Logo  
  | home | authors | calendar colophon | links | newsgroups | newsfeed | new | printer version |  
volume 15
april 2012

Media/trial: De productie van nieuws in de zaak Van Anraat

 





  2. Vormen van mediagebruik in de zaak Van Anraat
door Rob Leurs
Previous
 

Uit de interviews komt een tweeledig beeld naar voren. Aan de ene kant staan de slachtoffers, advocaten en journalisten en aan de andere kant het Openbaar Ministerie en leden van de Tweede Kamer. De eerste groep baseert haar deelname aan de productie van nieuws op de aanname dat de media allereerst dienen als informatiekanaal. In tegenstelling hiermee heeft de tweede groep al voorafgaand aan het proces actief mediastrategie├źn ontwikkeld, die het juridische proces effectief blijken te hebben beïnvloed.

 
1 Twee groepen betrokkenen. Om de productie van mediaberichten over Frans van Anraat te kunnen benoemen, heb ik de getranscribeerde interviews onderworpen aan een kwalitatieve inhoudsanalyse met gebruikmaking van inzichten uit de grounded theory. De respondenten zijn, zo blijkt, op basis van hun gebruik van media, in te delen in twee posities. De eerste groep bestaat uit de slachtoffer-woordvoerder, advocaten (zowel van slachtoffers als van de verdachte) en journalisten (zowel de AIVD-informant als de overige journalisten). Deze gemêleerde groep ziet media als informatiekanaal; omgang met media is op het uitgangspunt gebaseerd dat die de bewakers van waarheid en rechtvaardigheid zouden zijn.
  De tweede groep bestaat uit de betrokkene van het Openbaar Ministerie en de Tweede Kamerleden. Deze groep ziet media als een hulpmiddel dat actief ingezet kan worden om rechtszaken vorm te geven: tijdens de rechtszaak heeft deze groep mediastrategiën gehanteerd teneinde sturing te geven aan wat het proces tegen Van Anraat behelst (in morele en juridische zin), hoe de gebeurtenissen die aan de rechtszaak ten grondslag liggen gezien moeten worden, wat de constructie van misdadigheid in deze zaak is, waar verantwoordlijkheden liggen etc. Deze mediastrategieën hebben, zoals was bedoeld, het juridisch proces mede vorm gegeven.
  Ik bespreek nu beide groepen en hun visie op en gebruik van media. Aangezien het nieuws het meest actief gevormd is door de personen uit de tweede groep — zij die media strategisch inzetten om rechtszaken vorm te geven — zal ik met deze groep beginnen.
2 Media als vormgever van rechtszaak. De tweede groep bestaat zoals gezegd uit personen die media beschouwen als middel om rechtszaken ook juridisch vorm te geven. Van de geïnterviewden betreft dit de Tweede Kamerleden Harry van Bommel en Krista van Velzen, en bovenal de hier geanonimiseerde hoge medewerker (verder Anoniem genoemd) van het Openbaar Ministerie. Het OM heeft een professionele omgang met media: er is sprake van de hantering van mediastrategieën bij grote (straf)zaken. Anoniem karakteriseert de zaak tegen Van Anraat als a-typisch door eerst het reguliere gebruik van mediastrategieën te beschrijven. Zo kan de inzet van media gewoonlijk effectief zijn om in zaken waar weinig bewijsmateriaal is de druk op te voeren:
  [RL: Soms gaan advocaten naar Nova omdat ze weten dat daar rechters naar kijken ...]
