Logo  
  | home | authors | calendar colophon | links | newsgroups | newsfeed | new | printer version |  
volume 15
juni 2013

Sneller dan verwacht

 





  TV Noordzee en de Reclame Exploitatie Maatschappij (2)
door Hans Knot
Previous
  Volgend jaar is het een halve eeuw geleden dat er vanaf de Noordzee zowel radio als televisie-uitzendingen op commerciële basis werden uitgezonden. Dan ook zal er een nieuw boek ter herinnering aan dit project verschijnen. In een aantal artikelen zal Hans Knot de komende twaalf maanden alvast een aantal zaken belichten over dit project, waaruit later de TROS is ontstaan. Deze keer neemt hij de lezer mee naar de gebeurtenissen in de maand juni 1964, ruim voor de start van de uitzendingen van RTV Noordzee.
 
1 Rechts: de Global Adventurer

Geheimzinnige werkzaamheden. Terwijl op 4 juni 1964 de door de regering benoemde pacificatiecommissie, met als doel te komen tot een advies aan de minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, te komen tot een tweede televisienet in Nederland, al dan niet voorzien van reclame, aan het vergaderen was, stoomde in de Noordzee het werkschip Global Adventurer op met de onderbouw van het toekomstige televisieplatform richting de toekomstige standplaats. En inderdaad werd in de laatste editie van de avondkranten van die dag gemeld dat het werkschip was aangekomen bij de plek ter hoogte van Noordwijk en dat in de daarop volgende nacht zou worden begonnen met het heien van de holle stalen buizen met een doorsnee van 76 cm.

  Op 5 juni was te lezen dat de rustige zee voor Noordwijk in niet geringe mate de werkzaamheden had bevorderd. "Drie uur in de nacht, tien kilometer uit de kust, ligt op een inktzwarte zee, een schip, verlicht als een kermistent, voor anker. Op het middendek van het werkschip steekt een stalen geraamte flink omhoog. Uit de top van een nog hogere kraan hengelt een takel heen en weer. Als we naderen, priemt van de brug een sterke schijnwerper over het water en vangt ons in zijn felle bundel. Dan tast de lichtkegel onze boot af. Wantrouwend, onderzoekend." Intro van een van de vele berichten in de dagbladpers over de bouw van het eiland. De positie, waar het eiland haar plek zou krijgen, was ruim zes mijlen uit de kust.
  Weer een andere journalist vergeleek de geheimzinnige werkzaamheden met de aanleg van een geheime raketbasis: "Niemand komt aan boord van de Global Adventurer, zelfs geen journalist. Kapitein Pronk is helemaal onbenaderbaar en troont zich hoog op de brug van het schip. Hij kan van daaruit echter niet het uitzicht beletten aan diegenen die met een boot rond zijn schip varen om de vorderingen van het werk van nabij te aanschouwen. Het voetstuk van het eiland is om half zeven van het dek van de Global Adventurer getild en langszij in zee gezet." Fotografen schoten de nodige foto's, die vervolgens de berichtgeving in de dagbladpers opvrolijkten.
2 Voorspellingen en onderzoeksgegevens. Voorspellingen werden er volop gedaan op 6 juni. "Op 1 juli zal de 99 meter hoge zendmast overeind gaan. Anderhalve maand later begint men met proefuitzendingen. Het televisiestation zal dan een zendbereik hebben dat ligt uitgestrekt in een cirkel van Lelystad in het noorden, van Amersfoort in het midden, naar Breda in het zuiden. Tachtig procent van alle Nederlanders, die een televisietoestel bezitten, zullen de programma's van de REM kunnen ontvangen. Dit betekent dat 1,5 miljoen televisietoestellen binnen het bereik komen."
  Deze en andere mededelingen werden gedaan door Ir. P.S. Heerema tijdens een persconferentie, die de avond ervoor op het vliegveld van Zestienhoven, werd gehouden. Hij vertelde verder ondermeer dat binnen twee weken de ruwbouw van de installatie voltooid zou zijn. "Vijfentwintig arbeiders zijn daarna nog tot eind juli bezig met de afbouw van de bovenbouw van het eiland. De PTT heeft bij monde van Radio Holland reeds toegezegd, dat de REM over enige tijd de beschikking krijgt over een telefoonverbinding tussen het televisie-eiland en de wal." Zondagavond 7 juni ontstond er stagnatie bij de bouw als gevolg van te sterke windvlagen. Het plaatsen van de bovenbouw werd uitgesteld tot de wind geluwd was.
  Op 9 juni werden de resultaten gepubliceerd van een aantal onderzoeken verricht door het NIPO. In februari 1964 onderzocht men op verzoek van de directie van de REM de openbare mening over het televisie-eiland, dat men plande in internationale wateren ter hoogte van Noordwijk. Omdat er begin april 1964 een tegen de REM gericht wetsontwerp bij de Tweede Kamer was ingediend, hield de NIPO daarover eind mei van dat jaar opnieuw een enquête. Het verschil tussen beide onderzoeken van februari en mei was dat de regering intussen met een wetsontwerp was gekomen en ten tweede, dat er aan één vraag, die in het eerste onderzoek van februari ook gesteld was, drie woorden waren toegevoegd.
  Gevraagd werd ondermeer: "Vindt U dat de regering de bouw of de uitzendingen van dit televisie-eiland moet proberen te verhinderen of niet?" — de woorden "of de uitzendingen" kwamen alleen in de mei-enquête voor. De resultaten van de twee onderzoeken die drie maanden omspannen, lopen slechts licht uiteen:
 
