Logo  
  | home | authors | calendar colophon | links | newsgroups | newsfeed | new | printer version |  
volume 15
april 2012

Uit of thuis?

 





  De concurrentie tussen de bioscoop en de televisie in de jaren vijftig
door Hans Knot
Previous
  Tegen het einde van de jaren vijftig en aan het begin van de jaren zestig van de vorige eeuw publiceerde het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) bij Uitgeverij W. de Haan, N.V. in Zeist enkele spaarzame onderzoeksrapporten die deels betrekking hadden op het gebied van de radio en de televisie. Zo verscheen in april 1960 het rapport Bezoek aan vermakelijkheidsinstellingen, nationaal en regionaal. Het boekje was even kort als de titel lang was: het telde slechts een luttele 36 pagina's. Het rapport stond onder redactie van de bekende statisticus en onderwijskundige Philip J. Idenburg, destijds directeur-generaal van het CBS. Hans Knot neemt een historische duik naar 1960.
 
1

De concurrentie van de televisie. Welke veranderingen bracht de komst van de televisie teweeg in het na-oorlogse Nederland? Met zekerheid valt daar maar weinig over te zeggen. Dat was ook in de periode zelf al het geval, zo kunnen we afleiden uit het rapport "Bezoek aan vermakelijkheidsinstellingen, nationaal en regionaal," dat het Centraal bureau voor de Statistiek (CBS) in april 1960 publiceerde. In zijn inleiding tot het rapport gaf professor Idenburg, destijds directeur-generaal van het CBS, het verslag de volgende woorden mee: "Het is een reeds vaak vermelde eigenschap van wetenschappelijke analyses, dat zij niet slechts vragen beantwoorden, maar evenzeer nieuwe problemen aan de orde stellen."

Idenburgs woorden hadden vooral betrekking op een, in de herfst van 1957 uitgevoerd, onderzoek naar de invloed van de televisie op de schooljeugd — een onderwerp waar opvoeders zich ook toen al grote zorgen maakten. Maar ook de concurrentie tussen de televisie en andere vormen van vrijetijdsbesteding trokken destijds de aandacht. Iets van die concurrentie was al gebleken uit de uitkomsten van het onderzoek uit 1959. En dat vormde weer de inzet van het rapport dat het CBS in 1960 uitbracht. In het rapport formuleerde Idenburg het als volgt: "Enige aanwijzingen dat de televisie vooral fungeert als een vervanging van min of meer gelijksoortige ontspanningsmedia, ontleend aan deze studie, vormden de theoretische basis voor een studie van de invloed van de televisie op het uitgaan."

2 Rechts: Prof. dr. Ph.J. Idenburg, hier geflankeerd door regisseur Erik de Vries (links) en tekenaar Opland (rechts) bij de opnamen voor een televisieprogramma waarin volkstellers instructies krijgen (Bussum, 20 mei 1960)

Ontwikkelingen. Het idee was dus dat de komst van de televisie de mensen thuis aan de buis zou houden gekluisterd en ten koste zou gaan van andere bezigheden buitenshuis. Nu was de tijd die mensen aan die andere bezigheden besteedden, in de voorafgaande jaren aanzienlijk toegenomen. Uiteraard aan de hand van veel cijfermateriaal kwam men in het rapport tot een aantal uitkomsten, dat in het kort als volgt kan worden samengevat. In vergelijking met de situatie in 1939 was er in 1949 een enorme groei in het bezoek aan vermakelijkheidsinstellingen te constateren. Uiteraard had dit te maken met de vrijheid en ook de economische mogelijkheden die de Nederlanders na het einde van de Tweede Wereldoorlog hadden verkregen. Daarna zakte de frequentie, waarmee de gemiddelde Nederlander deze instellingen bezocht, echter weer geleidelijk, hoewel het frequentiecijfer tijdens het onderzoek in 1958 nog altijd boven het peil van 1939 lag.