"Ja, maar ik ga naar De Telegraaf omdat ik weet dat politiemensen en criminelen De Telegraaf lezen op zaterdag. Daarom ga ik naar De Telegraaf. Want ik wil natuurlijk niet de rechters bereiken. Bij [een niet bij name te noemen rechtszaak] speelde bijvoorbeeld wel mee dat wij een lastige zaak hadden toen ... Met kroongetuigen ...? er was geen jurispudentie op dat punt; er was helemaal niks. Dat betekent dat je de druk in een ... Dat was een strafzaak die eigenlijk alleen over hasj ging, uiteindelijk. Georganiseerde misdaad met hasj, het was geen liquidatie-onderzoek. Helemaal niet zo zwaar als wat nu loopt [de Passage-zaak]. Dat betekent dat je als officier, behalve dat je de ten laste legging zwaar moet maken, je de zaak zwaar maken in de relevante omgeving. Want de druk op de rechtbank wordt opgevoerd als er elke dag camera's en journalisten zijn. Als er elke dag een live verslag is van Twan Huys op de Parnassusweg [de locatie van de rechtbank] van NOVA ... Als je dus een moeilijke bewijsposities hebt moet je de druk in de strafzaak opvoeren want dat zet ook de rechter onder druk. En als er veel druk op de ketel staat zal een rechter eerder geneigd zijn om het OM nog net het voordeel van de twijfel te geven." [26]
  Het opvoeren van druk op rechters om tot veroordeling te komen ligt in het verlengde van het creëeren van een stemming in de media. Maar een goed gecreëerde stemming kan ook andere consequenties hebben: je kunt er ook (kroon)getuigen mee werven:
"Kroongetuigen krijg je binnen door: er zijn mensen in het criminele milieu die gaan alleen praten als ze vinden dat degene waarover ze praten interessant genoeg is. Want als degene waarover ze praten interessant genoeg is, worden zij ook interessanter met hun eigen verhaal — die hebben er ook een eigen belang bij. Dus je creëert in grote strafzaken waar je bewijsprob lemen hebt, creëer je bewijs door grote verdachten in de media neer te zetten, te positioneren." [27]
  Potentiële kroongetuigen worden dus niet aangesproken op het dienen van een hoger doel (bijvoorbeeld de publieke zaak dienen met een getuigenis), maar met het meer realistische idee van het dienen van eigen belangen; voor naïviteit is geen plaats bij het werven van (kroon)getuigen. Maar een verdachte kan gewoonlijk ook op andere manieren worden dwarsgezeten. Criminelen zien hun werkzaamheden logischerwijze niet graag aan het daglicht komen; zaken doen met iemand die volop in de belangstelling staat is dus niet wenselijk. Het gevolg is dat iemand die kan rekenen op veel media-aandacht geïsoleerd wordt van zijn criminele netwerk. Het kan dus baten om iemand gerepresenteerd te krijgen als meestercrimineel:
"... ik [heb] gemerkt dat het dodelijk effectief is om mensen de grote crimineel te maken in de media. Je isoleert iemand binnen zijn groep, want hij wordt een beetje aangebrand; als de media op hem zitten kun je niet meer rustig zaken doen met die persoon. Want hij wordt dan aangebrand in het milieu. Hij krijgt dan wel een onaantastbaarheidsaureool, maar dat maakt hem [juist] zeer tastbaar en zeer aanpakbaar." [28]
  De strategische inzet van media teneinde iemands criminele activiteiten te dwarsbomen werkt volgens Anoniem bij beroepscriminelen. Dit in tegenstelling tot verdachten van eenmalige misdrijven zoals een crime passionnel. In de woorden van Anoniem:
  "Kijk, bij levensdelicten is dat een ander verhaal. Maar georganiseerde misdaad, wapenhandel, smokkel, bedreigingen: over het algemeen is het feit wel gepleegd en moet je als officier het bewijs leveren. Dit is niet de discussie van: is dit echt gebeurd? Het is niet de Puttense moodzaak-variant. Dan doe je dit niet, want dan werkt dit niet goed, dan slaat het op je terug. Dus officieren die dat in andere zaken hebben gedaan ... bij levensdelicten bijvoorbeeld werkt dit bijvoorbeeld helemaal niet goed. Maar in moordonderzoeken, liquidatiezaken, het Passage-onderzoek ..."
  [RL: Het werkt dus bij misdaad die voortduurt.]
"Bij een continuerend proces. Je moet ook dat proces afbreken. Dat handelen van een persoon of groep knip je daardoor door. Je maakt het [hem] ook moeilijk." [29]
3 Op grond van journalistiek graafwerk. Dit strategische mediagebruik is, zoals gezegd, van toepassing op reguliere grote strafzaken. De rechtszaak tegen Van Anraat is wat dat betreft a-typisch: het wijkt af omdat het niet gaat om continuerende criminele activiteiten (de zaak die voorgebracht werd heeft zich in de jaren 1980 afgespeeld) en omdat er geen kroongetuigen uit het criminele circuit geworven werden: de getuigen zijn slachtoffers uit Irak en Iran die verslag doen van de aanvallen met chemische wapens op hun familieleden, vrienden, vee, gewassen, drinkwater, etc. Het zijn geen mensen die slechts spreken om interessant gevonden te worden ("Getuige QUMARZ (G64) was buiten de stad toen de bommen neervielen. Toen hij de stad in ging om naar zijn familie te gaan werd hij geconfronteerd met verschrikkelijke beelden. ... Getuige vond 21 van zijn familieleden dood. Veel lichamen zaten onder de blaren." [30]). Toch zijn media ook daar van belang geweest in het vormen van de rechtszaak: mensen zijn weliswaar niet gepaaid om te getuigen, maar media-aandacht voor hun getuigenis kan worden opgepikt door het Openbaar Ministerie: "Wat ... kan is dat een journalist gaat graven dan tegen een getuige oploopt en dat jij die getuige dan krijgt. Begrijp je een beetje hoe dat proces is? Een heel indirect proces." [31]
  Naast het werven van getuigen heeft media-aandacht ook prioriteit gegeven aan de zaak tegen Van Anraat. Voordat Frans van Anraat officieel verdacht werd is hij verschenen in een aflevering van het actualiteitenprogramma Netwerk.
