... de stoffen: Thiodiglycol (TDG), bestemd voor mosterdgas; Fosfor oxychloride (POCL3), bestemd voor de bereiding van het zenuwgas Tabun; Fosfor trichloride (PCL3), bestemd voor de bereiding van mosterdgas; Tri methyl fosfaat (TMP), bestemd voor de produktie van het zenuwgas Sarin, Hidro Fluoride (HF), bestemd voor de produktie van het zenuwgas Sarin, Light Gasoiline Stabilizer (LGS) en Dimethylamin ..." [18]
Frans van Anraat verkoopt tot tenminste augustus 1988, dus na de gifgasaanvallen op Halabja van maart datzelfde jaar, nog TDG aan Irak; wegens toen geldende exportbeperkingen vervalste hij daartoe documenten. [19]
In 1989 of 1990 vlucht Frans van Anraat naar Irak. Hij zal zo'n dertien-en-een-half jaar in Irak blijven; bij het aanbreken van de Tweede Golfoorlog in 2003 neemt hij de benen naar het buitenland. Hij meent veilig te zijn buiten Irak: om onopgehelderde redenen heeft de Amerikaanse regering het uitleveringsverzoek aan Nederland ingetrokken op 20 november 2000. Onderzoeksjournalist Arnold Karskens heeft in 2002 navraag gedaan bij het Ministerie van Justitie: de Verenigde Staten hebben geen redenen opgegeven voor het intrekken van het uitleveringsverzoek, en in Nederland zou hij ook niet worden gearresteerd, aangezien zijn "economische delicten" zijn verjaard. [20]
  Van Anraat vlucht voor het geweld van de Tweede Golfoorlog door per auto naar Syrië te vluchten en daar het vliegtuig naar Nederland te nemen; dat is mogelijk vanwege een "laissez-passer" (een tijdelijk reisdocument) dat de Nederlandse overheid hem verstrekt. Bij zijn aankomst in Nederland wordt hij — zoals later zal bekend zal worden — direct door de AIVD, de Nederlandse geheime dienst, ondergebracht in een hotel. Dan begint een nieuwe episode voor Frans van Anraat.
In Nederland geeft Frans van Anraat, dan nog op vrije voeten, enkele interviews, onder andere aan de als AIVD-informant werkende journalist Alexander Münninghoff. Münninghoff stelt dat hij op verzoek van de AIVD gekomen is tot een groot kranteninterview met Van Anraat. [21] Dat leidt tot vervolginterviews voor tijdschriften en televisie. Dit genereert de aandacht van het Nederlandse Openbaar Ministerie, waarna de voormalige zakenman op 6 december 2004 wordt gearresteerd. Van Anraat wordt aangehouden in zijn woning in Amsterdam, waarvan op 17 december datzelfde jaar bekend wordt dat het een "safe house" is van de Nederlandse geheime dienst: Van Anraat zou een informant zijn van deze dienst. Dan ontstaat de curieuze situatie dat iemand door de ene overheidsdienst, namelijk het Openbaar Ministerie, wordt vervolgd, terwijl hij werkzaam is voor een andere machtige overheidsdienst, namelijk de AIVD — de geheime dienst, die hem ook in de publiciteit had gebracht door journalist en informant Alexander Münninghoff te verzoeken persaandacht voor hem te genereren; ook had de AIVD er voor gezorgd dat Van Anraat zes weken voor zijn arrestatie weer over een paspoort kon beschikken. Het vluchtgevaar dat dat opleverde was een acute aanleiding om tot arrestatie over te gaan.
Na zijn arrestatie wordt hij zeven keer verhoord. Leiders van het juridische onderzoek is Fred Teeven, een officier van Justitie (en de huidige Nederlandse staatssecretaris van Veiligheid en Justitie) die omschreven wordt als "een stugge en erg precieze feitenverzamelaar." [22] Tenslotte begint op 21 november 2005 het proces tegen Van Anraat, bijna één jaar na de arrestatie en ongeveer twee jaar na zijn bekentenissen in de media. Hij is de eerste Nederlander die verdacht wordt van genocide en na WOII ook de eerste Nederlander die oorlogsmisdaden zou hebben begaan.
De officieren van Justitie Fred Teeven en Tea Polescuk komen op 7 december 2005 met hun requisitoir. Ze stellen: "[...] de activiteiten van verdachte in 1988 en 1989 laten geen twijfel dat deze verdachte zonder aarzeling functioneerde als hofleverancier voor een genocidaal regime." [23] Ze eisen een gevangenisstraf van 15 jaar (met aftrek van voorarrest) voor Frans van Anraat wegens medeplichtigheid aan genocide en aan oorlogsmisdrijven.
  De advocaten van Van Anraat, Ruud Gijsen en Jan Peter van Schaik, brengen vervolgens in hun verweer een aantal bezwaren in tegen de conclusies van het Openbaar Ministerie. Zo stellen zij dat een Nederlandse rechtbank niet gerechtigd is te oordelen over misdaden gepleegd in een ander land. Ook is volgens hen het gelijkheidsbeginsel geschonden: naast Van Anraat is er nog een reeks andere leveranciers, bijvoorbeeld Nederlandse chemiebedrijven, die echter niet aangeklaagd zijn.
