Logo  
  | home   authors | new | colophon | newsfeed | print |  
volume 24
oktober 2021

Jeugdvorming en televisie

 





  Hoe de televisie het jeugd- en jongerenwerk binnenkwam in de jaren vijftig en zestig
door Hans Knot
Previous
  In de loop van de jaren vijftig en zestig maakte de televisie haar entree in de leefwereld van kinderen en jongeren. Binnen de kaders van het toenmalige jeugd- en jongerenwerk, dat het begrip "dialoog" hoog in haar vaandel had staan, werd dat proces met enige argwaan bekeken. Toch werd, zo laat Hans Knot hier zien, de televisie ook in die context geaccepteerd — en dat, paradoxaal genoeg juist door de mogelijkheid om erover in gesprek te gaan.
 
1 Rechts: Tussen 1958 en 1980 bracht de VARA meer dan 600 afleveringen op de televisie van de populaire kinderserie Pipo de Clown. De gelijknamige hoofdfiguur werd gespeeld door Cor Witschge; de verhalen werden geschreven door Wim Meuldijk.

De roep om dialoog. Je hoeft alleen maar om je heen te kijken in je eigen familie- en vriendenkring om te zien hoe de jeugd van tegenwoordig de vrijetijd doorbrengt. Het grote aanbod om, al dan niet gezamenlijk, een spelletje te spelen via computer, mobiele telefoon of ander snel medium maakt het moeilijk om te kiezen. Het aantal jongeren, tot pakweg achttien jaar, dat nog intensief naar een rechtstreeks uitgezonden televisieprogramma kijkt, is de laatste jaren drastisch gedaald. Liever kijken ze, als de behoefte er al is, naar een programma op een tijdstip van eigen keuze. Hierbij is het streaming internet van de diverse televisiestations natuurlijk een prachtig middel om aan de eigen voorkeuren te voldoen, terwijl ook aanbieders als Netflix van grote waarde zijn voor de jeugd van tegenwoordig.

  In praktisch elk gezin heeft men tegenwoordig wel de beschikking over meerdere functionele apparaten om aan de behoefte van het kijken en spelen te kunnen voldoen. Dat lag zo'n zestig jaar geleden totaal anders. Die tijd viel samen met mijn tienertijd en bij ons thuis hadden we al wel de weelde van het bezit van een televisietoestel van het merk Erres, maar die luxe was nog lang niet iedereen gegund. Als het ging om de radio was er iets meer keuze. In de woonkamer was er de mogelijkheid te luisteren naar een normale buizenradio en in de kapsalon, het werkterrein van mijn vader, was de, in die tijd overbekende draadomroep aanwezig. Heel voorzichtig maakte televisie meer en meer haar entree in de Nederlandse gezinnen.
  Niet iedereen was daar even gerust op. Velen vreesden dat de televisie zou bijdragen aan de voortschrijdende individualisering en kinderen en jongeren zou omvormen tot onnadenkende, hedonistische consumenten van de massacultuur. In die zin spraken sociologen en pedagogen uit allerlei landen hun zorgen uit voor het geestelijk welzijn van het opgroeiende kind. In het Duitse Osnabrück werd bijvoorbeeld een vormingsdag gehouden voor medewerkers van de toenmalige volkshogescholen waarbij de aanwezigen onder meer werden toegesproken door professor Horst Wetterling. De hoogleraar Pedagogiek stelde dat de volksopvoeding, die uitsluitend op informatie berustte, volgens hem werd ondermijnd door de informatie die via de televisie tot de kijkers kwam.
  Wetterling vond dat de volksopvoeding meer haar specifieke taak diende te begrijpen, de mens voor te bereiden om ondanks de invloed van de overspoelende informatie vooral bij zichzelf te blijven. Daartoe diende de mens te leren kiezen en een persoonlijk oordeel te kunnen vormen. Dit kon volgens Wetterling niet zonder woord en wederwoord, zonder de pluralistische ontmoeting in de dialoog. In en door het gesprek met anderen kon de mens, volgens hem, leren om zich uit zijn isolatie te bevrijden en medemenselijk contact te krijgen. En, het eenrichtingsverkeer van de informatie die de televisie leverde, miste de nodige wederkerigheid. Maar, zoals we zullen zien, was het juist die nadruk op het belang van dialoog die een opening bood voor de acceptatie van de televisie in het jeugd- en jongerenwerk.
2 Links: "Morgen gebeurt het," zo luidde de titel van de spannende science-fiction-serie waarvan de AVRO een tweetal seizoenen uitzond. Ton Lensink speelde de hoofdrol als Professor Plano.