  "Als je op internet verschijnt dan valt het wel mee, in kranten is al iets vervelender — en dan hangt het er ook van af in welke krant: NRC is minder vervelend dan Telegraaf."
  [RL: Omdat De Telegraaf sensationeler is?]
  "Ja, en ook beter gelezen wordt, dus dat is ook een probleem. Er is een medium dat heeft nog veel meer impact en dat heeft hij [Van Anraat] gedaan, en dat is TV. Wat hij heeft gedaan is Netwerk en dat is nog dan nog wel TV dat kijkers pakt [in termen van kijkcijfers]."
  [RL: Het gaat dus meer om het aantal kijkers?]
"Ja, en [waar het] wordt uitgezonden en de kans is dat mensen zoals de politiechef van toen, Martijn van der Beek, en ik-zei-de-gek dat concreet ziet." [32]
  Na het zien van de uitzending over en met Van Anraat is besloten om een juridisch onderzoek naar hem op te starten (de vraag waarom Frans van Anraat "vrijwillig" een televisie-interview heeft gegeven komt later aan bod).
4 Een basis voor kamervragen. Maar niet alleen Anoniem heeft media actief ingezet: ook Tweede Kamerleden doen dit. Harry van Bommel (SP) stelt dat Kamerleden in zijn algemeenheid media nodig hebben om vragen aan ministers te verantwoorden:
"[W]anneer je kennis hebt van een feit dat nergens in het nieuws geweest is, dan is het heel moeilijk om de minister daar een opvatting over te vragen. Want dan zegt de minister, dat is eigenlijk een beetje een ongeschreven regel in de Tweede Kamer: waar baseert u zich op?" [33]
Het is dus zaak om, als je iets in de politieke arena aan wilt snijden, mediaberichten ter onderbouwing op te voeren. Maar andersom kan het ook: politieke vragen stellen met als doel berichten te genereren die door anderen gebruikt kunnen worden. In de woorden van Van Bommel: "... je stelt dat politiek aan de orde, dan leidt dat weer tot nieuwe publicaties en daarmee kun je een zaak maken ..." [34]
  Zo wist Tweede Kamerlid Krista van Velzen (SP) dat haar vragen aan de betreffende minister eventueel van belang konden zijn voor de zaak tegen Van Anraat:
  [RL: Je hebt tijdens het juridische onderzoek vragen aan de minister gesteld, bijvoorbeeld over een laissez-passer voor Syrië voor Van Anraat. Wist je op dat moment hoe belangrijk die informatie zou zijn?]
"Ja, ja. Zeker. Maar dat is een soort guts feeling. Je weet eigenlijk nooit waar iemand op gehangen wordt, maar ik had toen wel heel erg het idee van: wat we hier aan het doen zijn dat heeft niets meer te maken met antwoorden van de minister, maar dit is wat de rechters straks gaan zien." [35]
  De openbaarmaking van zulke informatie is in de zaak van Van Anraat des te crucialer: Frans van Anraat stond in contact met de AIVD, waardoor de zaak politieke dimensies had. De AIVD geeft zonder dwang niet zomaar informatie prijs; openbaarmaking van informatie door antwoorden op Kamervragen heeft dus een grote waarde.
  Van Velzen heeft groot besef van de mogelijke gevolgen van publicaties van haar vragen en antwoorden daar op. Maar een benutting van media houdt niet alleen in dat zoveel mogelijk openbaar gemaakt moet worden, maar dat juist op gepaste moment iets niet in de media moet komen:
  "Ik had het toegejuicht als het OM nader onderzoek had gedaan naar andere bedrijven [die verdacht werden van illegale handel met Saddam Hussein] om te kijken of daar ook vervolging mogelijk was. En ik heb dat niet heel hard geschreeuwd toen die zaak van Van Anraat speelde omdat ik dacht: dat geeft alleen maar voer voor de verdediging om te zeggen 'kijk, het is niet eerlijk' [dat alleen Van Anraat terecht staat]. Het was ook hun [de verdediging] belangrijkste punt: dat ze geslachtofferd waren en dat het niet eerlijk was omdat ze de enige waren. Daarom heb ik nooit extra olie op het vuur willen gooien, want voor je het weet wordt die man vrijgesproken of krijgt hij strafvermindering of wat dan ook."