  Op 23 december 2005 komt de rechtbank tot een uitspraak: Frans van Anraat wordt, conform de eis van het Openbaar Ministerie, veroordeeld tot 15 jaar gevangenisstraf. Hij wordt schuldig verklaard aan oorlogsmisdrijven. De rechtbank acht genocide wel bewezen, maar stelt dat Van Anraat geen voorafgaande kennis had van de Iraakse genocideplannen. Grieven van de verdediging worden van tafel geveegd: een Nederlands hof is wel gerechtigd een uitspraak te doen over misdrijven die in een ander land gepleegd zijn en er zou wel sprake zijn van "equality of arms" (een juridisch gelijkheidsbeginsel). Maar het hof stelt wel dat het mogelijk is dat Van Anraat voorafgaand aan zijn leveringen niet op de hoogte was van de Iraakse genocide-plannen. Toch zijn zijn leveringen te zien als oorlogsmisdaden: Frans van Anraat wist dat de handel in TDG met Irak illegaal was.
  De verdediging aarzelt niet en tekent gelijk hoger beroep aan: omdat andere Nederlandse leveranciers niet aangeklaagd worden, maar Van Anraat wel is veroordeeld zou het gelijkheidbeginsel zijn geschonden. Ergo, het Openbaar Ministerie zou niet ontvankelijk moeten worden verklaard. Op zijn beurt tekent het Openbaar Ministerie ook hoger beroep aan: het wil dat Van Anraat ook voor genocide veroordeeld wordt. Op 9 mei 2007 is de uitspraak in het hoger beroep: Frans van Anraat krijgt twee jaar extra en wordt veroordeeld tot 17 jaar gevangenisstraf. In de genocide-aanklacht zit geen beweging: dat wat de Koerden is overkomen is juridisch te erkennen als genocide, maar Van Anraat is hier niet medeplichtig aan. De strafverhoging is gerelateerd aan zijn veroordeling voor oorlogsmisdaden: hij wordt schuldig bevonden aan medeplichtigheid aan meerdere oorlogsmisdaden, wat twee jaar bovenop zijn eerdere straf rechtvaardigt.
6 Expert-interviews. Bij de opmaat naar en juridische afwikkeling van de rechtszaak van Frans van Anraat zijn vele personen betrokken: journalisten hebben hem geïnterviewd, politici hebben obstakels weg willen nemen, of juist niet, om tot vervolging te komen, slachtoffers hebben, met hulp van een advocaat, van hun leed getuigd, advocaten hebben Van Anraat bijgestaan in het proces en Officieren van Jusitie hebben hem aangeklaagd. Al deze personen hebben media ingezet om hun belangen uit te dragen. Dat hebben ze allemaal op verschillende wijzen gedaan. Om te achterhalen hoe belanghebbenden in het proces tegen Frans van Anraat gebruik hebben gemaakt van media, heb ik semi-gestructureerde interviews afgenomen. De geïnterviewde belanghebbenden zijn de volgende personen:
  • Amir Khadir - Voorzitter Halabja Comité (Koerdische genocideslachtoffers-organisatie). [24]
  • Liesbeth Zegveld- Advocaat van het Halabja Comité.
  • Alexander Münninghoff - Journalist en AIVD-informant. Hij publiceerde een kranteninterview waarin Frans van Anraat ongehinderd zijn verhaal kon doen.
  • Ronald Sistermans - Televisiejournalist die een kritisch interview met Frans van Anraat heeft uitgezonden.
  • Arnold Karskens - Onderzoeksjournalist die Van Anraat al sinds zijn verblijf in Irak volgt en bekritiseert.
  • Jan Peter van Schaik - Advocaat van Frans van Anraat.
  • Ruud Gijsen - Advocaat van Frans van Anraat.
  • Harry van Bommel - Lid van de Tweede Kamer (SP), politiek voorvechter voor aanklacht tegen Van Anraat.
  • Krista van Velzen - Lid van de Tweede Kamer (SP), politiek voorvechter voor aanklacht tegen Van Anraat.
  • Anoniem - Medewerker van het Openbaar Ministerie; direct betrokken bij de zaak tegen Van Anraat.
Sommige van deze personen heb ik eenmaal, andere meermaals uitgebreid gesproken: gemiddeld duurde een gesprek circa een uur. De meeste interviews zijn face-to-face geweest, een enkel gesprek is telefonisch gehouden. De interviews zijn opgenomen en later getranscribeerd teneinde ze volgens de grounded theory-methode te analyseren. [25] In de komende paragraaf worden de interview- en analyseresultaten besproken.
   
Previous
  Klik op de knoppen aan de rechterzijde om naar de vorige of volgende pagina te gaan. Klik hier voor een overzicht van het gehele artikel.
  2012 © Soundscapes