  Februari 1964 Mei 1964

Niet verhinderen 62% 60%
Wel verhinderen 15% 17%
Geen oordeel 23% 23%

  De geringe vermindering van het stemmenaantal onder "niet verhinderen" bleek voort te komen uit de categorie ondervraagden, die op dat moment zelf geen televisietoestel in hun bezit hadden.
3 Kamervragen. Dezelfde dag was er andermaal een lid van de Tweede Kamer die vragen stelde. Het betrof de heer H.C.W. Moorman van de Katholieke Volkspartij die vroeg "of het oprichten en gebruiken van de REM-installatie een onrechtmatig gebruik van de volle zee is?" Hij ondersteunde zijn vraag met te releveren, dat krachtens het gewoontevolkenrecht, zoals dit in het Verdrag van de Volle Zee van 1958 was gecodificeerd, geen enkele staat en dus ook geen enkele particuliere onderneming enig deel van de volle zee mocht occuperen.
  Tevens vroeg Moorman in de schriftelijk gestelde vragen waar de installatie precies werd gebouwd, hoever dit was van de laagwaterlijn van de Nederlandse kust en hoeveel water er ter plaatse stond bij laag water. Ook wilde Moorman weten of de initiatiefnemers vóór het plaatsen van de installatie overleg hadden gepleegd met de staatssecretaris, de diensten van het loodswezen, betonning, bebakening en verlichting of met enige andere regeringsinstantie. Mochten er wel vormen van overleg zijn geweest dan wenste Moorman duidelijke uitleg van de staatssecretaris over de aard en resultaten ervan. Ook stelde hij de vraag aan de orde of het REM-platform in de buurt van een drukbevaren route kwam te staan en derhalve diende te worden gezien als een obstakel voor andere gebruikers van de zee, die in hun vrijheid onredelijk werden belemmerd, waardoor dan inbreuk werd gemaakt op de desbetreffende gewoonteregel van het volkenrecht.
  Tenslotte vroeg Moorman of de staatssecretaris — als er geen overleg was geweest — van plan was stappen te ondernemen ter bescherming van de scheepvaart en op welke gronden de bewindsman van plan was dwingend te gaan optreden. Het waren vragen die lange tijd zouden blijven liggen, aangezien in Den Haag een verdere behandeling van de eventuele wetgeving tegen de REM niet eerder dan na het zomerreces 1964 van de Tweede Kamer werd verwacht.
  Bovendien bestond in politieke kringen in Den Haag het vermoeden dat de regering niet zo maar zou gaan ingrijpen, alvorens het wetsontwerp zou zijn aangenomen en gepubliceerd in de Staatscourant. En dan nog bleef de vraag of de regering al zou optreden voordat het radio- en televisiestation zijn eerste programma's had uitgezonden; "immers dan pas zou de REM voor het eerst in conflict komen met de telegraaf- en telefoonwet," was de mening bij politieke volgers in Den Haag. Wel stelde staatssecretaris voor Defensie, Van Es, dat het platform werd gebouwd op ongeveer 2 zeemijlen ten oosten van de route welke doorgaans werd en wordt gebruikt door de scheepvaart tussen de havens van Amsterdam en Rotterdam.
4 Links: Jan Smallenbroek, de toenmalige fractievoorzitter van de Anti Revolutionaire Partij