  [RL: Omdat ze dan zo'n uitspraak van jou in de media zouden kunnen gebruiken in de verdediging]
"Ja, en zeker als er nog een antwoord van een Kabinet komt waar ze nog iets mee kunnen doen." [36]
  In de zaak van Frans van Anraat zien we dat een hoge medewerker van het Openbaar Ministerie en de aangehaalde Tweede Kamerleden media op een strategische wijze hebben gehanteerd met als doel te komen tot een juridische veroordeling. Dat kan op indirecte wijze, zoals het zoeken naar potentiële getuigen. Ook hebben media (in de vorm Netwerk) het juridisch onderzoek een opstartmoment gegeven, is er informatie openbaar gemaakt die een minister geleverd heeft na Kamervragen en zijn mogelijke argumenten voor de verdediging buiten de media gehouden door een "stilte" in te lassen. Er bestaan nog andere mediastrategieën, maar het is niet opportuun ze hier te bespreken — voor meer mediastrategieën bij rechtszaken, zie bijvoorbeeld Leurs (2011).
5 Media als informatiekanaal. In tegenstelling tot de hiervoor beschreven personen is er ook een groep betrokkenen die gehandeld hebben vanuit het idee dat media geen instrument vormen in juridische strijd, maar "slechts" doorgeefluik en bewakers zijn van waarheid en rechtvaardigheid. Frappant aan de groep die vanuit deze gedachte heeft gewerkt, is dat het uit personen met tegengestelde belangen bestaat: de slachtoffer-woordvoerder en zijn advocaat, de advocaten van Van Anraat en journalisten, waaronder de AIVD-informant. Ik zal hun ideeën in deze volgorde bespreken.
In de rechtszaak zijn slachtoffers zelf aan het woord gekomen, waarbij ze vertegenwoordigd werden door Amir Khadir (voorzitter Halabja Comité) en Liesbeth Zegveld (advocaat Halabja Comité). Khadir geeft aan dat in eerste instantie advocaat Zegveld ook hun woordvoerder in de media was, maar dat hij dat vervolgens heeft overgenomen, aangezien media "heel erg op zoek [waren] naar echte slachtoffers, naar echte mensen die hebben gevoeld hoe het is gegaan, het gebruik van chemische wapens." [37] De media in Nederland werken volgens hem goed: ze zijn eerlijker, professioneler en minder gepolitiseerd dan wat hij uit andere landen (o.a. Irak) gewend is. Hun berichtgeving is door alle mediumvormen en titels heen accuraat. Wel signaleert hij een verschil in interesse voor de rechtszaak tussen Nederlandse media: "Bijvoorbeeld, als je De Telegraaf bekijkt: volgens mij zijn ze één of twee keer naar Den Haag [waar de rechtszaak gehouden werd] gegaan. En ze hebben ook een paar keer telefonisch contact gehad. Dus ze hebben niet echt verslag gedaan." [38] Dat in tegenstelling tot kranten als de Volkskrant die veel meer aandacht aan de zaak hebben besteed. Kortom, in tegenstelling tot buitenlandse media doen Nederlandse media volgens Khadir accuraat verslag van de rechtszaak, al verschillen ze in de mate waarin ze er aandacht voor hebben.
De advocaat van de slachtoffers, Liesbeth Zegveld, sluit hier deels bij aan, maar komt tot complexere conclusies over de werking van media. Ze vindt dat media accurate representaties hebben geleverd: "Ik kan zeggen dat het in deze zaak toch behoorlijk goed is gelopen. De aandacht die Nova voor de achtergrond [van de rechtszaak] had is goed verlopen; in die zin hebben ze hun best gedaan." [39] Ook de NRC voldoet:
"Wij doen gewoon het meest zaken met NRC als we zelf iets kwijt willen. Omdat het onder geschreven media een van de betere is. Ik moet wel zeggen dat Trouw op dat punt vaak meer aandacht heeft voor de human story; NRC zit duidelijk meer op de juridische kant, echt gefocused op recht, veel meer dan een andere krant." [40]
Toch geven media in het algemeen volgens haar geen goed beeld van juridische kwesties: media zitten "niet zo goed in de juridische ontwikkelingen; ze zijn bijvoorbeeld meer geïnteresseerd in verdachte dan in slachtoffers" [41] [Zegveld treedt voornamelijk op als advocaat voor slachtoffers]. Als ze zelf in media optreedt moet ze zich aanpassen: "Als expert probeer je een vereenvoudigde versie weer te geven." [42] Haar inzet van media beperkt zich tot het verwoorden van de standpunten van haar cliënten, het dient geen direct juridisch doel. Toch kan er van media-aandacht een preventieve werking uitgaan:
"Het zijn toch [rechts]zaken die de maatschappij raken. ... een preventieve werking van zo'n rechtszaak, dan moet het wel bekend zijn. Als niemand weet dat hij wordt gevoerd dan is de preventieve werking toch niet zo groot. ... Zo'n media-optreden kan daarin helpen. Als daar andere zaken uit voortvloeien zijn de zaadjes gezaaid. [Je kunt dan] andere cliënten attenderen op de mogelijkheden die er zijn. Er komen naar aanleiding van die interviews wel veel slachtoffers die zich melden [voor andere rechtszaken]." [43]
  Kortom, voor advocaat Zegveld zijn media in deze zaak accuraat geweest, al kan dat in andere zaken anders liggen. Het enige waarin media een instrument vormen is preventie en aanzet tot andere zaken.