Onder de vleugels van de jeugdvorming. In Nederland waren in die jaren soortgelijke geluiden te horen en die kwamen niet altijd alleen vanuit conservatieve hoek. Vernieuwende pedagogen probeerden te ontsnappen aan de verzuilde kaders en meer aan te sluiten bij de leefwereld van de jeugd. Normen en waarden moesten, zo vonden zij, niet van buitenaf dor volwassenen aan jongeren worden opgelegd. Om die reden benadrukten ze het belang van de dialoog bij de meningsvorming van jongeren. En, sommigen van hen wilden ook best wel een stapje verder zetten wat betreft de acceptatie van de televisie. In die zin reageerde Theo Bonarius in de Vrije Vaart, het tijdschrift van de Nederlandse Jeugdgemeenschap, in januari 1963 op de uitspraken van Wetterling met de volgende stellingname:

  "Wat aan het adres van de volksopvoeding was gericht, geldt in wezen ook voor de jeugdvorming. Dat wil zeggen niet uit angst, dat de televisie een spelbreker voor bijvoorbeeld het jeugdwerk kan zijn, doen alsof de televisie niet bestaat, noch in een soort van concurrentiehouding de primaire informatieve taak van de televisie over te nemen, doch rekening te houden met het bestaan van de televisie en haar inwerking op het leven van de jeugd en jongeren positieve mogelijkheden en aanknopingspunten voor het jeugd- en jongerenwerk zelf trachten te ontdekken."
  Wie later geboren is moet weten dat er in Nederland al lang vóór de Tweede Wereldoorlog een uitgebreid netwerk was gegroeid van jeugd- en jongerenwerk. Gericht op de jeugd uit de arbeiders- en middenklasse werden er in dorpen zowel als steden clubhuizen opgericht, doorgaans maar niet uitsluitend gelieerd aan een specifieke geloofsgemeenschap. Zo konden katholieke jongens in het bisdom Haarlem al vanaf 1865 terecht bij de Sint Jozefgezellen. Het jeugd- en jongerenwerk beoogde de jeugd zich zo goed als mogelijk, in groepsverband, de belangrijke punten van het leven en de ontwikkeling van lichaam en geest eigen te maken.
  Na de onderbreking van de Tweede Wereldoorlog werd die missie op veel plaatsen weer ter hand genomen. Dagelijks, ook in de weekenden, werden tal van activiteiten georganiseerd, voornamelijk door vrijwilligers om de jeugd, die in een moeilijke periode waren geboren, zo warm mogelijk op te kunnen vangen. Jongeren werden lid van clubs, die zich vormden binnen een dergelijk jeugdhuis. Ze wisten wanneer ze werden verwacht, maakten allerlei leuke dingen en leerden vooral gezamenlijk activiteiten te beleven, die voor hen werden georganiseerd. Deze activiteiten gebeurden zowel binnen een dergelijk jeugdhonk als in de vrije natuur.
  Heden ten dage zijn er zogenaamde facebook-groepen waarin leden hun herinneringen kunnen delen en recentelijk plaatste ik een drietal foto's van activiteiten die in voornoemde periode waren georganiseerd vanuit het Sint Franciscus Liefdewerk aan het Boterdiep in Groningen, een instelling die in 1928 was opgericht met als doel de "zedelijke, godsdienstige en maatschappelijke verheffing van godsdienstig en maatschappelijk verwaarloosde en achterlijke katholieke jongeren der stad." Ongelooflijk veel reacties kwamen binnen op die foto's, waarbij veel warme herinneringen naar boven kwamen en het duidelijk werd dat de jeugd van toen en dus de bejaarden van nu, baat hadden gehad bij de toenmalige jeugdvorming.
3 Rechts: De poppenserie "Coco en de vliegende knorrepot" werd door de NCRV tussen 1959 en 1963 op de buis gebracht. De serie werd geschreven en gespeeld door Jaap Molenaar. Acteur Piet Ekel gaf de poppen zijn stem.

Het middel van de herbeleving. Terug naar de televisie, die van meet af een flink stuk van de vrijetijd van jongeren afsnoepte en in het kader van het jeugd- en jongerenwerk met enige argwaan werd bekeken. Dat betekende destijds niet dat er geen positieve ervaringen waren met de output van de televisie en het werken met jongeren en dus werden er in diverse jeugdwerkhuizen aanwijzingen verstrekt aan de leiders en leidsters. Wat betreft de programma's kregen jeugdleiders daarom vaak het advies om, ook al ontbrak hen daar de tijd voor, zich te informeren wat er zoal op de beeldbuis te zien was geweest. Op die manier konden ze eventuele vragen van de jongeren binnen de clubs beantwoorden. Dit onder het dringende motto: "opdat er geen kortsluiting ontstaat tussen de bemoeienissen van het jeugdwerk met hen, en hun ook door de televisie beïnvloede belangstellingssfeer."