Tegenspoed. Tegenspoed bleef de organisatie achtervolgen wat een woordvoerder deed besluiten, tussen twee drukke conferenties in, de pers te woord te staan. Het bleek namelijk dat er alle schijn van had dat de zender voor het televisieplatform van de REM in New York werd vastgehouden of in ieder geval aanzienlijk vertraagd. Ir. P.S. Heerema: "Het zijn niet meer dan geruchten, maar in principe geloof ik wel dat er iets van waar is. Er zijn in ieder geval aanwijzingen dat een bepaalde regering de hand heeft in een belemmerende actie om belangrijke onderdelen van onze zender vast te houden."

Heerema voerde zijn besprekingen destijds voor een deel direct met de mensen in New York per telefoon. Het was daar dat de coördinatie plaats vond voor de verzending naar ons land van alle onderdelen van de zender, die in diverse plaatsen waren geproduceerd. Heerema op 17 juni 1964: "Mijn telefoongesprekken geven op het ogenblik nog geen definitief uitsluitsel, maar ik heb er goede hoop op dat de zaken op tijd tot onze tevredenheid kunnen worden geregeld. Op het ogenblik worden wij nog nergens officieel door gehinderd. Op het platform hebben we nog genoeg werk te doen. Even zijn de werkzaamheden wat vertraagd door de vrij sterke wind en de krachtige zeestromingen, maar de verwachtingen zijn zeer gunstig te noemen."