  De gedachten van de advocaten van Frans van Anraat, Jan Peter van Schaik en Ruud Gijsen, liggen in het verlengde van die van Zegveld. In het algemeen zijn media niet altijd precies als het om juridische ontwikkelingen gaat. Zo zegt Van Schaik:
"Ik lees inderdaad het NRC. De Telegraaf moet ik ook beroepshalve wel lezen omdat er natuurlijk vrij veel over [misdaad] bericht wordt, zeker in andere strafzaken. Overwegend is het natuurlijk dat de media niet goed berichten, omdat men vaak de verkeerde juridische terminologie gebruikt." [44]
6 Afstand en bevreemding. Juristen hebben, wat deze geïnterviewden betreft, gemeenschappelijk dat ze vinden dat media ten onrechte niet genoeg een juridisch discours aanhouden, al gaat er wel enige lof naar NRC. Maar media-aandacht wordt ook geacht niet van groot belang te zijn:
"De zaak speelt zich in Nederland toch af binnen de rechtszaal. We mogen aannemen dat rechters ook kranten lezen, maar rechters zijn professioneel dus zullen dat wel kunnen filteren. Een zaak speelt zich af binnen de rechtszaal." [45]
  Aandacht in media is niet in belang van de rechtszaak en niet in het belang van cliënten, al kan het goede reclame zijn voor advocaten. Maar dat laatste overschrijdt een ethische grens, aldus Gijsen:
"In de zaak Van Anraat had ik mijn kop makkelijk zeven, acht, negen keer op TV kunnen hebben. Makkelijk. En als ik had gedacht "Dat is toch wel zinvol voor mij, voor mijn kantoor, voor mijn naam, en wie weet voor alle klanten die daar nog uit voortvloeien," dan is dat wel heel verleidelijk. Maar als je dat zet naast "Ja, maar wat heeft mijn cliënt daar dan aan?" dan krijg ik het niet over mijn hart om op TV te gaan kleppen over deze zaak." [46]
  De advocaten van Van Anraats zien geen instrumentele of ethische waarde in de inzet van media voor hun zaak. Toch heeft de werking van media hun bevreemd; er lijkt op de achtergrond iets aan de gang te zijn geweest. Zo is er een moment geweest waarop zij duidelijkheid zouden krijgen over de contacten van journalist Alexander Münninghoff met de AIVD. Van Schaik zegt daarover:
"En toen hebben wij dus gezegd: nu willen we alsnog die betreffende AIVD eens horen. ... En wat mij verbaasde: Teeven [officier van Justitie in deze zaak] sprong op, de deuren gingen gelijk dicht, en er waren journalisten in de zaal en daar is, op een heel klein stukje in de NRC na, door niemand over geschreven. ... Ik had verwacht: daar gaan de kranten bol van staan, [maar] dat bleef zo ongelofelijk stil. ... ik kan alleen maar gissen. Is hier sprake van zelfcensuur, of is er vanuit het parket gevraagd om dat stil te houden? Ik weet het niet." [47]
  Er treden meer media-gerelateerde situaties op die Van Anraats advocaten bevreemd hebben. Zo is er de rol van het interview met Netwerk in het juridische dossier. In dit televisie-interview doet Frans van Anraat voor hemzelf belastende uitspraken, waarna een juridisch onderzoek naar zijn handel en wandel wordt opegstart (en wat dus uitmondt in de rechtszaak tegen hem). De aanleiding voor dit interview is altijd bron van speculatie geweest.