  Op het punt van het televisiebezit moeten we bedenken dat de ontwikkeling weliswaar snel was verlopen maar nog lang niet afgerond. Daarover was een korte opmerking terug te vinden. De zenders dekten nog lang niet heel Nederland, omdat er in grote delen van ons land nog geen steunzenders waren geplaatst. Daardoor kon er door de Nederlanders slechts beperkt naar het enige actieve Nederlandse televisienet worden gekeken. Het rapport meldde dat op dat moment één op de vijf van alle Nederlandse huishoudens of alleenstaanden in het bezit van een televisietoestel was. Het westen en het zuiden van Nederland hadden de grootste televisiedichtheid, de laagste cijfers hadden — als het om televisiebezit ging — de provincies Groningen, Friesland, Drenthe, Overijssel en Zeeland. In de periode van 1954 tot en met 1959 liep het aantal televisie-ontvangsttoestellen in Nederland op van bijna 9.000 tot 600.000.
  Het gemiddelde aantal bioscoopbezoeken per 10 inwoners was in 1958, het jaar van het onderzoek, gedaald tot 55 na een eerdere stijging. In 1949 stond dit aantal namelijk nog op 64, terwijl tijdens de eerdere meting in 1939 het aantal was blijven steken op 46 bezoeken, wat gemiddeld op 4,6 per persoon neerkwam. Bij een overzicht van de regionale verschillen in het bezoek aan vermakelijkheidsinstellingen behaalden de toen grote stedelijke centra in het westen de hoogste frequentiecijfers. Over het geheel genomen hadden Zeeland en het gebied tussen de grote rivieren in het centrum van Nederland de laagste cijfers. Een stijging van het televisiebezit tegenover een daling in bioscoopbezoek: de conclusie van de CBS-onderzoekers ligt voor de hand. Het rapport constateerde dan ook dat de teruggang van het gemiddelde bioscoopbezoek in 1958 vooral was te wijten aan de opkomst van de televisie.
3 Links: Grafiek uit het rapport over de spreiding van het aantal geregistreerde televisietoestellen op 1 januari 1959. Klik op de afbeelding voor een grotere weergave.

Regionale spreiding. Voor een nadere onderbouwing bekeken de onderzoekers ook nog de regionale verschillen in televisiebezit. Het onderzoek was verricht in 48 onderzoeksgebieden, waarin ons land op dat moment door het CBS destijds was verdeeld. Bij het overzicht van de regionale verschillen in cultureel opzicht kwam Amsterdam naar voren als de absolute culturele hoofdstad van Nederland. Als het ging om de bezoeken aan bioscopen, sportwedstrijden, beroepstoneel en concerten, viel het gebied van Amsterdam — waartoe ook de Haarlemmermeerpolder behoorde — in al deze vier categorieën in de hoogste bezoekfrequentiecategorie. Den Haag, waarbij in het onderzoeksgebied ook Delft behoorde, behaalde als het om concertbezoek ging de tweede plaats en voor toneelbezoek en bioscoopbezoek in beide gevallen de derde plaats. Rotterdam en omgeving behaalde ook behoorlijk hoge cijfers voor de lichte vermaaksvormen, zoals bezoek aan bioscopen en sportwedstrijden ook werden omschreven. Zwaardere vormen van uitgaan, zoals toneelvoorstellingen en concerten, leverden in die regio lagere scores op.

  Met de voorgaande gegevens in de hand was er ook een vergelijking in het rapport gemaakt met het aantal aanwezige televisietoestellen in de diverse onderzoeksgebieden. Hoewel Rotterdam in activiteit op het punt van bezoek aan vermakelijkheidsinstellingen pas op de derde plaats kwam, prijkte men wel op de eerste plaats als het ging om de spreiding van televisietoestellen, de zogenaamde tv-dichtheid. Op de vraag betreffende het destijds veel omstreden punt of het televisiebezit invloed uitoefende op het bioscoopbezoek stelde men in het CBS-rapport ondermeer: "De berekeningen tonen aan dat het bioscoopbezoek inderdaad invloed van de televisie ondergaat. In het algemeen gaat per verzorgingsgebied een relatief grote toename van televisiebezit gepaard met een relatief sterke vermindering van het bioscoopbezoek." Volgens een globale schatting zou in die tijd elk nieuw televisietoestel het bioscoopbezoek maar liefst met 20 tot 50 bezoeken per jaar hebben verminderd. Een afsluitende conclusie in het rapport luidde: "In elk geval is de slotsom van de analyse, dat de invloed van de televisie op het bioscoopbezoek allerminst te verwaarlozen is."
  De conclusie van het rapport is achteraf misschien best plausibel. Maar, ook zonder de stijging van het televisiebezit, past de daling van het bioscoopbezoek in de meer algemene trend naar verhuislijking die de jaren vijftig kenmerkt. Een samenhang tussen twee ontwikkelingen, zoals de daling van het bioscoopbezoek en een stijging van televisiebezit, kan ook aan een derde, meer algemene factor te wijten zijn. Prof. Dr. Ph.J. Idenburg was zich ook wel bewust van dat verklaringsprobleem. Betreffende dit type onderzoek stelde hij: "Ook statistiek onderzoek is veelal de kunst van het mogelijke. Op korte termijn beschikte mijn Bureau slechts over de gegevens van de vermakelijkheidsbelasting ter benadering van de drie problemen. De cijfers in kwestie zijn behept met bepaalde onnauwkeurigheden en laten slechts een globale onderscheiding in enige belangrijke vormen van vrijetijdsbesteding buitenshuis toe."
   
Previous
  2012 © Soundscapes