  Een belangrijke groep, die destijds volgens pedagogen en jongerenwerkers ondersteuning diende te krijgen als het ging om het televisiekijken, was de leeftijdsgroep tussen vijf en twaalf jaar. Voor die leeftijdscategorie was er toen immers twee keer per week speciale zendtijd beschikbaar gesteld. Zowel op de woensdag- als de zaterdagmiddag konden zij naar hun eigen programma's kijken. Dat nu vroeg, zo vonden veel pedagogen, om extra zorg. Volgens Bonarius behoefden deze kinderen, pedagogische bezien, zowel in de gezinssituatie als daarbuiten — waarbij hij ook het jeugdwerk benoemde — een strakke leiding: "Het op verstandelijke wijze reflecteren op het gebodene en dus een beroep doen op een bewuste kritische instelling is er bij deze kinderen niet bij. Hun spontane reacties blijven veelal in de emotionele sfeer en herkennen geen verschil tussen de werkelijkheid van het leven vergeleken met bijvoorbeeld de inhoud van het op de televisie gebrachte sprookje."
  Er diende dus door de leiding binnen het jeugdwerk terdege aan deze emotionele gevoelens gewerkt te worden. Een geschikt middel zag men daarbij in het zogeheten "herbeleven," door via spel en gesprek het emotionele gebeuren te verwerken. Er was in die tijd voor de kinderen een aantal programma's dat de bejaarden van nu zich nog vlekkeloos herinneren. Zo stelde iemand dat hij altijd keek naar "Coco en de Vliegende Knorrepot". In zijn jeugdige beleving had hij nooit bewust gezien dat de poppen aan draadjes vastzaten en dat er dus sprake was van een marionettenvoorstelling. Maar ook het marionettentheater met de avonturen van "Dappere Dodo" en zijn vrienden werden genoemd. Ook werd uiteraard de avonturen van "Swiebertje" herinnerd. De eerste uitzending van "Pipo de Clown" verscheen in 1958 op de Nederlandse televisie. De avonturen van deze clown werd immens populair.
  Gevolg van deze populariteit was onder meer dat ouders door grote jeugdorganisaties werden opgeroepen speciale "Pipo de Clown Clubs" op te richten, waarbij kinderen in voornoemde leeftijdsgroep werden uitgenodigd om een aflevering of avontuur van de populaire serie, geschreven door Wim Meuldijk, na te spelen en gezamenlijk te bespreken, ja als het ware te ontleden. De eerder gememoreerde ouderen, die ik sprak over deze vroege jeugdseries, wisten direct namen als "Snuf en Snuitje", "Mamaloe", "De Dikke Deur" en "Felicio" te noemen. En dan te bedenken dat inmiddels meer dan zes decennia zijn verstreken. Het is dus goed vast gaan zitten in het geheugen.
4 Links: "Dappere Dodo" was een populaire marionettenserie, en tevens de eerste kinderserie die op de Nederlandse televisie te zien was. De reeks, een productie van Bert Brugman, werd door de KRO vanaf 1955 tot 1964 uitgezonden.

Een intermezzo. Het jeugd- en jongerenwerk vormde slechts een kort intermezzo in de na-oorlogse modernisering van Nederland. Vooral in de leeftijdsgroep van 14 tot 20 jaar, keren jongeren zich zich steeds vroeger af van vrijetijdsbestedingen waar zij zich onder het wakend oog weten van volwassenen. Ze wenden zich af van de huiselijke situatie, beginnen zich te verzetten tegen het ouderlijke gezag en gaan zich kritisch opstellen tegen de wereld van de volwassenen. Als gevolg daarvan loopt het jeugd- en jongerenwerk, net als de kerken, langzaam leeg.

  Toch bleef het jeugdwerk uit die tijd voor veel jongeren van groot belang. Waar alternatieven ontbraken bleef het jeugdwerk voor hen lange tijd een plek waar zij in clubverband en onder goede begeleiding gelegenheid hadden om leeftijdgenoten te ontmoeten, problemen in de ontwikkeling te bespreken en door sport en spel tot een gezamenlijk doel te komen. Ook daarbij kwam geregeld de televisie om de hoek kijken wanneer er gezamenlijk een programma werd bekeken en het gebodene achteraf werd besproken. Het was de tijd voordat er sprake was van gestructureerde onderwijstelevisie, waarover een andere keer meer.
   

  Bronnen
 
  • —, Critisch film- en televisiebulletin. Maandblad van de Stichting Filmcentrum. Hilversum, 1963 (4).
  • —, Vrije Vaart. Orgaan van de Nederlandse Jeugdgemeenschap. Amsterdam, januari 1963.
  • —, Vijf onvergetelijke kinderprogramma's uit de jaren vijftig. In: IsGeschiedenis. Dagelijkse historische achtergronden bij het nieuws.
  • Tillekens, Ger (red.) (1990), Nuchterheid en nozems. De opkomst van de jeugdcultuur in de jaren vijftig.. Muiderberg: Coutinho, 1990.
  • Wetterling, Horst (1960), Das Fernsehen in pädagogischem Aspekt. Bemerkungen zur Wirksamkeit, zu den M√∂glichkeiten und Aufgaben eines Jugendprogramms im Fernsehen. München: Schriftenreihe der Evangelischen Akademie für Rundfunk und Fernsehen, 1960.
   
Previous
  2021 © Soundscapes