"[W]at natuurlijk centraal in deze zaak staat is het interview wat cliënt heeft gegeven [met Netwerk] en wat formeel gezien en wat ook in het dossier is gebruikt als starpunt van de verdenking. ... [W]ij hebben altijd gezegd: "Ja, Van Anraat is daar gewoon ingerommeld." Die is daar gewoon ingerommeld om Justitie dat startpunt te geven." [48]
  Naast de mediastilte over de rol van de AIVD en speculaties over de aanleiding voor het Netwerk-interview is er nog een derde mediagerelateerde kwestie die Van Anraat advocaten bevreemd heeft. Het betreft een interview met Ichiro "Charlie" Tanaka, een voormalige Japanse zakenpartner van Van Anraat en in dit proces een getuige à charge.
"... Tanaka, dat was een hele belangrijke getuige. En dat is dan toch weer opmerkelijk dat, volgens mij was het Nova, vlak voordat Tanaka kwam getuigen toch al een soort interview met hem had. ... Je weet dat er verborgen agenda's zijn. Maar je weet ook dat een journalist gewoon met iemand die misschien als getuige komt vantevoren een interview kan hebben. Wat doe je eraan?" [49]
  We komen nu op de situatie uit dat Van Anraats advocaten enerzijds van mening zijn dat media geen rol spelen in juridische processen en anderzijds geconfronteerd worden met in hun ogen opmerkelijke media-gerelateerde gebeurtenissen. En dan blijken media toch van belang te zijn geweest. Zo hebben ze ondervonden dat het moeilijk was om getuigen à décharge (ontlastende getuigen) te vinden:
"Mensen zijn voorzichtig om het achterste van hun tong te laten zien, omdat ze niet betrokken willen raken bij zo'n zaak. Ook de Noord-Amerikaanse deskundigen waren voorzichtig. Want Van Anraat was ook op CNN, dus van hem hebben ze gehoord. ... We hebben met personen gesproken die zeggen: 'Je hebt wel een punt op dat vlak, maar ik kan daar niets officieels over verklaren.' Dan moet je dat laten rusten en er niets over vertellen. En dan verdampen dat soort lijnen en kun je daar als advocaat niets mee." [50]
  De ervaring van Van Anraats advocaten is dus tegengesteld aan hun aanname: waar media geacht worden geen rol te spelen blijkt dat in de praktijk anders te zijn gelopen. Deze discrepantie is niet eenvoudigweg op te heffen door een andere houding ten opzichte van de rol van media aan te nemen: inmenging in media-aangelegenheden vereisen mankracht, wat voor advocaten die op toevoegingsbasis werken bijna niet te doen is.
7 Een poging tot rechtzetting. Het televisie-interview met Netwerk is de aanleiding geweest voor het juridische onderzoek. Netwerk bouwt voort op een eerder interview in de Haagse Courant van journalist en AIVD-informant Alexander Münninghoff met Frans van Anraat; Münninghoff faciliteerde tevens het Netwerk-interview door het gesprek te regelen en zijn woning als interviewlocatie beschikbaar te stellen.
  Münninghoff is al jaren journalist, onder andere in de Sowjet-Unie, en voorzag de AIVD en haar voorloper de BVD nu en dan van aanvullende informatie; hij was dus niet in vaste dienst bij de AIVD, maar een informant. Het contact met de AIVD verliep altijd als volgt:
"Het ging bij ons altijd zo dat we op vaste basis, twee keer per jaar, een uitvoerig gesprek hadden over Rusland, meestal over Rusland, en over Russen in Nederland als ik die kende. En later dus [de Pakistaanse atoomgeleerde] Khan, dat kwam er dus bij. En daar heb ik nog wel rapporten van ze over gekregen. Maar ik heb dus nooit, zoals Van Anraat wel heeft gedaan [Frans van Anraat stond in contact met de AIVD toen hij in Irak woonde], voor ze gewerkt. ... ze kwamen altijd weer bij mij om een soort info-rondje te doen. ... U moet zich voorstellen dat je dan twee, drie uur van alles met elkaar doorneemt en eventueel gegevens uitwisselt — voor een journalist niet onhandig." [51]
Tijdens zijn pre-pensioen als journalist, Van Anraat zou zijn laatste verhaal worden, verkrijgt hij wederom "handige" informatie — ditmaal in de vorm van een telefoonnummer dat van Frans van Anraat bleek te zijn. In een anoniem telefoontje, waarvan Münninghoff vermoed dat het van de AIVD kwam, werd hem gevraagd of hij belangstelling had voor een interview met Van Anraat. Zijn "ja" levert hem het telefoonnummer van Van Anraat op. "Ik kreeg dat nummer; dat heb ik toen gebeld. Toen hebben we een afspraak gemaakt in het Kurhaus. We hebben een gesprek gehad van drie uur, geloof ik." [52] Münninghoffs reden voor het afnemen van een interview ligt in het verlengde van zijn opvatting over media als doorgeefluik van informatie:
"Van Anraat was nogal tendentieus aangepakt in de Nieuwe Revu [door journalist Arnold Karskens]. Dat wilde hij [rechtzetten] ... Ik bood hem de garantie, hij mocht het ook eerst lezen, wat ik altijd doe bij grote interviews — Ik ben niet tendentieus, ik probeer mijn hele leven lang al, hoewel dat onmogelijk is, om objectief te blijven. En om iemand het juiste profiel te geven. Als je er allemaal verdachtmakingen aan gaat toevoegen, dan is dat niet het juiste profiel. Dus heb ik hem zeer uitvoerig, wel anderhalve pagina lang, zijn verhaal laten doen." [53]
  Uiteindelijk leidt dit kranteninterview, zoals gezegd, tot het televisie-interview voor Netwerk, wat op zijn beurt het startpunt is voor het juridische proces. Münninghoff heeft gewerkt vanuit de gedachte dat media een correcte representatie kunnen geven van een situatie. Maar wat de reden voor de AIVD is om Van Anraat te bewegen in de media op te treden is voor hem niet helder. Er zijn vier mogelijkheden: de AIVD wilde een einde maken aan alle speculatie over Van Anraat, Van Anraat heeft moeten fungeren als argument voor het (politieke) standpunt dat Irak massavernietigingswapens zou bezitten, het zichtbaar maken van Van Anraat zou een eerste stap zijn geweest in het aanvragen van een groter budget voor AIVD-veldwerkers of de val van Van Anraat was een gebaar richting in Nederland wonende Koerden of (andere) moslims of naar de buitenlandse politieke- en/of rechtswereld toe. In ieder geval heeft de AIVD Van Anraat in de schijnwerpers gebracht:
"[I]n dat TV-interview [met Netwerk] bij mij thuis. Daar zegt hij op de vraag ... de interviewer vraagt: "Bent u niet bang voor acties van de overheid?" "Nee, nee." Dat vraagt hij tot tweemaal toe. Daar kletst hij [Van Anraat] dan een beetje omheen. Daar heeft hij dan zijn redenen voor. Dus met de kennis van achteraf: de AIVD heeft hem de zekerheid gegeven van "Jou mankeert niets, jou bedreigt niets."" [54]
8 Achtergronden van een interview. De intrige van de AIVD en de loop van het juridische proces zijn voor Alexander Münninghoff reden om de rechtszaak tegen Van Anraat te karakteriseren als "een uitgesproken showproces." [55]
Het televisie-interview voor Netwerk is afgenomen door journalist Ronald Sistermans. Hij kende Alexander Münninghoff uit de tijd dat hij voor het VPRO-programma Lopende Zaken een portret maakte van het "Ruslandclubje": een groep getrainde informanten van de AIVD/BVD. [56] Bij Münninghoff thuis werd het Netwerk-interview afgenomen, waarover Sistermans zegt:
"[I]k heb me dat natuurlijk ook een beetje afgevraagd destijds, van: Wat doet Alexander Münninghoff daar? Want die presenteerde zich destijds als een soort van "personal assistant" naast ... Van Anraat. Het was een soort contactfiguur: via Münninghoff kwamen we in contact met Van Anraat, en Van Anraat was ook begeleid door Münninghoff." [57]
In het Netwerk-interview werd Van Anraat de duimschroeven aangedraaid: na enkele verkennende vragen werd het interview zeer scherp, op het randje van agressief. Daardoor "werd in één keer wel heel duidelijk dat daar iemand zat die mogelijk bloed aan zijn handen had." [58] Sistermans koos voor deze aanpak omdat hij dacht dat het niet klopte wat Van Anraat eerder vertelde en dat hij wel degelijk bij foute zaken betrokken was geweest. Kortom, Sistermans interview voor Netwerk had een hele andere toon dan het eerdere interview van Münninghoff voor de Haagse Courant. Maar Frans van Anraat nam geen aanstoot aan het vele kritischere televisie-interview:
"[V]olgens mij was hij in de veronderstelling ... dat hij in een vrij onaantastbare positie was, want hij had het idee — dit is een beetje hardop denken, hoor — volgens mij had Van Anraat op dat moment het idee dat hij de bescherming had van de Nederlandse overheid. Hij zat ook in een 'safe house,' dus vanuit die gedachte kan ik me voorstellen dat hij dacht van: 'Nou ja, ik heb vertrouwen bij Münninghoff en, ja, hier zit een journalist tegenover me die kritisch is maar het kan geen kwaad om te zeggen van 'Ik wist er echt niks van?'.'" [59]