  Tegenslag had ook andere oorzaken. In de nacht van 17 op 18 juni probeerden een aantal jongelui een tochtje op zee te maken met de draagvleugelboot, die gebruikt werd voor de verbindingen tussen het REM-platform en de wal. De boot was daarbij, vermoedelijk door een aanvaring, nogal beschadigd geraakt aan het staartstuk. De jongelui hadden kans gezien de boot naar de oude Scheveningse Binnenhaven te brengen, waarna zij zich ijlings uit de voeten hadden gemaakt. Vervolgens werd de boot naar de fabriek in Papendrecht gebracht om hersteld te worden. Een paar dagen later was deze weer gewoon in gebruik voor het originele doel.
  Na het constateren van de vermissing van de boot kwam er op 18 juni ook goed nieuws toen bleek dat de Amerikaanse regering de vergunning had verleend voor de uitvoer van het materiaal dat in New York voor verzending naar ons land gereed stond. De machtiging tot transport werd verleend door middel van een brief van het Departement van Handel aan de New Yorkse exporteur. Het ging om materiaal ter waarde van bijna 200.000 dollar, dat geleverd werd door RCA, de Radio Corporation of America. Het bleek dat de vertraging was ontstaan omdat een deel van de televisiezender viel onder bepalingen van het exporttoezicht, omdat het strategisch van aard geacht werd. Volgens kringen in Den Haag zou aan de regering in Washington duidelijk zijn gemaakt dat het verlenen van een uitvoervergunning voor de zendinstallatie van het REM-eiland wellicht medewerking kon betekenen aan een onderneming die in de toekomst de Nederlandse wetgeving zou kunnen gaan overtreden.
5 Een professoraal oordeel. Op 20 juni kwam het bericht dat Professor dr. A.J.P. Tammes, verbonden aan het instituut voor het Volkenrecht en de leer der internationale betrekkingen van de Universiteit van Amsterdam, van mening was dat het televisie-eiland onrechtmatig was en in de eerste plaats behoorde te worden tegengegaan door die kuststaat die de nauwste aanknoping met een zodanige onderneming had door de nationaliteit van de betrokkenen bij het project, door de exclusieve rechten over het aangrenzende continentale plat en door de werking op het territoir. Het bleek dat Prof. Tammes deze verklaring had laten opnemen in een uitgebreide notitie, die hij had gemaakt op verzoek van enige leden van de eerder gememoreerde pacificatiecommissie, die voorstellen diende te maken voor de Nederlandse regering inzake de toekomst van de Nederlandse televisie.
  De uitgebreide notitie werd afgedrukt in het juninummer van het Nederlands Juristenblad. Het plaatsen en gebruiken van een kunstmatig eiland in volle zee kon volgens Tammes niet worden beschouwd als de uitoefening van het algemeen erkende beginsel van de volle zee indien een dergelijk eiland werd geplaatst in één van de drukst bevaren zeegebieden. Het was daarom volgens hem in strijd met de behoorlijke inachtneming van de belangen die andere staten bij de uitvoering van de vrijheid in de volle zee hadden.
  Op 22 juni kwam de berichtgeving dat de mogelijkheid niet uitgesloten was dat de parlementaire behandeling van het wetsontwerp inzake de REM toch uitgesteld zou worden tot na het zomerreces. Politieke kringen meldden dat de kans groot was dat de regering om dat uitstel zou gaan vragen ten einde het wetontwerp nog eens uitgebreid op zijn juridische merites te kunnen laten toetsen. Zo werd ondermeer gesteld dat het onmogelijk zou zijn voor minister Scholten binnen een week met een juridisch sluitend en volkenrechtelijk bevredigend antwoord te komen op de vele vragen die hem door de bijzondere Kamercommissie waren voorgelegd. Ook hield de regering rekening met de omstandigheid dat de organisatie achter de REM onmiddellijk een kort geding kon gaan aanspannen, zodra tegen het platform zou worden opgetreden. En om een dergelijke rechtszaak niet te gaan verliezen diende de regering in deze juridisch sterk in de schoenen te staan.
6 Problemen — te land, ter zee en in de lucht. Ondertussen kreeg de organisatie ook te maken met verbindingsproblemen met de vaste wal. De PTT had namelijk vergunning geweigerd voor een vaste radioverbinding. De scheepvaartinspectie had inmiddels ook de REM verboden haar vleugelboot nog langer te gebruiken voor het vervoeren van mensen en goederen naar het platform, zolang de daarvoor benodigde certificaten niet waren afgegeven. Ook de pendelkotter, die door de organisatie voor de verbinding met de vaste wal werd gebruikt, scheen niet aan de eisen van zeewaardigheid te voldoen, zo werd door de scheepvaartinspectie bekend gemaakt.
  En, er was niet alleen een probleem met een bevoorradingsboot maar ook een met een vliegenier. Op 25 juni kwam namelijk het bericht naar buiten dat de piloot, die met een T-33 straaltrainer van de Nederlandse Luchtmacht een oefenduikvlucht had uitgevoerd op het REM-eiland, daar door zijn leidinggevenden over onderhouden was, aangezien deze duikvlucht buiten het kader van de hem gegeven vluchtopdracht lag. Dit was althans bekend gemaakt door de minister van Defensie in antwoord op vragen van het toenmalige Tweede Kamerlid, de heer de Jager van de CPN. De minister voegde eraan toe dat het REM-eiland en Radio Veronica feitelijk waren gelegen in het militair oefengebied Valkenburg en bovendien behoorden tot het gehele oefengebied Noordzee, waar destijds het laagvliegen derhalve was toegestaan en dat de betreffende stuntman dus niet kon worden gestraft.
  Op 25 juni werd het duidelijk, dat de behandeling van de anti-REM-wetgeving pas na de vakantieperiode zou plaats gaan vinden. In de kranten werd gemeld, dat de volgende dag nagenoeg zeker alleen een ordedebat in de Tweede Kamer zou worden gehouden. De regering zou, in memorie van antwoord op vragen, aangeven dat het REM-wetsontwerp pas in de maand augustus kon worden verwacht. Een woordvoerder van de KVP meldde: "Bij de fracties leeft het verlangen naar nader uitsluitsel van de zijde van de regering. De KVP-fractie heeft van haar dagelijks bestuur al een aansporing gekregen zich niet zondermeer bij de mededeling van de regering neer te leggen."
  Er was dus van de zijde van de Katholieke Volks Partij zeker de wens om duidelijkheid te krijgen dat er geen ongewenste activiteiten tijdens het zomerreces waren te verwachten: "De verwachting is dat de verantwoordelijke ministers, Scholten en Luns, een verklaring zullen geven waarin uitstel geen afstel van actie tegen de onderneming zal betekenen. Bovendien zou het mogelijk zijn het zomerreces op te schorten of te onderbreken, voor de behandeling van het wetsontwerp, zodat het debat reeds in augustus en niet pas in september kan gaan plaatsvinden."
7 Rechts: het REM-eiland