Voor Ronald Sistermans was het interview met Van Anraat een buitenkans: een zeer verdacht figuur die toch openlijk het woord wil nemen. Sistermans heeft het interview afgenomen met de intentie "gewoon de waarheid boven tafel [te] krijgen ... Het is meer van: het is bijzonder dat we deze man kunnen interviewen, het zou nog bijzonderder zijn als we hem kunnen, ja, iets laten zeggen wat nieuwswaardig is." [60] Het idee dat hij daarmee wellicht in het belang van de AIVD handelde speelde geen rol. In reflecties achteraf is het belang van de AIVD voor Sistermans wel een punt geweest: "Kijk, dat heb ik me natuurlijk ook regelmatig afgevraagd. Eigenlijk ben ik dan als journalist ook weer voor het karretje gespannen van de AIVD." [61]
Met de prominente rol van de interviews door Alexander Münninghoff en Ronald Sistermans lijkt het werk van Arnold Karskens bijna ondergesneeuwd te raken. En dat terwijl Karskens met zijn onderzoeksjournalistiek toch meer tijd en aandacht aan de handel van Van Anraat besteed heeft: al jaren voorafgaand aan de rechtszaak schreef Karskens over hem, uitmondend in het boek Geen cent spijt. De jacht op oorlogsmisdadiger Frans van Anraat (Karskens, 2006). Karskens heeft naar eigen zeggen een tweeledig motief om jarenlang journalistiek onderzoek in het algemeen te doen, en naar Van Anraat in het bijzonder: "een goed journalistiek verhaal" en "morele verontwaardiging." [62] Voor hem als journalist is de veroordeling van Van Anraat dan ook "een mooi resultaat." [63] Toch neemt hij enige afstand van sommige aspecten van onderzoeksjournalistiek: "teveel verbetenheid gaat ten koste van je eigen levensvreugde." [64] Maar naast de journalistieke en morele motieven en de relativering daarvan heeft hij wel enig oog voor grotere belangen die meespelen bij het publiekelijk maken van zaken. Zo vermoedt hij achteraf dat Van Anraat is geslachtofferd door de AIVD om haar standpunt over de eventuele aanwezigheid van massavernietigingswapens in Irak kracht bij te zetten. [65]
  Maar deze laatste reflectie van Karskens is een uitzondering: alle voorgaande personen uit deze groep (naast Arnold Karskens zijn dat: Amir Khadir, Liesbeth Zegveld, Jan Peter van Schaik, Ruud Gijsen, Alexander Münninghoff en Ronald Sistermans) hebben alleen naar Frans van Anraat gekeken als voormalig handelaar in chemicaliën die mogelijk foute zaken heeft gedaan. Het grotere belang dat met het belichten van Van Anraats zaken in de media gediend kan worden is niet aan bod gekomen: media worden hoofdzakelijk als informatiekanaal gezien. Voor de tegenovergestelde visie moeten we bij de leden van de andere groep zijn, te weten de anonieme hoge medewerker van het Openbaar Ministerie en de Tweede Kamerleden Harry van Bommel en Krista van Velzen: zij zien media als een instrument.
9 Een focus voor aandacht. De inmenging van media in rechtspraak kan een positief punt zijn — in de conclusie kom ik uitgebreider terug op de ethische wenselijkheid vs onwenselijkheid ervan. In de casus van Van Anraat blijft een tweeledig oordeel over: enerzijds heeft de inzet van media geholpen in het veroordelen van een man van wie buiten juridische kringen al vermoed werd dat hij zich met foute handel had ingelaten (zie onder andere al het werk van Karskens). Anderzijds is er wel erg veel aandacht op Van Anraat komen te liggen, terwijl de foute handel bedreven werd door talloze bedrijven en overheden. Zo hebben toenmalig staatssecretaris van Buitenlandse Handel Bolkestein en speciaal gezant Donald Rumsfeld enkele jaren eerder juist de handel met Irak aangemoedigd, ook toen er aan de kant van het Ministerie van Buitenlandse Zaken al twijfel bestond over de correctheid van het Saddam-regime. De aanmoediging tot handel drijven is opgepakt door bedrijven uit onder meer Singapore, Japan, de Verenigde Staten en Nederland. [66] En daarbij ging het niet alleen om dubieuze chemicaliën: ook delen van fabrieken voor de verwerking van die chemicaliën zouden aan Irak zijn verkocht. [67] Het nadeel van een overvloedige media-aandacht voor één persoon is dat de aandacht voor anderen weg lijkt te vallen. Media-aandacht in het geval van rechtszaken kan dus een tweesnijdend zwaard zijn.
   
Previous
  Klik op de knoppen aan de rechterzijde om naar de vorige of volgende pagina te gaan. Klik hier voor een overzicht van het gehele artikel.
  2012 © Soundscapes