Wachten op advies. De volgende dag, 26 juni, waren het inderdaad voornoemde ministers die aan de leden van de Tweede Kamer bekend maakten dat het wetsontwerp inzake de installaties op het continentale plat, dat was ingediend om de REM de pas af te snijden, niet voor september van dat jaar in behandeling zou kunnen worden genomen in het parlement. Beide heren wilden eerst nog de nodige adviezen vragen aan een commissie van hoogleraren, Kamerleden en ambtenaren inzake volkenrechtelijke aspecten van het wetsontwerp.

Natuurlijk waren de toen actieve politieke partijen niet blij met het besluit van de regering uitstel te nemen. Zeer heftig werd gereageerd door de verschillende woordvoerders. C. Kleywegt stelde namens de P.v.d.A: "Ik betreur deze gang van zaken ernstig. Waar op korte termijn had dienen te worden ingegrepen, is de regering ernstig in gebreke gebleven. Nu ontstaat de situatie dat er tegen een straks uitzendend televisiestation dient te worden opgetreden. Dit is een aanklacht tegen de regering waard.

  Namens de Katholieke Volks Partij trad Mr. A Baeten naar buiten: "Ik ben ontsteld over het regeringsbesluit. Een snelle behandeling was niet alleen mogelijk maar ook wenselijk. Door het dralen van het wetgevend apparaat ontstaat nu een chaotische situatie, waarin niemand meer weet waaraan hij toe is." Mr. Smallenbroek mocht het woord voeren namens de Anti Revolutionaire Partij: "Dit is een beleidszaak waarvan men moet aannemen dat de regering weet wat zij doet. De omstandigheden hadden een spoedige behandeling nodig gemaakt. Ik had liever gezien dat de Kamer wat later op reces zou gaan."
  Nuchter waren de reacties van de woordvoerders van de VVD en de Christelijke Historische Unie. Mr. Geertsema stelde namens de VVD: "We kunnen het uitstel volledig onderschrijven. Het is een dermate ingewikkeld probleem dat de regering genoodzaakt verder advies van deskundigen te vragen." Mr. Beernink stelde namens de CHU: "Het wetsontwerp betreft een uitermate ingewikkelde kwestie met vele volkenrechtelijke puzzels. Zonder gedogen behandeling zouden er grote, onoverkomelijke, problemen ontstaan. We staan volledig achter dit uitstel."
   
Previous
  2013 © Soundscapes